Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10201

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1357
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De korpschef heeft eiser, hoofdagent, ontslagen wegens ongeschiktheid nadat hij op een onopvallende dienstmotor, in een zwart pak en zonder taak in het kader van de NSS, het vanwege die NSS afgeschermde gebied binnen is gegaan. Eiser is langs vijf controleposten gekomen. De rechtbank concludeert dat ook bij de controleposten geenszins het bewustzijn leefde dat het doorlaten van een agent op een onopvallende dienstmotor, in een zwart pak en zonder taak in het kader van de NSS, zeer onwenselijk was en een veiligheidsrisico met zich bracht. Het ontbreken van dat bewustzijn bij eiser kan hem dan ook niet worden tegengeworpen. De concrete gedragingen van eiser in de gegeven omstandigheden vormen onvoldoende grondslag voor het gegeven ongeschiktheidsontslag. De rechtbank herroept het ontslag.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-12-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/1357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. J. Sajtos),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Versloot).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser primair de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd en hem subsidiair ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Bij besluit van 9 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het disciplinaire ontslag en het primaire besluit op dit onderdeel herroepen. Voor zover het betrekking heeft op het subsidiair gegeven ongeschiktheidsontslag heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het ontslagbesluit in zoverre gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] , toenmalig sectorhoofd van eiser.

Overwegingen

1.1

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.2

Eiser is ongeveer vijfentwintig jaar werkzaam geweest bij de politie. Sinds 1 oktober 2009 was hij werkzaam bij het Verkeershandhavingsteam van de Dienst Regionale Operationele Samenwerking van de politie Noord-Holland, in de functie van motorrijder. De rang van eiser was hoofdagent.

1.3

Bij besluit van 11 februari 2014 is aan eiser wegens plichtsverzuim de straf van inhouding van salaris opgelegd. Eiser werd verweten dat hij gedurende zijn werkzaamheden bij een verkeerscontrole met het verkeershandhavingsteam als motorrijder zonder enige noodzaak een collega heeft meegenomen voor een rit achterop zijn dienstmotor en tijdens die rit de maximumsnelheid met 77 km per uur heeft overschreden.

1.4

Op 24 en 25 maart 2014 vond in Nederland de Nuclear Security Summit 2014 (NSS) plaats. Met het oog hierop waren op 23 maart 2014 rond de luchthaven Schiphol strenge veiligheidsmaatregelen genomen. Grote delen van het gebied waren afgesloten voor verkeer. Er was een ringenmodel ingesteld. De buitenste ring was ring 4, de binnenste ring 1. Hoe lager het nummer, hoe zwaarder de beveiliging en de daarbij passende maatregelen waren. Ring 1 betrof ‘staatshoofd’, ring 2 zwaar beveiligd gebied, ring 3 beveiligd gebied (rondom de Polderbaan) en ring 4 de verkeersring om ring 3 heen. Voor toegang tot ring 3 was voorafgaande aanmelding nodig en ring 2 mochten alleen vooraf gescreende personen betreden.

1.5

Op 23 maart 2014 was eiser niet ingepland voor werkzaamheden voor de NSS en diende op zijn eigen team te werken. Op enig moment diezelfde dag is eiser, in burgerkleding en op een onopvallende dienstmotor, in het vanwege de NSS afgesloten gebied gesignaleerd. Naar aanleiding hiervan heeft een verkort disciplinair traject plaatsgevonden. In dit kader is eiser op 31 maart 2014 door zijn direct leidinggevende geïnterviewd. Bij brief van 2 april 2014 heeft verweerder eiser een nader disciplinair onderzoek aangezegd. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt, gedateerd op 30 mei 2014. Hierna is eiser bij besluit van 25 juni 2014 buiten functie gesteld. De buitenfunctiestelling is bij besluit van 14 juli 2014 omgezet in een schorsing.

1.6

Bij brief van 4 juli 2014 heeft verweerder eiser meegedeeld voornemens te zijn hem de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Bij brief van 17 juli 2014 heeft eiser een zienswijze ingediend. Verweerder heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht. Dit heeft geresulteerd in het aanvullende rapport van 11 september 2014.

1.7

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen. Hierin stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Verweerder acht aannemelijk dat eiser op 23 maart 2014 in strijd met de aan hem gegeven opdracht op zijn team werkzaamheden te verrichten en zonder overleg met enig leidinggevende zich heeft begeven binnen het ten behoeve van de NSS afgeschermd gebied. Met alle aandacht die voorafgaand aan het evenement aan de NSS is besteed en de instructies en informatie die hij vooraf per mail en op intranet heeft kunnen bekijken, en gezien de aanwezigheid van borden en barrières rond het afgeschermde gebied behoorde het eiser voldoende duidelijk te zijn dat het alleen was toegestaan dat hij zich binnen het afgeschermde gebied mocht begeven, indien hij in het bezit was van de verschillende specifiek ten behoeve van de NSS verstrekte toegangspassen. Verweerder acht ook aannemelijk dat eiser zich zonder enige noodzaak, in strijd met de instructies en zonder de juiste toegangspassen binnen het beveiligd gebied heeft begeven. Gezien dit alles, afzonderlijk en in samenhang bezien, concludeert verweerder dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. Volgens verweerder rechtvaardigt het plichtsverzuim het opleggen van de straf van onvoorwaardelijk ontslag. Bovendien is sprake van recidive. Subsidiair acht verweerder ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken aangewezen.

1.8

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 28 november 2014 (zaaknummer HAA 14/4115) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet gehandhaafd. Volgens verweerder is onvoldoende komen vast te staan dat eiser ervan op de hoogte was dat hij onder geen beding het afgeschermde gebied mocht betreden. Wel heeft verweerder het ongeschiktheidsontslag, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, in stand gelaten. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser, gelet op zijn ervaring en functie, zich ervan bewust had moeten zijn dat zijn gedrag - het op een onopvallende dienstmotor, in een zwart pak en zonder taak in het kader van de NSS het afgeschermde gebied binnengaan - zeer onwenselijk was en een veiligheidsrisico met zich bracht. Hiermee heeft eiser er blijk van gegeven dat hij de consequenties van zijn handelen voor de organisatie onvoldoende beseft. Ook heeft eiser zich kennelijk niet gehouden aan de hem door zijn leidinggevende voor die dag opgedragen werkzaamheden.

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij voert aan dat hij niet kon bevroeden dat zijn aanwezigheid in het NSS-gebied een veiligheidsrisico vormde. Hem kan daarom niet worden verweten dat hij ervan op de hoogte was dat zijn gedrag een noodprocedure teweeg zou brengen. Er is dan ook geen grondslag voor de stelling van verweerder dat eiser er blijk van heeft gegeven dat hij de gevolgen van zijn handelen voor de politieorganisatie onvoldoende beseft.

Eiser stelt verder dat hem ten onrechte geen reële verbeterkans is geboden. De verweten gedragingen rechtvaardigen niet dat een verbeterkans zinledig is en ze zijn niet zo ernstig dat van verweerder niet kan worden gevergd hem nog een verbeterkans te geven. De aan eiser opgelegde disciplinaire maatregel in 2013 staat los van het onderhavige verwijt. Echter, al zou het verwijt uit 2013 in samenhang worden gezien met het onderhavige verwijt, dan nog brengt dit niet mee dat eiser geen verbeterkans had moeten krijgen.

4.1

Het geschil betreft alleen nog de vraag of verweerder, met toepassing van artikel 94, eerste lid, onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie, eiser mocht ontslaan op grond van ongeschiktheid of onbekwaamheid, anders dan wegens ziekten of gebreken.

4.2

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

4.3

Vaststaat dat eiser op 23 maart 2014, in burgerkleding en op een onopvallende dienstmotor, een gebied (ring 3 en ring 2) heeft betreden dat was afgesloten in verband met de NSS. Eveneens staat vast dat eiser op dat moment geen taak had in het kader van de NSS.

4.4

Gebleken is dat de (agenten op de) posten bij de ringen in en om het afgeschermde gebied dienden te controleren of voertuigen waren voorzien van de NSS-sticker en of men beschikte over de juiste deconflictiekaart (een kleurkaart voor het voertuig of de persoon). Daarnaast moest men, wilde men doorgelaten worden, zich legitimeren met een kaart van defensie of de politie.

4.5

Eiser heeft te zitting nog toegelicht hoe hij het beveiligde gebied is binnengereden. Hij heeft verklaard dat hij bij een slagboom stond te praten met zijn collega’s. Hij kreeg toen een melding over spotters via de portofoon, die niet op de NSS-frequentie stond afgestemd, maar op de frequentie Haarlemmermeer. Hij heeft bij de post gevraagd of het veilig was door te rijden, omdat hij door het NSS-gebied rijdend sneller op de plaats van bestemming zou zijn dan om het NSS-gebied heen, en of hij mocht doorrijden. Deze vragen zijn bevestigend beantwoord en eiser is toen het NSS-gebied ingereden. Eerst bij de zesde post op de Sloterweg/Tweeduizend El is hem gevraagd naar de “rode pas” en is hij teruggestuurd. Hieraan heeft hij ook gevolg gegeven.

In de zienswijze over het voornemen tot ontslag is namens eiser al toegelicht waarom hij achter een melding over spotters is aangegaan: “De opdracht was verkeershandhaving/-surveillance en spotters vallen daar niet onder. Spotters vallen onder noodhulp. Dit is correct. Betrokkene was echter als enige van zijn team aanwezig en dan is het gebruikelijk dat zij meldingen gaan rijden ten behoeve van de noodhulp. Dit is standaard zo geregeld en zo werkt betrokkene al jaren. Aangezien hij meldingen ten behoeve van noodhulp reed, kon hij dus ook meldingen van spotters rijden.”

4.6

Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiser ervan op de hoogte was dat hij onder geen beding het afgeschermde gebied mocht betreden. De vraag is vervolgens of eiser zich - zonder deze wetenschap - toch ervan bewust had moeten zijn dat zijn gedrag zeer onwenselijk was en een veiligheidsrisico met zich bracht.
De rechtbank kan bij beantwoording van deze vraag niet voorbijgaan aan de omstandigheid dat eiser - met zijn ‘spottersverhaal’ - langs vijf controleposten ring 3 en ring 2 is binnengereden. Uit het onderzoeksrapport van 30 mei 2014 blijkt dat volgens het hoofd mobiliteit van de staf grootschalig bijzonder onderzoek (SGBO) NSS zelfs een brandweerauto met optische en geluidssignalen niet onaangemeld ring 3 binnen mocht en is het een feit dat alleen tevoren gescreende personen ring 2 mochten betreden. De rechtbank constateert echter dat eiser niet was aangemeld, niet was gescreend, geen deconflictiekaart had en dat zijn motor niet was voorzien van een NSS-sticker. De rechtbank kan slechts concluderen dat ook bij de controleposten geenszins het bewustzijn leefde dat het doorlaten van een agent op een onopvallende dienstmotor, in een zwart pak en zonder taak in het kader van de NSS, zeer onwenselijk was en een veiligheidsrisico met zich bracht. Nu dit bewustzijn bij de controleposten ontbrak - en als het ergens had moeten leven, dan was dat wel bij de controleposten - kan eiser het ontbreken ervan naar het oordeel van de rechtbank niet worden tegengeworpen.

4.7.

Verweerders stelling dat hem onbekend is wat eiser precies tegen de posten heeft gezegd om doorgelaten te worden, kan verweerder niet baten. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat eiser consequent heeft verklaard over zijn spottersverhaal. Dat verweerder dit niet kan controleren omdat hij achteraf de namen niet kan achterhalen van degenen die de controleposten hebben bemand die eiser is gepasseerd, komt voor zijn rekening.

4.8

Eiser heeft verklaard dat het controleren van spotters binnen de werkzaamheden viel, die hij op de bewuste dag moest uitvoeren. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Daarnaast heeft verweerder ook niet afdoende aangetoond dat er geen sprake is geweest van een door eiser ontvangen melding over een spotter. De rechtbank concludeert dan ook dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat eiser zich kennelijk niet heeft gehouden aan de hem door zijn leidinggevende voor die dag opgedragen werkzaamheden.

4.9

Voor zover verweerder eiser in het verweerschrift verwijt dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd, overweegt de rechtbank dat eiser in grote lijnen consistente verklaringen heeft afgelegd. En wat hiervan zij, dit is geen basis voor het ongeschiktheidsontslag. De rechtbank ziet daarnaast ook bij een aantal anderen die zijn verhoord een belang om hun rol gunstiger voor te stellen, omdat hen achteraf het verwijt trof dat zij eiser onvoldoende hebben gecontroleerd en hebben doorgelaten.

4.10

De rechtbank concludeert dat de concrete gedragingen van eiser in de gegeven omstandigheden een onvoldoende grondslag vormen voor het gegeven ongeschiktheidsontslag

5. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het ongeschiktheidsontslag is gehandhaafd. Omdat er onvoldoende grondslag is voor een ongeschiktheidsontslag herroept de rechtbank ook het primaire besluit voor zover dat betrekking heeft op het ongeschiktheidsontslag. Verweerder hoeft dus geen nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen.

6. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het ongeschiktheidsontslag is gehandhaafd;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij eiser ontslag is verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van A.G.J. Deckers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.