Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10148

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1278
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2221, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De brief waarbij eiser is meegedeeld dat hij geen tipgeld krijgt voor de gegeven informatie over de bouwfraude, is geen besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-3032 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/1278

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.G.S. Pennino),

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. P.H. Jacobs).

Procesverloop

Bij brief van 16 december 2014 (de brief) heeft verweerder eiser bericht geen aanleiding te zien eiser een tipgeldvergoeding toe te kennen voor de informatie die eiser heeft aangeleverd over de bouwfraude.

Bij besluit van 6 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend. Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Eiser is verschenen en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu er geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Immers, de bevoegdheid een tipgeld toe te kennen is niet gebaseerd op een bevoegdheid die verweerder ontleent aan de wet. Veeleer is er sprake van het al dan niet sluiten van een (civielrechtelijke) overeenkomst. Verder is het toekennen van een tipgeld geen mogelijkheid die uitsluitend aan de overheid toekomt. Ook (rechts)personen kunnen een tipgeld uitloven, aldus verweerder.

3. Eiser stelt dat de brief een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, namelijk een weigering tot toepassing van een eigen beleidsregel, de Resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 24 oktober 1985, nummer 585-24 843, gepubliceerd in Vakstudienieuws 1985, 2168 (hierna: de Resolutie). Verweerder is aan zijn eigen beleid, de Resolutie, gebonden op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en wel in het bijzonder het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel.

4. De rechtbank overweegt dat het vergaren van informatie voor de heffing en inning van belastingen een overheidstaak is. Eiser heeft in het verleden informatie geleverd aan verweerder, die heeft geleid tot naheffing en inning van belastingen. Voor het leveren van die informatie vraagt hij nu betaling, ‘tipgeld’. Er is echter geen wettelijke of andere adequate publiekrechtelijke grondslag voor de toekenning van tipgeld. De Resolutie is slechts een interne richtlijn voor het omgaan met een dergelijk, buitenwettelijk verzoek om tipgeld en niet zo’n grondslag. De weigering om tipgeld toe te kennen wijzigt ook niet op enige manier de rechtsverhouding tussen eiser en verweerder. De brief heeft derhalve geen publiekrechtelijk rechtsgevolg, en is daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling.

5. Nu de brief geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt, is deze geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

6. Omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb, stond daartegen geen bezwaar open en heeft verweerder het ingediende bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. R.P. Boon, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.