Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:9443

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-09-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
C/14/151023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek tussentijdse beëindiging schuldsanering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK nOORD-HOLLAND Afwijzing verzoek tussentijdse beëindiging schuldsanering

Afdeling Privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

insolventienummer: [insolventie nummer]

nummer verklaring: [nummer verklaring]

uitspraakdatum: 18 september 2014

Bij vonnis van deze kamer van 27 februari 2014 is de toepassing van de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenaar], geboren op 20-09-1967 te Oudendijk, voorheen handelend onder de naam [naam bedrijf], wonende [adres], [plaats],

gemachtigde: mr. M.B. Meindersma

hierna te noemen: de schuldenaar.

1 De procedure

1.1. [

[schuldeiser] (hierna: de schuldeiser) heeft op 5 juni 2014 verzocht om de toepassing

van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

1.2.

Ter terechtzitting van 11 september 2014 zijn gehoord de schuldeiser, bijgestaan

door haar advocaat mr. M. van Espen, de schuldenaar bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd en de bewindvoerder, mevrouw E. Flock.

1.3.

Tot slot is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Schuldenaar en de schuldeiser zijn gehuwd geweest. Op 22 juli 2010 is de echtscheiding uitgesproken. Uit het huwelijk tussen schuldenaar en schuldeiser is de minderjarige [naam kind] geboren.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2010 is bepaald dat de schuldenaar als bijdrage in de kosten van voornoemde minderjarige een bedrag van € 590,-- per maand dient te voldoen.

2.3.

Het verzoek van de schuldenaar tot verlaging van de bijdrage in de kosten van zijn zoon is tot tweemaal toe afgewezen. De schuldenaar had destijds om verlaging van de alimentatieplicht verzocht, omdat hij weinig werkzaamheden en inkomsten had. Bij beschikking van 18 januari 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat er sprake is van een door de schuldenaar zelf teweeggebracht inkomensverlies dat voor herstel vatbaar is. Bij beschikking van 6 november 2013 is het tweede verzoek van de schuldenaar afgewezen. De rechtbank heeft destijds geoordeeld dat de schuldenaar onvoldoende (met stukken) heeft onderbouwd dat de situatie anders is. Schuldenaar heeft naar voren gebracht dat hij via een uitzendbureau als timmerman werkt. Uit de stukken is gebleken dat de eenmanszaak van de schuldenaar “[naam bedrijf]” is voortgezet door zijn huidige partner mevrouw [naam partner] onder de naam “[naam bedrijf]”. De schuldenaar heeft volgens de rechtbank onvoldoende openheid van zaken gegeven. Derhalve is zijn tweede verzoek tot verlaging van de bijdrage ten behoeve van zijn zoon afgewezen.

2.4.

Schuldenaar heeft na de scheiding niet geheel kunnen voldoen aan de alimentatieverplichting, derhalve heeft de schuldenaar een schuld aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) ter hoogte van € 42.850,05. Voorts heeft de schuldeiser nog een vordering op de schuldenaar ter hoogte van

€ 2.081,35 in het kader van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Als grondslag voor de beëindiging is aangevoerd dat er sprake is van feiten en omstandigheden die, indien zij bekend waren geweest ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling, geleid zouden hebben tot een afwijzing van het verzoek.

3.2.

Ter onderbouwing van de grondslag voor de beëindiging voert de schuldeiser aan dat de schuldenaar zijn bedrijfsvoering heeft beëindigd, terwijl daar geen economische reden voor was. De schuldenaar heeft gesteld dat het slecht ging met zijn bedrijf, omdat hij zich niet meer voor 100% inzette. Indien hij zich wel volledig zou inzetten, zou hij alles aan zijn ex partner oftewel de schuldeiser moeten afdragen. De rechtbank heeft in de beschikking tot echtscheiding bij de alimentatievaststelling geen rekening gehouden met de bedrijfsbeëindiging en de alimentatie vastgesteld op basis van het inkomen dat de schuldenaar geacht kon worden te verwerven. Uit de beschikking van de rechtbank blijkt dat de schuldenaar zijn bedrijf heeft opgeheven. Vervolgens is de huidige partner van de schuldenaar onder een soortgelijke naam verder gegaan met het bedrijf. De rechtbank was van oordeel dat het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar was. Bij de tweede beschikking tot verlaging van de alimentatieplicht is vastgelegd dat de schuldenaar wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn werkzaamheden en geen openheid van zaken heeft gegeven aangaande zijn financiële situatie. Vervolgens heeft de schuldenaar loonbeslag proberen te voorkomen door in loondienst te gaan bij het bedrijf van zijn huidige partner op basis van een salaris conform het minimumloon. Toen beslaglegging wel mogelijk bleek, is de schuldenaar via een uitzendbureau gaan werken. De schuldenaar heeft er alles aan gedaan om zijn verplichten ten aanzien van de alimentatie niet na te komen. Hierdoor is een aanzienlijke schuld aan de schuldeiser ontstaan, aldus de schuldeiser.

3.3.

Schuldenaar voert aan dat de alimentatieschuld ter hoogte van € 42.850,05 aan het LBIO, oftewel de schuldeiser, ten tijde van de toelating de schuldsaneringsregeling bekend was. Uit het huwelijk zijn veel schulden ontstaan. Schuldenaar had niet genoeg inkomsten om maandelijks het gehele maandbedrag aan alimentatie te voldoen, derhalve moest hij een keuze maken. Zoals uit productie 1 van het verzoekschrift van mr. Van Espen blijkt, heeft de schuldenaar ook na 2010 gedeeltelijk voldaan aan zijn alimentatieverplichting. Hij heeft niet moedwillig een alimentatieschuld laten ontstaan. Voorts voert de schuldenaar aan dat hij nimmer heeft gezegd dat hij zich nooit 100% zal inzetten. Er zijn uitlatingen aan elkaar gekoppeld, aldus de schuldenaar.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge de wet kan de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling onder meer beëindigen indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Faillissementswet (hierna: Fw.). De rechtbank kan de beëindiging als hiervoor uitspreken op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder, van de schuldenaar of van een of meer schuldeisers. Zij kan zulks ook ambtshalve doen.

4.2.

Artikel 288 lid 1 sub b Fw. bepaalt dat een verzoek tot toepassing van de schuldsanering slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

Artikel 288 lid 3 Fw. bepaalt dat het verzoek in afwijking van artikel 288 lid 1 sub b Fw. kan worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.

4.3.

Uit de toewijzing van het verzoek van de schuldenaar blijkt dat de rechtbank op basis van het verzoekschrift en hetgeen de schuldenaar tijdens de toelatingszitting heeft verklaard, geen aanleiding heeft gezien om aan te nemen dat de schuldenaar niet te goeder trouw was geweest bij het aangaan of onbetaald laten van zijn schulden. De bij het verzoekschrift gevoegde schuldenlijst vermeldt een totaalbedrag aan schulden van € 167.555,14, waaronder een alimentatieschuld aan het LBIO, oftewel de schuldeiser, van € 42.850,05. Schuldenaar heeft tijdens de toelatingszitting van 25 februari 2014 verklaard dat hij meermalen een verlaging van zijn alimentatieverplichting heeft gevraagd, maar dat dit is afgewezen. Het feit dat de rechtbank in de alimentatiezaak heeft geoordeeld dat hij door eigen toedoen geen verlaging voor zijn alimentatieverplichting heeft gekregen, heeft de schuldenaar in het kader van zijn toelating tot de WSNP nooit kenbaar gemaakt.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat daardoor aannemelijk is dat het ontstaan van de schuld, althans van een deel daarvan, is ontstaan doordat de schuldenaar niet te goeder trouw heeft gehandeld. Dit maakt niet dat het schuldsaneringsregelingsverzoek van de schuldenaar destijds afgewezen had moeten worden, aangezien in artikel 288 lid 3 Fw. is bepaald dat het verzoek in afwijking van artikel 288 lid 1 sub Fw. alsnog toegewezen kan worden. De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft de gang van zaken zoals die nu is gebleken geen aanleiding de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Zoals de bewindvoerder, mevrouw Flock, ter terechtzitting heeft toegelicht heeft de schuldenaar bij het eerste gesprek zijn schuldensituatie volledig aan haar uitgelegd, hij doet zijn uiterste best om aan het werk te gaan en openheid van zaken te geven. Daar voegt de rechtbank aan toe dat het verwijtbaar handelen van de schuldenaar reeds meerdere jaren geleden heeft plaatsgevonden en niet is gebleken dat hij daarna nog verwijtbaar jegens schuldeisers heeft gehandeld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om thans de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen. De rechtbank is van oordeel dat er inmiddels sprake is van een wending ten goede. Het verzoek van de schuldeiser tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar zal derhalve afgewezen worden.

5 De beslissing

De rechtbank:

- weigert de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Gewezen door mr. J.H. Gisolf en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.