Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:972

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-01-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
2617931
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

ktr. ontslag op staande voet. Voorlopige voorziening. Het ontslag op staande voet voldoet niet aan de formele vereisten. Werkgever veroordeeld tot wedertewerkstelling en doorbetaling salaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 2617931 \ VV EXPL 13-313

datum uitspraak: 10 januari 2014

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

[eiser]

te [adres]

eisende partij

hierna te noemen[eiser]

gemachtigde mr. J.M. Geerdes

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

te Beverwijk

gedaagde partij

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde mr. R.M. Westgeest-Otter

De procedure

[eiser] heeft [gedaagde] op 24 december 2013 gedagvaard. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 januari 2014, waarbij de gemachtigde van [gedaagde] zich heeft bediend van pleitnotities. Partijen hebben nog stukken in het geding gebracht. De griffier heeft aantekening gehouden wat partijen ter zitting verder hebben verklaard.

De feiten

  1. [eiser], geboren op 17 juni 1951, is op 13 september 1999 in dienst getreden bij [gedaagde].

  2. [eiser] verrichtte zijn werkzaamheden in de functie van heftruckchauffeur tegen een brutosalaris van € 2.346,00 per periode van vier weken.

  3. Op 1 november 2013 heeft een incident plaatsgevonden tussen [eiser] en een klant van [gedaagde].

  4. Bij brief van 4 november 2013 heeft [gedaagde] aan [eiser] bevestigd dat zij hem op 1 november 2013 op staande voet heeft ontslagen. In die brief schrijft [gedaagde] onder meer het volgende:

“De reden voor dit ontslag op staande voet is met u besproken. Kort samengevat komt het erop neer dat u meerdere malen Klanten, chauffeurs en medewerkers heeft bedreigd met verbaal en fysiek geweld. Ook na meerdere waarschuwingen zit er geen verbetering in uw gedragingen naar anderen toe, het voorval van d.d.

01-11-2011, heeft ons doen besluiten u op staande voet te ontslaan.

(…)

U heeft deze gedragingen erkend en hierover uw spijt betuigd. Gelet op de ernst van de gedragingen is er in onze ogen echter een onherstelbare vertrouwensbreuk ontstaan.

Elk van deze gedragingen op zich, maar zeker ook in onderlinge samenhang bezien, levert een dringende reden op in de zin van artikel 7:678 BW en heeft tot gevolg dat wij elk vertrouwen in u verloren hebben. Van ons kan niet langer gevergd worden het dienstverband met u nog langer te laten voortbestaan. Bij deze beslissing hebben wij uw persoonlijke omstandigheden meegewogen.

(…)”

[eiser] en daarna zijn gemachtigde hebben de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

De vordering

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal veroordelen:

  1. om binnen 24 uur na betekening van het vonnis [eiser] in staat te stellen zijn werkzaamheden op de normale en gebruikelijke wijze te hervatten met alle bevoegdheden en faciliteiten, die [eiser] krachtens de arbeidsovereenkomst placht te genieten, op straffe van een dwangsom van € 250,00 netto voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

  2. tot betaling aan [eiser] van het overgekomen salaris van € 2.346,00 bruto per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, vanaf 4 november 2013 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

  3. tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW jo 18c WMM over het sub b gevorderde;

  4. tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hierboven sub b en c genoemde bedragen, voor wat betreft de bedragen die opeisbaar zijn: vanaf 4 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en voor wat betreft de bedragen die nadien opeisbaar zijn geworden of zullen worden vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag van volledige voldoening;

  5. tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

[eiser] stelt daartoe het volgende.

Het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven. Het incident vond plaats op

1 november 2013. [eiser] is op 1 november 2013 niet gezegd dat hij op staande voet werd ontslagen.

Op 5 november 2013 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Pas in dat gesprek heeft [gedaagde] gezegd dat het incident ontslag op staande voet rechtvaardigde.

Subsidiair is [eiser] van oordeel dat hij weliswaar professioneler op het gedrag van de klant van [gedaagde] had moeten reageren en dat hij beter had kunnen weglopen, maar dat zijn gedrag niet van dien aard was dat dit als dringende reden kan worden aangemerkt.

Er is geen hoor en wederhoor toegepast.

Na afweging van de persoonlijke belangen van [eiser] bij behoud van zijn baan tegen de aard en de ernst van de gestelde dringende reden moet geconcludeerd worden dat het ontslag niet gerechtvaardigd is. Het ontslag opstaande voet is een te zwaar middel in de onderhavige situatie.

Het verweer

[gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

1.

Vooropgesteld wordt dat een voorlopige voorziening zoals gevraagd alleen kan worden toegewezen als in dit geding aan de hand van de thans bekende feiten en omstandigheden de verwachting gewettigd is dat in een eventueel tussen partijen nog te voeren bodemprocedure een soortgelijke vordering van [eiser] tot een toewijzing daarvan zal leiden. De kantonrechter is voorshands, op grond van de thans voorliggende gegevens, van oordeel dat dit deels het geval is.

2.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat de directeur van [gedaagde] het ontstaan van het incident en/of de aanleiding daartoe niet heeft kunnen waarnemen. Op het moment dat die directeur hoorde dat er iets aan de hand was, is hij naar buiten gegaan en heeft hij ingegrepen.

3.

Onvoldoende gebleken is of het voor [eiser] op 1 november 2013 glashelder was dat hij op staande voet was ontslagen. Hoewel dit voor [gedaagde] kennelijk wel vaststond, had zij zich er niettemin van moeten verwittigen of [eiser] op 1 november 2013 begreep dat hij op staande voet was ontslagen. [gedaagde] heeft dit echter niet (nader) onderzocht.

4.

[gedaagde] heeft pas op 5 november 2013 met [eiser] gesproken, terwijl de ontslagbrief al op 4 november 2013 was verzonden. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om [eiser] op 1 november 2013, maar in ieder geval voorafgaande aan die brief, te horen en hem aldus in de gelegenheid te stellen zijn visie op het incident te geven. Daar doet niet aan af dat de door [gedaagde] gestelde versie van het incident zou worden bevestigd door haar klant. Het is immers de plicht van [gedaagde] als werkgever om zelf onderzoek te verrichten naar de werkelijke gang van zaken rond het incident en dit met [eiser] te bespreken alvorens tot het ontslag op staande voet over te gaan.

5.

Het enkele feit dat [eiser] zich in het verleden (2010) betrokken zou zijn geweest bij een soortgelijk incident, rechtvaardigt niet een ontslag op staande voet zonder dat [eiser] in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

6.

Ook de door [gedaagde] gestelde schriftelijke waarschuwing uit 2011 kan geen gewicht in de schaal leggen. Gebleken is immers dat deze schriftelijke waarschuwing nimmer aan [eiser] is verzonden, terwijl [eiser] heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat het in die waarschuwing vermelde gesprek heeft plaatsgevonden.

7.

Op grond van het vorenstaande komt de kantonrechter tot het voorlopige oordeel dat het ontslag op staande voet niet aan de formele eisen voldoet doordat [eiser] niet voorafgaande aan het ontslag is gehoord.

8.

Dit voorlopige oordeel brengt met zich dat de gevorderde wedertewerkstelling in beginsel toewijsbaar is.

9.

Gebleken is echter dat [eiser] momenteel niet in staat is om zijn werkzaamheden te verrichten in verband met letsel aan een voet. Daarom zal dit deel van de vordering aldus worden toegewezen dat [gedaagde] [eiser] in de gelegenheid met stellen zijn werkzaamheden te verrichten zodra deze weer volledig zal zijn hersteld. De gevorderde dwangsom zal om die reden worden afgewezen.

10.

Ook bij toewijzing van het gevorderde loon zal rekening moeten worden gehouden met de huidige onmogelijkheid voor [eiser] om zijn werkzaamheden te verrichten.

11.

De gevorderde wettelijke verhoging zal worden afgewezen. Gelet op het feit dat [eiser] ook zelf inziet dat hem voor zijn gedrag wel enig verwijt valt te maken, is immers de verwachting gewettigd dat deze wettelijke verhoging in de bodemprocedure zal worden gematigd.

12.

De gevorderde wettelijke rente is als steunend op de wet wel voor toewijzing vatbaar.

13.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover door [eiser] daadwerkelijk nakosten worden gemaakt. 

Beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] bij wijze van voorlopige voorziening:

  • -

    om [eiser] in staat te stellen zijn werkzaamheden op de normale en gebruikelijke wijze te hervatten met alle bevoegdheden en faciliteiten, die [eiser] krachtens de arbeidsovereenkomst placht te genieten zodra [eiser] volledig zal zijn hersteld;

  • -

    om aan [eiser] diens salaris te betalen waarop hij op grond van de arbeidsovereenkomst en/of toepasselijke CAO recht heeft vanaf 4 november 2013 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd te vermeerderen met de wettelijke rente voor wat betreft de bedragen die opeisbaar zijn vanaf 4 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en voor wat betreft de bedragen die nadien opeisbaar zijn geworden of zullen worden vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag van volledige voldoening.

Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op de volgende bedragen:

dagvaarding €  76,71

griffierecht € 213,00

salaris gemachtigde € 400,00

en veroordeelt [gedaagde] voorts tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover door [eiser] daadwerkelijk nakosten worden gemaakt. 

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Weigert de meer of anders gevorderde voorlopige voorzieningen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde uitspraakdatum.