Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:9808

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
3095558 \ WM VERZ 14-1285
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep dat betrokkene heeft ingesteld nadat hij is beboet voor het rijden op busbrug de Binding te Zaanstad op een tijdstip waarop ter plaatse een geslotenverklaring gold. De kantonrechter is van oordeel dat de sanctie terecht is opgelegd, maar matigt het sanctiebedrag met 50%. Aan betrokkene zijn meer meer sancties opgelegd voor het oprijden van de busbrug, en de kantonrechter acht matiging van de tweede (en verdere) opgelegde sanctiebedragen op zijn plaats ter voorkoming van een onevenredig hoog totaalbedrag aan sancties.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Zaanstad

Zaaknr.: 3095558 \ WM VERZ 14-1285

CJIB-nummer: 170005459

Uitspraakdatum: 21 oktober 2014

Beslissing op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)

in de zaak van:

[betrokkene]

[adres]

[woonplaats]

hierna te noemen: betrokkene.

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (een verkeersboete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2014. Op die zitting is de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie namens de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen.

De administratieve sanctie (de verkeersboete)

Aan betrokkene is op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna te noemen: WAHV) een sanctie opgelegd van € 130,00, omdat – kort gezegd – een auto of motorfiets, waarvan het kenteken op naam van betrokkene stond, de zogenoemde busbrug de Binding te Zaanstad is opgereden op een tijdstip waarop dat niet was toegestaan.

De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd luidt volgens de beslissing van de officier van justitie als volgt: “Handelen i.s.m. gesloten verklaring in beide richtingen weg(gedeelte) bestemd voor bep.cat.voertuigen (doelgroepstr.)”.

Het standpunt van betrokkene en van de officier van justitie

Betrokkene is het er niet mee eens dat de sanctie is opgelegd en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd. De vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie heeft het standpunt van de officier van justitie op de zitting verwoord en toegelicht.

De overwegingen van de kantonrechter

Inleiding

De zaak van betrokkene is behandeld op de zitting van 7 oktober 2014, samen met een groot aantal andere zaken van betrokkenen aan wie een sanctie is opgelegd voor het oprijden van busbrug de Binding. Veel betrokkenen hebben in hun beroepschrift meerdere, vergelijkbare principiële argumenten aangevoerd tegen de opgelegde sanctie.

Op de zitting is een aantal betrokkenen in de gelegenheid gesteld hun argumenten toe te lichten. De kantonrechter heeft de overige betrokkenen te kennen gegeven dat zij zich kunnen aansluiten bij die toelichting en de aangevoerde argumenten. Dat hebben veel betrokkenen ook gedaan. Daarvan uitgaande zal de kantonrechter in iedere individuele zaak, waaronder deze zaak van betrokkene, alle aangevoerde argumenten bespreken en beoordelen.

De gedraging

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – en met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de administratieve sanctie is opgelegd, is begaan. In zaken als deze biedt de verklaring van een verbalisant op ambtseed of ambtsbelofte in beginsel ook een deugdelijke grondslag voor de vaststelling van het plegen van de gedraging door betrokkene.

Volgens de verklaring van de verbalisant is op het in die verklaring genoemde tijdstip geconstateerd dat een auto of motorfiets, waarvan het kenteken op naam van betrokkene stond, de busbrug de Binding is opgereden. Verder staat vast dat ter plaatse met een zogenoemd bord C1 (een wit, rond bord met rode rand) is aangegeven dat de busbrug tussen 07:00 uur en 09:00 uur, en tussen 16:00 uur en 18:00 uur, in beide richtingen gesloten is voor voertuigen, uitgezonderd lijndiensten (m.n. stadsbussen). Auto’s of motorfietsen mogen op die tijdstippen dus niet over de busbrug de Binding rijden. Nu de auto of motorfiets van betrokkene de brug is opgereden op een tijdstip waarop de geslotenverklaring gold, is in strijd gehandeld met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Volgens dat artikel zijn weggebruikers namelijk verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Vaststelling tijdstip gedraging

De gedraging als hier aan de orde wordt geregistreerd door camera’s die op busbrug de Binding zijn geplaatst. Uit een door de officier van justitie op de zitting genoemd aanvullend proces-verbaal van 18 december 2012 volgt dat de tijd van die camera’s via www.time. windows.com is gesynchroniseerd met de zogenoemde atoomtijdserver in Frankfurt, Duitsland. De kantonrechter ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de tijdregistratie door de camera’s. De enkele stelling van betrokkene dat een (recent) ijkingsrapport ontbreekt, is daarvoor niet genoeg. Betrokkene heeft ook geen gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de tijdregistratie onjuist zou zijn.

Voor zover als verweer is aangevoerd dat betrokkene bij het oprijden van de busbrug is afgegaan op de tijd van een eigen horloge, klok of de radio, kan dat verweer dus niet slagen. Aan de geijkte tijd van de camera’s komt immers meer waarde toe dan aan de tijd van een eigen horloge, klok of de radio.

Correctie tijdregistratie

De kantonrechter ziet geen reden om te oordelen dat op de door de camera’s geregistreerde tijd een correctie moet worden toegepast, vergelijkbaar met de correctie bij de vaststelling van snelheidsovertredingen. Een snelheidsovertreding is namelijk van een geheel andere aard dan de overtreding als hier aan de orde. In de wet of rechtspraak is ook niet neergelegd dat een dergelijke correctie moet plaatsvinden bij een tijdregistratie in een zaak als deze.

Overigens wordt in eerdergenoemd proces-verbaal van 18 december 2012 toegelicht dat een ‘pardontijd’ wordt aangehouden van twee minuten. Dat betekent dat de camera’s alleen een overtreding registreren tussen 07:02 uur en 08:58 uur, en tussen 16:02 uur en 17:58 uur. Betrokkenen krijgen dus pas een sanctie als zij de busbrug de Binding oprijden ruim na het tijdstip waarop de geslotenverklaring geldt. Hetzelfde geldt voor het eindtijdstip. In die zin wordt er feitelijk al een correctie toegepast.

Bebording

Wat betreft de stelling dat de situatie ter plekke onduidelijk is en de borden niet goed zijn geplaatst of te zien, overweegt de kantonrechter dat het merendeel van de betrokkenen geen foto’s heeft overgelegd ter ondersteuning van die stelling. Gelet daarop is niet aannemelijk gemaakt dat de bebording onvoldoende zichtbaar is.

Voor zover door betrokkenen wel foto’s zijn overgelegd, blijkt daaruit naar het oordeel van de kantonrechter dat de borden voor iedere weggebruiker goed zichtbaar zijn. Overigens is de kantonrechter ook ambtshalve bekend met de situatie ter plaatse en heeft hij ook op basis daarvan kunnen vaststellen dat de bebording duidelijk is. Aan het begin van busbrug de Binding is aan beide kanten goed zichtbaar een bord C1 geplaatst, met een duidelijk leesbaar onderbord. Dit bord C1 wordt na ongeveer 100 meter herhaald. Ook is aan beide kanten een bord geplaatst dat erop wijst dat cameratoezicht plaatsvindt.

Het verweer van een aantal betrokkenen dat zij het bord C1 over het hoofd hebben gezien, slaagt niet. Het kan uiteraard gebeuren dat een weggebruiker een bord over het hoofd ziet, maar nu de borden in dit geval goed zichtbaar zijn, komt dit voor eigen rekening en risico van betrokkenen. Daarin is dan ook geen reden gelegen om te oordelen dat er geen sanctie mocht worden opgelegd of dat de sanctie gematigd moet worden.

Het voorgaande betekent ook dat niet van belang is of de matrixborden die ter plaatse aanwezig zijn, en waarop kan worden aangegeven of busbrug de Binding dicht of open is, al dan niet goed werken. Die matrixborden staan daar slechts ter informatie en ontslaan de weggebruikers niet van hun verplichting om gevolg te geven aan bord C1. Hetzelfde geldt voor het ontbreken van een klok of een verkeerslicht ter plaatse.

Staandehouding

Uit artikel 5 WAHV volgt dat alleen een sanctie mag worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van de auto of de motorfiets staat, als “niet aanstonds is vastgesteld” wie de bestuurder van de auto was. Dat betekent dat er alleen een sanctie mag worden opgelegd aan de kentekenhouder, als er geen reële mogelijkheid bestond om de bestuurder van de auto of motorfiets staande te houden. Nu de overtreding in dit geval is vastgesteld met behulp van camera’s, was er geen mogelijkheid om de bestuurder staande te houden. De sanctie mocht dus worden opgelegd aan de kentekenhouder.

Buitengewoon opsporingsambtenaar

De sanctie is volgens de stukken opgelegd door een zogeheten buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna te noemen: boa). Uit een door de officier van justitie op de zitting genoemde en weergegeven brief van het college van procureurs-generaal van 12 april 2011 volgt dat boa’s bevoegd zijn een sanctie op te leggen in verband met – onder andere – de handhaving van de openbare orde. Volgens die brief valt daaronder ook het tegengaan van overlast door sluipverkeer en het verbeteren van de leefbaarheid door bepaalde gebieden af te sluiten voor auto’s. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het opleggen van een sanctie wegens het oprijden van busbrug de Binding worden aangemerkt als het handhaven van de openbare orde. Die handhaving is immers (mede) gericht op het tegengaan van overlast door sluipverkeer en het verbeteren van de leefbaarheid door bepaalde gebieden af te sluiten voor auto’s. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de sanctie is opgelegd in het kader van de handhaving van de openbare orde, was de boa in dit geval daartoe bevoegd.

Feitcode

De stelling dat een onjuiste feitcode is gebruikt, gaat niet op. De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd luidt: “Handelen i.s.m. gesloten verklaring in beide richtingen weg(gedeelte) bestemd voor bep.cat.voertuigen (doelgroepstr.)”. De geslotenverklaring waar het hier om gaat, houdt ermee verband dat betrokkene een weg is opgereden die op het betreffende tijdstip alleen bestemd was voor gebruik door een aangewezen categorie voertuigen, te weten lijndiensten (m.n. stadsbussen). Daarbij hoort de feitcode R550b, zoals genoemd in de bijlage bij de WAHV, te weten een weg(gedeelte) gebruiken, bestemd voor aangewezen categorie(ën) voertuigen (doelgroepstroken). Deze feitcode is door de officier van justitie dus terecht gehanteerd, evenals het daarbij behorende boetebedrag. Hieruit volgt ook dat niet relevant is dat op busbrug de Binding geen specifieke busbaan is aangewezen, zoals door betrokkene is gesteld.

Voor zover is aangevoerd dat feitcode R550b hoort bij een overtreding waarin sprake is van het bord C2 (eenrichtingsverkeer), en niet is bedoeld voor een geval als hier aan de orde waarin sprake is van het bord C1 (geslotenverklaring), overweegt de kantonrechter het volgende. Bij een overtreding in geval van bord C1 kan ook feitcode R549c van toepassing zijn, te weten als bestuurder een weg gebruiken in strijd met bord C1. Bij die feitcode hoorde ten tijde van de gedraging een sanctiebedrag van € 220,00. Dat bedrag ligt (veel) hoger dan de sanctie van € 130,00 die aan betrokkene is opgelegd. Betrokkene is dus niet benadeeld door toepassing van feitcode R550b.

Cameraregistratie

Door een aantal betrokkenen is aangevoerd dat de camerabeelden niet mochten worden gebruikt voor het vaststellen van de gedraging, omdat de camera’s geplaatst zijn in strijd met artikel 151c van de Gemeentewet en omdat cameratoezicht niet vooraf is kenbaar gemaakt.

Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kunnen – kort gezegd – door de gemeente in het belang van de handhaving van de openbare orde vaste camera’s ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats worden geplaatst. Zoals hiervoor is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat de handhaving van de geslotenverklaring van busbrug de Binding (mede) is gericht op het tegengaan van overlast door sluipverkeer en het verbeteren van de leefbaarheid. Daarmee is dus (ook) sprake van handhaving van de openbare orde. Verder is hiervoor al overwogen dat aan beide kanten van busbrug de Binding een bord is geplaatst dat cameratoezicht plaatsvindt, zodat het cameratoezicht ook kenbaar is gemaakt. De gemeente was dan ook bevoegd tot plaatsing van de camera’s en de camerabeelden mochten worden gebruikt voor vaststelling van de gedraging.

Voor zover is aangevoerd dat het besluit tot plaatsing van de camera’s is genomen door burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, terwijl alleen de burgemeester daartoe bevoegd is, overweegt de kantonrechter dat een dergelijk formeel gebrek – voor zover daarvan al sprake is – niet betekent dat de camerabeelden buiten beschouwing moeten blijven in deze zaak. Dit eventuele formele gebrek is niet van dien aard dat de plaatsing van de camera’s zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van de camera’s ontoelaatbaar moet worden geacht.

Krantenartikel in het Noord-Hollands Dagblad

Betrokkene heeft verder nog verwezen naar een krantenartikel in het Noord-Hollands Dagblad van 1 maart 2013, waarin melding wordt gemaakt van een eerdere uitspraak van de kantonrechter van deze rechtbank over busbrug De Binding. In dat krantenartikel wordt een persoon geciteerd die stelt dat de rechtbank in die uitspraak heeft geoordeeld dat een verbalisant van de gemeente niet mag bekeuren voor overtredingen aan de hand van camerabeelden en dat automobilisten direct moeten worden staande gehouden. Zoals de kantonrechter op de zitting al heeft opgemerkt, is er door deze rechtbank geen uitspraak gedaan met de inhoud en strekking zoals genoemd in het artikel in het Noord-Hollands Dagblad. De verwijzing naar die eerdere uitspraak treft dan ook geen doel.

Voor zover betrokkene aanvoert dat hij aan het artikel in het Noord-Hollands Dagblad het vertrouwen mocht ontlenen dat er geen boete (meer) zou worden opgelegd, kan hij daarin niet worden gevolgd. De officier van justitie is immers niet verantwoordelijk voor de betreffende berichtgeving en is daaraan ook niet gebonden.

Conclusie

De conclusie is dat de sanctie terecht is opgelegd.

Matiging

De kantonrechter stelt vast dat aan betrokkene meerdere sancties zijn opgelegd voor het oprijden van busbrug de Binding. Op zichzelf moeten deze gedragingen worden aangemerkt als aparte en te onderscheiden overtredingen van de geslotenverklaring, waarvoor ook telkens een sanctie kon worden opgelegd. De gedragingen hebben immers plaatsgevonden op verschillende tijdstippen.

Op de zitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat in gevallen waarin een groot aantal sancties is opgelegd, matiging moet plaatsvinden. De officier van justitie is van mening dat een opeenstapeling van sancties leidt tot een onevenredig hoog totaal bedrag aan sancties. Volgens de officier van justitie kan matiging worden toegepast door de eerste sanctie in stand te laten, en vervolgens de tweede en iedere daarop volgende sanctie te matigen tot 50%.

De kantonrechter kan de officier van justitie volgen in het standpunt dat een opeenstapeling van sancties leidt tot een onevenredig hoog totaal bedrag aan sancties, en dat gelet daarop matiging van de sancties moet plaatsvinden. Ook kan de kantonrechter zich vinden in een toepassing van matiging zoals door de officier van justitie voorgesteld, te weten dat de eerste sanctie in stand wordt gelaten, en dat vervolgens de tweede en iedere daarop volgende sanctie wordt gematigd tot 50% van het sanctiebedrag.

Echter, anders dan de officier van justitie, ziet de kantonrechter geen reden om die matiging alleen toe te passen bij een groot aantal sancties, en niet toe te passen in gevallen waarin slechts twee of drie sancties zijn opgelegd. Voor het onderscheid dat de officier van justitie kennelijk maakt tussen gevallen waarin twee tot drie, dan wel bijvoorbeeld tien of meer sancties zijn opgelegd, ziet de kantonrechter onvoldoende rechtvaardiging. Ook twee of drie sancties leveren immers een relatief hoog totaalbedrag aan sancties op. Bovendien heeft de officier van justitie niet aangegeven waar de grens dan ligt en of bij bijvoorbeeld vier of vijf sancties wel matiging zou moeten plaatsvinden. De kantonrechter heeft ook geen aanknopingspunten om daarvoor een deugdelijke maatstaf te ontwikkelen. Gelet daarop en ter voorkoming van willekeur en een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling, zal de kantonrechter daarom in alle gevallen waarin meer dan één sanctie is opgelegd een matiging toepassen, in die zin dat de eerste sanctie in stand wordt gelaten en dat vervolgens de tweede en iedere daarop volgende sanctie wordt gematigd tot 50% van het sanctiebedrag. De administratiekosten blijven in stand.

Gezien het voorgaande zal het beroep in deze zaak gedeeltelijk gegrond worden verklaard.

De beslissing

De kantonrechter:

 verklaart het beroep (gedeeltelijk) gegrond en wijzigt de beslissing van de officier van justitie, in die zin dat de sanctie wordt gematigd tot 50% van het sanctiebedrag, te weten € 65,00, met handhaving van de administratiekosten;

 bepaalt dat het restant van het bedrag dat door betrokkene tot zekerheid is gesteld, door de officier van justitie aan betrokkene wordt terugbetaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 14 WAHV hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift dient ingezonden te worden bij deze sectie van de rechtbank (Postbus 1165, 1500 AD Zaandam). De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.

Datum toezending: