Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2015:10001

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3387
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag beveiligingsambtenaar werkzaam bij defensie. Eiser wordt aan zijn eerste bij de KMAR afgelegde verklaring gehouden. Daarin heeft hij verklaard een diensttelefoon te hebben meegenomen uit een gebouw op het defensieterrein dat hij diende te beveiligen en daarna heeft verkocht. Het is niet aannemelijk geacht dat deze verklaring niet juist was als gevolg van een paniekreactie van eiser op zijn aanhouding. Voor zijn tweede verklaring, dat hij de telefoon zou hebben gekocht van een onbekende die op het terrein rondliep, heeft hij geen onderbouwing kunnen geven. Strafontslag is niet onevenredig.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/3387

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink),

en

de Minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M. van der Weijden).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van

13 maart 2014 ontslagen op grond van artikel 100, eerste lid, onder l, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD).

De voorzieningenrechter heeft op 22 april 2014 op verzoek van eiser het primaire besluit geschorst.

Bij besluit van 22 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 21 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van eiser het bestreden besluit geschorst.

Op 15 april 2015 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verweerder tot opheffing van de getroffen voorlopige voorziening afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig: [naam 1] en Kolonel [naam 2] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiser was sinds 1991/1992 werkzaam bij Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO). Tot oktober 2013 was eiser als commandant [functie] werkzaam op het terrein van het [locatie 1] . In september 2013 is eiser bevorderd tot wachtcommandant. Vanaf oktober 2013 was eiser werkzaam op [locatie 2] als hoofdbeveiliger.

1.2

Op 4 oktober 2013 heeft kapitein [naam 3] aangifte gedaan van diefstal van een BlackBerry 8529 uit het ladeblok in zijn werkkamer in een gebouw van het [locatie 1] . De diefstal zou volgens de aangifte gepleegd zijn tussen 13 september 11.00 uur en 30 september 07.00 uur (vakantieperiode van [naam 3] ). [naam 3] heeft de telefoon voor zijn vakantie ontvangen en in zijn ladeblok gelegd. Na zijn vakantie bleek de telefoon te zijn weggenomen.

1.3

Op 5 december 2013 heeft de Koninklijke Marechaussee (KMAR) bij [naam neef] (neef van eiser) een BlackBerry 9790 Bold, een Sony Ericsson oplader en een HTC koptelefoon in beslag genomen.

1.4

Op 17 december 2013 is eiser door de KMAR aangehouden op verdenking van diefstal van een aan Defensie toebehorende BlackBerry telefoon en verhoord. In dit verhoor verklaart eiser dat hij tijdens een nachtdienst tussen 19 en 23 september 2013 in de internetruimte in het slaapgebouw van het [locatie 1] een telefoon heeft gevonden, die hij heeft meegenomen en later aan zijn neef heeft verkocht voor € 50,-. Het betrof volgens eiser een BlackBerry Bold, die in een wat versleten doosje zat. Als eiser tijdens het verhoor de bij zijn neef inbeslaggenomen telefoon wordt getoond, verklaart hij dat deze telefoon van hetzelfde merk en type is als de telefoon die hij heeft meegenomen.

1.5

Op 19 december 2013 heeft eiser een nieuwe verklaring afgelegd bij de KMAR. Daarin stelt hij dat hij op 17 december 2013 onjuist heeft verklaard met betrekking tot het verkrijgen van de telefoon. In zijn tweede verklaring stelt hij dat hij de telefoon tijdens de eerdergenoemde nachtdienst in september 2013 van iemand heeft gekocht die op het [locatie 1] -terrein rondliep. Eiser zou € 135,- voor de telefoon hebben betaald. Hij had het telefoonnummer van deze voor hem onbekende persoon opgeschreven in zijn roosterboekje, maar is dat kwijtgeraakt. Hij verklaart ook dat hij direct na het eerste verhoor zijn leidinggevende ( [naam 4] ) heeft verteld dat hij onjuist verklaard had, en hoe het werkelijk zat.

1.6

Op 23 december 2013 is eiser in dit verband gehoord door verweerder. Daar legt hij dezelfde verklaring af als op 19 december 2013. Daarop wordt eiser geschorst.

1.7

Op 9 januari 2014 is eiser opnieuw door de KMAR verhoord. Tijdens dit verhoor verklaart eiser onder andere dat hij niet met de telefoon heeft gebeld en dat hij geen verklaring heeft voor het feit dat er op 6 september 2013 gebeld is naar telefoonnummers die ook in zijn privé-telefoon staan. De telefoonnummers zijn van personen genaamd [naam 5] en [naam 6] , contacten van het evenementenbureau waar eiser bij betrokken is. Wanneer eiser de telefoon heeft verkregen, weet hij niet meer precies. Wel dat het tijdens een nachtdienst was, en op een zondag.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het standpunt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het wegnemen van een telefoon van Defensie. Verweerder gaat hierbij uit van de door eiser op 17 december 2013 afgelegde verklaring. Voorts acht verweerder het ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet aan zijn eerste verklaring kan worden gehouden, omdat hij bij het afleggen daarvan in blinde paniek heeft gehandeld. Hij begreep dat de telefoon was gestolen en zag zijn carrière voorbij drijven. Hij was bang dat hij niet geloofd zou worden als hij de waarheid zou vertellen. Bovendien was sprake van ernstige stress in de privésfeer, onder meer omdat bij zijn vrouw een tumor ontdekt was. Eiser was niet bezig met het doorverkopen van een gestolen telefoon. Eiser wijst er in dit verband op dat een BlackBerry via het speciale netwerk en via het IMEI-nummer traceerbaar is, zodat het kopen van een gestolen BlackBerry onverstandig is. Verder heeft hij de pincode bij het toestel gekregen en heeft hij de telefoon aan zijn neef verkocht. Ook dit wijst niet op diefstal.

Verweerder heeft ten onrechte de tweede verklaring van eiser ongeloofwaardig geacht. Eiser meent dat het onredelijk is dat van hem werd verlangd dat hij zijn onschuld moest aantonen. Hij heeft getracht zijn roosterboekje, waarin hij het telefoonnummer van de verkoper had genoteerd, terug te vinden, maar is daarin niet geslaagd.

Eiser heeft verder aangevoerd dat niet vaststaat dat het om dezelfde telefoon gaat, omdat IMEI-nummers niet geheel uniek zijn. Verder is niet duidelijk wanneer de telefoon gestolen is.

Eiser is op 8 april 2015 door de politierechter vrijgesproken.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser in zijn eerste verhoor onjuist heeft verklaard door blinde paniek. Hij wist immers al anderhalve week dat de telefoon bij zijn neef in beslag genomen was en wist dus wat er ging komen. Bovendien had eiser hierover juridisch advies ingewonnen. Daarbij bevreemdt het verweerder dat eiser niet op zoek is gegaan naar zijn roosterboekje. Daartoe is hij ruimschoots in de gelegenheid gesteld door verweerder. Bovendien heeft eiser zijn eerste verklaring niet direct nadien ingetrokken.

Verweerder wijst verder op tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser: zo heeft hij op

23 december 2013 verklaard dat er geen pincode bij de telefoon zat, maar in zijn zienswijze en bezwaarschrift stelt hij dat dit wel het geval was. Ook wijst verweerder erop dat eiser verklaard heeft dat hij de telefoon op 22 september 2013 heeft gekocht van een onbekende, terwijl er al op 6 september 2013 mee is gebeld naar contacten van eiser.

In het verweerschrift van 11 september 2015 heeft verweerder nog toegevoegd dat [naam 3] tegenover verweerders gemachtigde heeft verklaard dat hij de telefoon rond 23 augustus 2013 heeft ontvangen en in zijn bureaulade heeft gelegd. Pas op 30 september 2013 (na zijn vakantie) heeft [naam 3] de lade weer geopend, omdat in zijn vakantie een e-mail was gestuurd met de activeringscode voor de telefoon. Toen heeft [naam 3] geconstateerd dat de telefoon verdwenen was.

Verweerder benadrukt verder dat de telefoon die bij de neef van eiser is gevonden, dezelfde IMEI-code had als de verdwenen telefoon.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ingevolge artikel 99, eerste lid, van het BARD kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen (tweede lid van artikel 99 van het BARD).

5.2

In artikel 100, eerste lid, onder l, van het BARD is bepaald dat als disciplinaire straf ontslag kan worden opgelegd.

5.3

De rechtbank stelt voorop dat welke lezing van de feiten door eiser ook wordt gevolgd, vastgesteld moet worden dat eiser op het [locatie 1] -terrein een telefoon heeft verkregen, die hij vervolgens heeft verkocht aan zijn neef. Deze telefoon is bij zijn neef in beslag genomen. Dat het niet zou gaan om dezelfde telefoon als de telefoon die is ontvreemd bij [naam 3] , acht de rechtbank onaannemelijk. De omstandigheid dat IMEI-nummers wellicht niet geheel uniek zijn, maakt – in dit geval – niet dat getwijfeld moet worden. Er is immers geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat de telefoon die bij de neef van eiser in beslag is genomen niet dezelfde zou zijn als de telefoon die door eiser aan zijn neef is verkocht, en evenmin voor de conclusie dat deze telefoon niet dezelfde zou zijn als de telefoon ten aanzien waarvan Defensie aangifte gedaan heeft van diefstal.

5.4

De rechtbank tekent hierbij wel aan dat de aangifte van diefstal van de telefoon met meer zorgvuldigheid had moeten plaatsvinden. Nu zowel het type telefoon (BlackBerry Curve in plaats van Bold) als de pleegdatum die bij de aangifte zijn vermeld achteraf gecorrigeerd dienden te worden, is verwarring ontstaan. Het is vooral deze verwarring geweest die heeft geleid tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de afwijzing van het verzoek van verweerder tot opheffing daarvan.

5.5

Voor de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk plichtsverzuim eiser kan worden verweten is van belang op welke wijze eiser de telefoon heeft verkregen. Hierbij dient te worden beoordeeld of verweerder eiser heeft mogen houden aan zijn verklaring van 17 december 2013.

5.6

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van de inhoud van de eerst afgelegde verklaringen die zijn opgenomen in een door opsporingsambtenaren op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, en komt in het algemeen aan het achteraf intrekken van een dergelijke verklaring minder betekenis toe. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als degene die de verklaring heeft afgelegd, met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat de betreffende verklaring niet juist kan zijn (CRvB 8 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1002).

5.7

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser worden gehouden aan de eerste verklaring die hij tegenover de KMAR heeft afgelegd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat deze verklaring niet juist kan zijn. Een onderbouwing van de juistheid van de door eiser afgelegde tweede verklaring ontbreekt. De omstandigheid dat eiser het roosterboekje, waarvan hij stelt dat hij daarop het telefoonnummer heeft genoteerd van degene van wie hij de telefoon zou hebben gekocht, niet kon overleggen, blijft voor zijn risico. Eiser is immers wel in de gelegenheid gesteld om op zoek te gaan naar dit roosterboekje, maar heeft hiervan naar eigen zeggen afgezien omdat hij een ongemakkelijke confrontatie met collega’s wilde vermijden. De rechtbank acht verder niet aannemelijk geworden dat eiser als gevolg van een paniekreactie een onjuiste verklaring zou hebben afgelegd. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat eiser ruim een week voor zijn aanhouding reeds op de hoogte was van het feit dat de telefoon bij zijn neef in beslag genomen was, waardoor hij heeft kunnen verwachten dat de KMAR hem daarover zou willen bevragen en dat hij in verband hiermee juridisch advies heeft ingewonnen. Voorts is de eerste verklaring die eiser heeft afgelegd gedetailleerd en is eiser, ook nadat het verhoor na een lunchpauze van anderhalf uur was hervat, bij deze verklaring gebleven. Deze eerste verklaring van eiser lijkt dan ook weloverwogen te zijn afgelegd. Verder acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser, met het oog op het veilig stellen van zijn carrière, een onjuiste verklaring over een niet-gepleegde diefstal heeft afgelegd. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat voldoende vaststaat dat eiser een telefoon van Defensie heeft weggenomen. Eiser heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Dat het plichtsverzuim eiser niet toe te rekenen zou zijn, is niet gebleken. Verweerder was dan ook bevoegd tot het nemen van een disciplinaire maatregel.

5.8

Met betrekking tot de vraag of het opgelegde ontslag evenredig is ten opzichte van de ernst van het plichtsverzuim overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het opgelegde strafontslag disproportioneel is, gezien zijn lange staat van dienst, terwijl bij hem voorheen nimmer iets onoirbaars is geconstateerd. Ter zitting heeft eiser daarnaast in dit kader ook gewezen op zijn privé-situatie. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het opgelegde strafontslag proportioneel is, gelet op het organisatiebelang gelegen in betrouwbaarheid en verantwoordelijkheidsbesef. Van eiser mag gelet op zijn functie binnen de beveiligingsorganisatie, meer nog dan van anderen binnen Defensie, integer gedrag worden verwacht.

Gelet op de aard van de verweten gedraging in relatie tot de functie van eiser acht de rechtbank het opgelegde strafontslag niet onevenredig zwaar in verhouding tot het verweten ernstige plichtsverzuim. Juist van eiser in zijn functie als beveiliger mag worden verwacht dat hij zeer zorgvuldig omgaat met eigendommen van verweerder. Het wegnemen van de telefoon is daarmee zodanig in strijd dat strafontslag niet onevenredig zwaar is.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding de getroffen voorlopige voorziening voort te laten duren. De rechtbank heft deze dan ook met onmiddellijke ingang op.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- heft de getroffen voorlopige voorziening met onmiddellijke ingang op.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, voorzitter, en mr. E.G. van Roest en

mr. H.M.L. Frons, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.