Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:9413

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
2082731 CV EXPL 13-1631
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gedaagde is slachtoffer van ex-partner, die op naam van gedaagde en met vervalste handtekening krediet heeft afgesloten, en het geld naar haar eigen rekening heeft doorgesluisd. Gedaagde moet niettemin betaalde bedrag wegens onverschuldigde betaling aan bank terugbetalen, omdat gedaagde zelf zijn ex-partner volledige toegang heeft gegeven tot zijn bankrekening en gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 1, p. 48
NJF 2014/497

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 2082731 CV EXPL 13-1631

Uitspraakdatum: 16 juli 2014

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap JJ&G Finance B.V., gevestigd te Lunteren

eisende partij

verder te noemen: JJ&G

gemachtigde: GGN Amsterdam, te Amsterdam

tegen

[naam gedaagde], wonende te [plaats]

gedaagde partij

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M. Reevers, advocaat te Rotterdam.

Het procesverloop

1. JJ&G heeft bij dagvaarding van 24 mei 2013 een vordering ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. [gedaagde] heeft ook een incidentele conclusie houdende oproeping in vrijwaring genomen, waarop JJ&G heeft gereageerd en de kantonrechter bij vonnis van 10 februari 2014 heeft beslist. Na beraad heeft de kantonrechter bij vonnis van 24 maart 2014 een verschijning van partijen ter terechtzitting bevolen. Die zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014, waar voor JJ&G zijn verschenen [A] en [B], en waar ook [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. Reevers. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht, [gedaagde] aan de hand van schriftelijke aantekeningen. Met het oog op de zitting heeft JJ&G bij brief van 6 juni 2014 nog een akte en stukken overgelegd. Vervolgens is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

De feiten

2. In januari 2010 is op naam van [gedaagde] met Santander Consumer Finance Benelux B.V. (hierna: Santander) een kredietovereenkomst aangegaan, met een kredietlimiet van
€ 24.600,00. Onderaan de schriftelijke ‘Overeenkomst Doorlopend Geldkrediet’ staat een handtekening bij ‘Kredietnemer’.

3. Op 8 februari 2010 is door Santander in het kader van de kredietovereenkomst op een rekening ten name van [gedaagde] een bedrag gestort van € 23.367,00.

4. In 2011 is [gedaagde] door Santander aangemaand om een achterstand in de afbetalingen van het krediet te voldoen. In reactie daarop heeft de advocaat van [gedaagde] in een brief van 12 januari 2012 laten weten dat [gedaagde] het slachtoffer is geworden van fraude door zijn voormalige vriendin, mevrouw [naam] (hierna: [de ex-partner van gedaagde]), dat de kredietovereenkomst is aangegaan door [de ex-partner van gedaagde], en dat de handtekening op de overeenkomst niet van [gedaagde] is, maar is vervalst door [de ex-partner van gedaagde].

5. Bij brief van 10 oktober 2012 is namens JJ&G aan [gedaagde] meegedeeld dat JJ&G verkrijgster is geworden van een vordering van Santander op [gedaagde] ter hoogte van
€ 26.324,08, die voortvloeit uit de kredietovereenkomst.

6. In een schriftelijke verklaring van 30 september 2012 stelt [de ex-partner van gedaagde] dat zij zonder medeweten van [gedaagde] een krediet heeft afgesloten bij Santander en dat zij daarvoor de persoonsgegevens en handtekening van [gedaagde] heeft gebruikt.

Het geschil

7. JJ&G vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 27.607,66, te vermeerderen met de contractuele dan wel wettelijke rente. Daarbij stelt JJ&G – kort weergegeven – dat zij een vordering van Santander op [gedaagde] uit hoofde van eerdergenoemde kredietovereenkomst heeft overgenomen en dat [gedaagde] in het kader daarvan de opgenomen kredietsom moet terugbetalen. Voor zover nodig stelt JJ&G dat [gedaagde] het gevorderde bedrag moet terugbetaling wegens onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.

8. [gedaagde] voert als verweer – samengevat – dat niet is gebleken dat JJ&G de vordering van Santander heeft overgenomen, dat er geen sprake is van een kredietovereenkomst, en dat ook geen onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking heeft plaatsgevonden.

[gedaagde] wijst erop dat hij helemaal niet betrokken is geweest bij het aangaan van de kredietovereenkomst, dat hij is opgelicht door [de ex-partner van gedaagde] en dat [de ex-partner van gedaagde] de door Santander betaalde geldsom onmiddellijk heeft doorgesluisd naar haar eigen rekening. Verder stelt [gedaagde] dat Santander haar zorgplicht heeft geschonden rondom het aangaan van de kredietovereenkomst, doordat onvoldoende is nagegaan of [gedaagde] daadwerkelijk degene was die de overeenkomst sloot.

9. Bij de beoordeling wordt zo nodig nog nader op de standpunten van partijen ingegaan.

De beoordeling

10. Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] moeten worden veroordeeld tot betaling van € 27.607,66.

11. Het verweer van [gedaagde] dat niet is gebleken dat JJ&G de vordering van Santander heeft overgenomen, heeft geen succes. Uit de door JJ&G bij brief van 6 juni 2014 overgelegde akte van cessie en de daarbij behorende specificatie blijkt dat Santander een vordering van
€ 26.066,36 met nummer 303492763 heeft gecedeerd aan JJ&G. Dit bedrag is de hoofdsom van de vordering van JJ&G in deze zaak en genoemd nummer komt overeen met het contractnummer van de kredietovereenkomst. Daaruit volgt voldoende dat JJ&G de vordering van Santander heeft overgenomen.

12. De kantonrechter neemt gelet op de stukken als vaststaand aan dat de schriftelijke kredietovereenkomst niet is ondertekend door [gedaagde], maar dat de daarop geplaatste handtekening is vervalst door [de ex-partner van gedaagde]. Op de zitting is namens JJ&G ook erkend dat ervan moet worden uitgegaan dat [de ex-partner van gedaagde] fraude heeft gepleegd en dat zij met gebruikmaking van gegevens van [gedaagde] valselijk op zijn naam de kredietovereenkomst is aangegaan. Uit de stukken en de toelichting zijn de kantonrechter geen aanknopingspunten gebleken waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] betrokken is geweest bij het aangaan en sluiten van de kredietovereenkomst. Dit brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat sprake is (geweest) van een kredietovereenkomst tussen [gedaagde] en Santander. Voor zover de vordering daarop berust, kan deze dus niet worden toegewezen.

13. De stelling van JJ&G dat onverschuldigd is betaald aan [gedaagde] slaagt wel. Vast staat dat Santander op 8 februari 2010 op een rekening ten name van [gedaagde] een bedrag heeft gestort van € 23.367,00. Vast staat ook dat er geen sprake was van een kredietovereenkomst tussen Santander en [gedaagde]. Dat betekent dat Santander zonder rechtsgrond heeft betaald aan [gedaagde]. Een geldsom die zonder rechtsgrond is betaald, moet op grond van artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden terugbetaald. Dat het bedrag van
€ 23.367,00 kort na de storting op de rekening van [gedaagde] door [de ex-partner van gedaagde] is doorgesluisd naar haar eigen rekening, doet er niet aan af dat Santander onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagde]. De betaling is immers gedaan aan [gedaagde] en op zijn rekening, en de geldsom is ook in zijn macht gekomen. Dat [gedaagde] niet wist dat de geldsom aan hem was betaald, doet er daarom ook niet aan af dat onverschuldigd is betaald. Daarbij komt dat [gedaagde] op de zitting heeft aangegeven dat hij in de periode waar het hier om gaat nooit naar zijn bankrekening keek en dit overliet aan [de ex-partner van gedaagde]. Dat komt voor risico van [gedaagde].

Overigens leveren bovengenoemde omstandigheden ook een situatie op waarin sprake is van ongerechtvaardigde verrijking op als bedoeld in artikel 7:212 BW.

14. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat Santander haar zorgplicht heeft geschonden en dat Santander zich onvoldoende heeft vergewist van de identiteit van [gedaagde]. Er is geen rechtsregel die meebrengt dat een kredietovereenkomst in zijn algemeenheid alleen maar mag worden aangegaan indien er persoonlijk contact is geweest tussen een bank en de kredietnemer. Daarbij komt dat de kredietovereenkomst is aangegaan via een tussenpersoon – FPB Financieel Adviseurs B.V. – en dat Santander via deze tussenpersoon de beschikking heeft gekregen over een kredietaanvraagformulier, de ondertekende kredietovereenkomst, een kopie van het paspoort van [gedaagde] en drie salarisspecificaties van [gedaagde]. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat Santander onvoldoende heeft gedaan om de identiteit van [gedaagde] vast te stellen, en evenmin dat Santander enige zorgplicht zou hebben geschonden. De handtekening op het paspoort van [gedaagde] wijkt ook niet zodanig af van de handtekening op de kredietovereenkomst dat Santander op basis daarvan had kunnen of moeten weten dat de handtekening van [gedaagde] vervalst was.

15. Het is voor de kantonrechter duidelijk dat [gedaagde] slachtoffer is geworden van fraude door [de ex-partner van gedaagde]. Hoe vervelend dat ook is voor [gedaagde], dat betekent niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het aan hem betaalde bedrag. De kern van de zaak is dat [gedaagde] ervoor heeft gekozen om [de ex-partner van gedaagde] volledige toegang te geven tot zijn bankrekening en zijn gegevens, en dat hij [de ex-partner van gedaagde] ook de mogelijkheid heeft gegeven om van en naar zijn bankrekening betalingen te doen. Door dit te doen heeft [gedaagde], en niet Santander of JJ&G, het risico genomen dat [de ex-partner van gedaagde] daarvan ook misbruik zou kunnen maken. Dat risico komt in zijn verhouding tot Santander en JJ&G voor rekening van [gedaagde]. Van eigen schuld van Santander in de zin van artikel 6:101 BW is daarom ook geen sprake.

16. De conclusie is dat [gedaagde] het bedrag dat aan hem onverschuldigd is betaald, moet terugbetalen, te weten € 23.367,00. JJ&G heeft echter niet betwist de stelling van [gedaagde] in de conclusie van antwoord dat al € 3.690,00 aan Santander is terugbetaald, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Dat betekent dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van € 19.677,00. De gevorderde contractuele rente kan niet worden toegewezen, omdat er geen sprake is van een kredietovereenkomst. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 23 april 2013, zoals gevorderd, omdat [gedaagde] in ieder geval vanaf die datum in verzuim is gekomen.

17. Nu [gedaagde] overwegend ongelijk krijgt, zal worden bepaald dat hij de proceskosten van JJ&G moet betalen.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] om aan JJ&G tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € € 19.677,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2013 tot aan de dag van gehele voldoening.

Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van JJ&G, die tot heden voor JJ&G worden vastgesteld op een bedrag van € 1.590,79 (€ 94,79 aan dagvaardingskosten, € 896,00 aan griffierecht en € 600,00 voor salaris van de gemachtigde van JJ&G).

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 16 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter