Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:9731

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
C-15-213379 - HA ZA 14-197 I
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Bevoegdheid ex artikel 5 sub 1 en 3 EEX-verordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/213379 / HA ZA 14-197

Vonnis in incident van 13 augustus 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEN BOER ECONORM B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. drs. M. Bitter,

tegen

de vennootschap naar Frans recht

AXÉRIA PRÉVOYANCE S.A.,

gevestigd te Lyon, Frankrijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. E.H.M. Bieleveld.

Partijen zullen hierna Den Boer en Axéria genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte overlegging productie tevens vermindering van eis

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke aanvulling grondslag van de eis en van de grondslag van de rechterlijke bevoegdheid, tevens houdende producties

  • -

    de akte uitlating producties in incident van Axéria

  • -

    een B16 formulier van Den Boer van 16 juli 2014, waarin Den Boer bezwaar maakt tegen de akte uitlating producties in incident van Axéria

- een B16 formulier van Axéria, waarin Axéria reageert op het bezwaar van Den Boer

- een brief van 23 juli 2014 van Den Boer met een B16 formulier, waarin Den Boer verzoekt om op de akte uitlating producties in incident van Axéria te reageren.

1.2.

De rolrechter heeft partijen op 22 juli 2014 telefonisch laten weten dat de akte uitlating producties in incident van Axéria wordt geaccepteerd. Den Boer heeft bij incidentele conclusie van antwoord de grondslag van de vordering in de hoofdzaak aangevuld. De rechter heeft bepaald dat Axéria in het kader van hoor en wederhoor terecht van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt door hierop te reageren.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Axéria vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Den Boer voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2.

Voorop gesteld moet worden dat, gelet op de vestigingsplaats van Axéria in Frankrijk, de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Verordening) van toepassing is. Ingevolge artikel 5, aanhef en sub 1 van de EEX-Verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat voor het gerecht worden opgeroepen ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, en wel voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

2.3.

De door Den Boer ingestelde vordering strekt tot schadevergoeding op grond van een overeenkomst die zij zou hebben gesloten met Axéria, dan wel op grond van onrechtmatig afgebroken precontractuele onderhandelingen.

2.4.

Axéria vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van Den Boer kennis te nemen. Axéria betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en volgens Axéria kan de rechtsmacht voor de Nederlandse rechter en daarmee deze rechtbank daarom niet worden gebaseerd op artikel 5 lid 1 sub b van de EEX-Verordening. Axéria voert met betrekking tot het ontbreken van een overeenkomst – kort samengevat – aan dat de personen die namens Axéria gesprekken hebben gevoerd met Den Boer over de Aeden Zorgconsulent, geen van allen vertegenwoordigingsbevoegd waren. Indien al zou komen vast te staan dat er sluitende afspraken tussen hen en Den Boer zijn gemaakt – hetgeen wordt betwist – dan zouden zij Axéria niet rechtsgeldig kunnen binden. Voorts voert Axéria aan dat de gesprekken tussen Axéria en Den Boer niet hebben geresulteerd in enige overeenkomst en indien het al zo zou zijn dat tussen partijen overeenstemming zou zijn bereikt over de samenwerkingsovereenkomst, dan hoeft Axéria deze afspraken niet tegen zich te laten gelden omdat zij onbevoegd vertegenwoordigd werd en omdat Den Boer hiermee vanaf het begin bekend was. Den Boer heeft er dus niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat Axéria wel rechtsgeldig vertegenwoordigd werd tijdens de gesprekken met Den Boer. Op grond van artikel 2 van de EEX-Verordening (de hoofdregel) is alleen de Franse rechter bevoegd om van de vordering van Den Boer kennis te nemen. Deze rechtbank moet zich volgens Axéria daarom ten aanzien van de vordering uit overeenkomst onbevoegd verklaren.

2.5.

Den Boer stelt dat tussen partijen wel degelijk een overeenkomst tot stand is gekomen en dat deze rechtbank derhalve op grond van artikel 5 lid 1 sub b van de Verordening bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Zij voert hiertoe aan dat alleen indien het bestaan van de gestelde overeenkomst op grond van een summier onderzoek onaannemelijk wordt bevonden, de nationale rechter zijn bevoegdheid niet kan ontlenen aan artikel 5 van de EEX-Verordening. In dit geval blijkt volgens Den Boer uit de stukken van het dossier dat sprake is van een overeenkomst tussen partijen. Partijen hebben met elkaar samengewerkt in contractuele zin. Partijen hebben een ‘non disclosure agreement’ getekend. Voorts hebben partijen de niet door hen getekende ‘Collaboration Agreement’ in ieder geval op onderdelen nageleefd. Partijen hebben samengewerkt en kosten gemaakt. Axéria heeft het aan Den Boer te betalen bedrag van € 180.000,--, dat mede gericht was op vergoeding van kosten, geaccordeerd. Daarnaast voert Den Boer nog aan dat de rechtbank ook bevoegd is op grond van artikel 12 van de Collaboration Agreement. In dit artikel is een forumkeuze gemaakt voor een rechtbank in Haarlem.

2.6.

Uit artikel 23 EEX-Verordening volgt dat de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht bij schriftelijke overeenkomst moet worden gesloten. Nu partijen de Collaboration Agreement niet hebben getekend, kan de rechtbank haar bevoegdheid niet ontlenen aan deze overeenkomst. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 5 lid 1 sub b van de EEX-Verordening.

Indien, zoals in dit geval, het bestaan van de overeenkomst waaruit de verbintenis tot schadevergoeding voortvloeit wordt betwist, brengt deze enkele betwisting op zichzelf niet mee dat de rechtbank haar bevoegdheid niet kan ontlenen aan artikel 5 lid 1 van de EEX-Verordening. De rechtbank kan in het kader van het toetsen van haar bevoegdheid het bestaan van de aan de overeenkomst zelf ten grondslag liggende elementen beoordelen (arrest Effer/Kantner, HvJ 4 maart 1982, NJ 1983, 508). Voor de toepassing van artikel 5 lid 1 sub b EEX is derhalve niet beslissend of gedaagde het bestaan van de aan de eis ten grondslag gelegde contractuele verplichting betwist. Als dit anders zou zijn, zou gedaagde slechts hoeven beweren dat er geen overeenkomst is aangegaan om zo de regeling van artikel 5 sub 1 te ontgaan (zie ook de conclusie van de AG bij het arrest Spectra/Ziegler, HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9604). Gelet op dit arrest is slechts een summier onderzoek naar het bestaan van de gestelde overeenkomst geboden.

2.7.

Het begrip ‘verbintenis uit overeenkomst' dient verdragsautonoom te worden uitgelegd. Blijkens jurisprudentie van het Hof van Justitie is er sprake van een verbintenis uit overeenkomst indien een partij jegens een andere partij vrijwillig een verbintenis is aangegaan. Voorts wordt het begrip ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de EG jurisprudentie niet eng uitgelegd.

2.8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Den Boer voldoende gesteld om er voorshands, in het kader van de beoordeling van de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, vanuit te gaan dat tussen haar en Axéria een contractuele relatie heeft bestaan. Uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid dat partijen in 2011 in ieder geval voornemens waren om een schriftelijke overeenkomst aan te gaan. Partijen hebben op 21 november 2011 een ‘non disclosure agreement’ (overeenkomst tot geheimhouding) getekend. Vanaf september 2011 tot en met februari 2013 hebben partijen samengewerkt om het product ‘Uitvaartconsulent’ dan wel ‘Aeden Zorgconsulent’ in Nederland in de markt te zetten. Voorts blijkt uit de stukken dat er in ieder geval onderhandeld werd over een door Axéria te betalen vergoeding aan Den Boer en over de wijze waarop deze vergoeding zou worden voldaan. Axéria heeft toestemming gegeven om haar logo te gebruiken op brochures. Er zijn ook daadwerkelijk brochures ontworpen en uitgegeven waarop de logo’s van beide partijen staan vermeld. De hiervoor genoemde overgelegde stukken maken voorshands en in het hiervoor omschreven kader voldoende aannemelijk dat de relatie tussen Den Boer en Axéria kan worden getypeerd als een contractuele relatie tot het verrichten van diensten.

2.9.

Bij de bepaling van de bevoegdheid ingevolge artikel 5 sub 1 EEX dient de rechtbank aan de hand van het volgens het internationaal privaatrecht op de overeenkomst toepasselijke recht te onderzoeken waar de verbintenis uit overeenkomst die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ten aanzien van de ‘verbintenis uit overeenkomst’ als bedoeld in artikel 5 sub 1 EEX behoren niet alleen de verplichtingen die rechtstreeks uit de overeenkomst voortvloeien, maar ook de verplichtingen die in de plaats treden van de niet-nagekomen contractuele verplichtingen, zoals de verplichting tot schadevergoeding. In dit geval is de vordering gebaseerd op een vervangende verplichting. Derhalve is niet de plaats van uitvoering van de vervangende verplichting, maar de plaats van uitvoering van de contractuele verplichting waarvan de niet-nakoming wordt aangevoerd ter rechtvaardiging van de vervangende verplichting beslissend voor de bevoegdheid van artikel 5 sub 1 EEX (zie De Bloos/Bouyer, HvJ 6 oktober 1976, zk 14/76)

De vraag is derhalve of de gestelde overeenkomst in Nederland werd uitgevoerd. Nu de gestelde overeenkomst betrekking heeft op een verzekeringsproduct dat in Nederland op de markt moest worden gebracht, is voldaan aan het vereiste van artikel 5 sub 1 onder b EEX dat de diensten hoofdzakelijk in Nederland werden verricht. Gelet op het voorgaande is de Nederlandse rechter en daarmee deze rechtbank bevoegd om van de primaire vordering kennis te nemen.

2.10.

Ten aanzien van het subsidiair gevorderde – de vordering die gebaseerd is op het onrechtmatig afbreken van precontractuele onderhandelingen – geldt dat de rechtbank opnieuw dient te bezien of zij bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen. Voor zover de rechtbank op grond van artikel 5 sub 1 EEX bevoegd is om kennis te nemen van de onderdelen van de vordering die zijn gebaseerd op de gestelde overeenkomst, is zij niet op die grond ook bevoegd om kennis te nemen van de onderdelen van de vordering die een andere grondslag hebben dan de overeenkomst. Dit laat onverlet dat ingeval een rechtbank ten aanzien van een op onrechtmatige daad gebaseerd onderdeel van de vordering zijn bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 5 sub 3 EEX, de rechtbank zich bevoegd kan achten om kennis te nemen van zowel het onderdeel van de vordering dat op de overeenkomst is gebaseerd als van het onderdeel van de vordering dat op onrechtmatige daad is gebaseerd (zie het eerder genoemde arrest Spectra/Ziegler).

2.11.

Een vordering tot schadevergoeding wegens het afbreken van onderhandelingen moet in beginsel worden gekwalificeerd als een vordering uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5 lid 3 EEX, behalve als de vordering berust op een door een partij jegens een andere partij aangegane vrijwillige verbintenis. (arrest Tacconi/HWS HvJ 17 september 2002, NJ 2003/46). Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien bij de onderhandelingen vrijwillig een overeenkomst zou zijn aangegaan die een verplichting meebracht om verder te onderhandelen. Dan zou dit kunnen worden aangemerkt als een vordering uit overeenkomst in de zin van artikel 5 lid 1 EEX.

2.12.

In dit geval volgt niet uit de stukken dat partijen tijdens de onderhandelingen vrijwillig een dergelijke overeenkomst zijn aangegaan. Dit leidt ertoe dat de vordering uit hoofde van precontractuele aansprakelijkheid moet worden aangemerkt als een vordering uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5 sub 3 EEX. Derhalve is de rechter bevoegd van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. In het geval van afgebroken onderhandelingen moet de schade worden geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de onderhandelingen zijn afgebroken.

2.13.

Volgens Axéria heeft [A] op donderdag 31 januari 2013 vanuit Lyon telefonisch contact gehad met [B] van Den Boer, waarin hij hem mededeelde dat de gesprekken met Axéria niet meer konden worden voortgezet. Na dit telefoongesprek is [A] naar Heemstede gereisd en zij hebben hier vrijdag 1 februari 2013 nader over gesproken. Den Boer betwist dat [A] al op 31 januari 2013 heeft medegedeeld dat de gesprekken tussen partijen zouden worden beëindigd. Den Boer stelt dat [A] dit pas op 1 februari 2013 heeft verteld, op het kantoor van Den Boer in Heemstede.

2.14.

In de e-mail (E34) die [A] op maandag 4 februari 2013 aan collega’s heeft gestuurd schrijft hij dat hij het management van Aeden afgelopen vrijdag heeft geïnformeerd over de genomen beslissingen tijdens de vergadering in Lyon op donderdag 31 januari 2013. Gelet op de inhoud van deze e-mail gaat de rechtbank er voorshands vanuit dat [A] de mededeling aan Vermey dat de onderhandelingen werden stopgezet op vrijdag 1 februari 2013 in Heemstede heeft gedaan. De rechtbank acht zich daarom eveneens bevoegd om van de subsidiaire vordering kennis te nemen.

2.15.

De incidentele vordering zal worden afgewezen. Axéria zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt Axéria in de kosten van het incident, aan de zijde van Den Boer tot op heden begroot op € 452,00,

3.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 september 2014 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2014.1

1 Conc.: 934