Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:9377

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
C-14-144482 HA ZA 13-73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

geen stilzwijgende herbenoeming van bestuurders van een stichting administratiekantoor; besluiten van onbevoegd bestuur die strekken tot machtsgreep binnen familieconcern (o.a. ontslag van een van de bestuurders van dochtervennootschap en ontnemen benoemingsbevoegdheid certificaathouder door wijziging statuten stichting administratiekantoor) bijgevolg non existent

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0354
AR 2014/754
RN 2015/18
JONDR 2015/229

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht, sectie handel en insolventie, locatie Alkmaar

AJB/JR

zaaknummer / rolnummer: C/14/144482 / HA ZA 13-73

Vonnis van 3 september 2014

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te Winkel, gemeente Hollands Kroon,

2 [eiser 2],

wonende te Winkel, gemeente Hollands Kroon,

3 eiser 3],

wonende te Amsterdam,

4 [eiser 4],

wonende te Winkel, gemeente Hollands Kroon,

5 [eiser 5],

gevestigd te [plaats], gemeente [naam gemeente],

eisers bij dagvaarding van 7 maart 2013,

advocaat: mr. P.F. Keuchenius te Hoorn,

tegen:

1 [gedaagde 1],

statutair gevestigd te [plaats], gemeente [naam gemeente], kantoorhoudende te [plaats], gemeente [naam gemeente],

2 [gedaagde 2],

gevestigd te [plaats], gemeente [naam gemeente],

gedaagden,

advocaat: mr. J.G. Molenaar te Amsterdam.

Partijen zullen hierna als volgt worden genoemd:

 eisers tezamen: eisers;

 eiser sub 4: [eiser 4];

 eiser sub 5: [eiser 5];

 gedaagden tezamen: de holding c.s.;

 gedaagde sub 1: de holding;

 gedaagde sub 2: de stak.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding van 7 maart 2013;

 de conclusie van antwoord;

 het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 9 december 2013;

 het tussenvonnis van deze rechtbank van 15 mei 2013;

 de brief van 25 april 2014 met één productie van de zijde van de holding c.s.;

 de rolberichten van 28 en 29 april 2014 van de zijde van de holding c.s. met producties 10-11 respectievelijk 12-13;

 het proces-verbaal van de voortgezette comparitie, gehouden op 30 april 2014;

 de aantekeningen ter zitting van 30 april 2014 van de zijde van de holding c.s.;

 de aantekeningen ter zitting van 30 april 2014 van de zijde van eisers.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. De inhoud van voormelde stukken geldt als hier ingelast.

2 De feiten

2.1. [

eiser 2] geboren op 3 september 1925 (hierna: [eiser 2] senior) heeft het familiebedrijf [naam bedrijf], een transportonderneming (hierna: het [naam bedrijf] concern), opgericht.

2.2.

Eisers sub 1 tot en met 4 en [persoon 1] zijn de kinderen van senior en zijn vrouw.

2.3.

Het concern bestaat thans uit een aantal vennootschappen en een stichting administratiekantoor, afgekort de stak. De stak is eigenaar van alle aandelen in de Holding. Senior is enig certificaathouder van de stak. De Holding is enig aandeelhouder in de werkmaatschappij [naam winkel] Winkel, een onroerend goedvennootschap en een aantal andere vennootschappen.

2.4.

Op 22 juli 1976 is Holding opgericht. De statuten van diezelfde datum bepalen dat het bestuur van de holding bestaat uit één of meer directeuren, wier taak en bevoegdheden bestaan in het besturen van de vennootschap en haar vertegenwoordiging in en buiten rechte.

2.5.

Op 1 januari 1997 is [eiser 4] benoemd als bestuurder van de Holding. Op 20 maart 2001 is [persoon 1] benoemd als bestuurder van de Holding.

2.6.

Op 21 december 1998 is de stak opgericht. De statuten van diezelfde datum bepalen dat het bestuur van de stichting bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven bestuurders. De leden van het bestuur worden als volgt benoemd: bestuurder A door de certificaathouder van de stak, bestuurder B door de holding en bestuurder C, die voorzitter van het bestuur zal zijn, door bestuurders A en B. Eventuele overige bestuursleden zullen worden benoemd door het bestuur.

2.7.

Op 21 december 1998 is Dirk Beers benoemd als bestuurder B. Op 1 december 2000 is [persoon 1] benoemd als bestuurder A. Op diezelfde datum is [persoon 2] benoemd als bestuurder C.

2.8.

De statuten van de stak van 21 december 1998 vermelden, voor zover relevant:

(…)

Bestuur

Artikel 3

(…)

3. Alle bestuursleden worden benoemd voor een periode van maximaal vier jaar. Herbenoeming is onbeperkt mogelijk.

(…)

Vertegenwoordiging

Artikel 7

1. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting.

2. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan twee gezamenlijk handelende bestuursleden.

Einde bestuurslidmaatschap

Artikel 8

Het bestuurslidmaatschap van een bestuurslid eindigt:

(…)

d. door periodiek aftreden;

(…)

Statutenwijziging

Artikel 10

1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen.

(…)

2.9.

Op 16 mei 2012 zijn gewijzigde statuten van de stak opgesteld door notaris Meulenbeld te Diemen. Deze statuten vermelden, voor zover relevant:

(…)

Bestuur: samenstelling, wijze van benoemen en beloning

Artikel 4

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit:

a. één bestuurder indien de oprichter of diens echtgenoot bestuurder van de vennootschap [de holding, rechtbank] is (…)

b. drie bestuurders indien het sub a bepaalde niet van toepassing is.

2. De bestuurders worden benoemd en geschorst door het bestuur. (…)

(…)

4. De bestuurders worden benoemd voor onbepaalde tijd.

3 Het geschil

3.1. [

eisers c.s.] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat de besluiten van 8 maart 2012 van de algemene vergadering van aandeelhouders in de vennootschap Holding tot het ontslag van [eiser 4] als bestuurder; het besluit van 14 maart 2012 van Holding tot ontslag van [eiser 4] als bestuurder B in de stak; het besluit van 20 april 2012 tot benoeming van [persoon 3] als bestuurder in de stak; en het besluit van 14 mei 2012 tot wijziging van de statuten van de stak nietig zijn, althans voornoemde besluiten te vernietigen, met veroordeling van de holding c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2.

De holding c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisers verzetten zich tegen een reeks van vier besluiten van de stak en de holding die zien op achtereenvolgens ontslag van [eiser 4] als bestuurder van de holding, ontslag van [eiser 4] als bestuurder van de stak, benoeming van [persoon 3] als bestuurder van de stak en een statutenwijziging van de stak. De rechtbank zal deze besluiten hierna bespreken.

besluit van 8 maart 2012

4.2.

Op 8 maart 2012 heeft, zo stellen eisers, de aandeelhoudersvergadering van de holding [eiser 4] ontslagen als bestuurder van de holding. Volgens eisers is dit besluit tot ontslag nietig. Eisers onderbouwen dit als volgt. De besluitvorming was ongeldig. Het besluit kon alleen door de stak als enig aandeelhouder in de holding worden genomen. De stak is op de algemene vergadering van aandeelhouders niet rechtsgeldig vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 2]. Zij waren op dat moment immers geen bestuurder meer van de stak. Hun termijn als bestuurder was toen al afgelopen: [pesoon 1] is gedefungeerd per 20 maart 2005 en [persoon 2] per 1 december 2004. Geen van beiden is herbenoemd. De holding c.s. heeft deze stellingen gemotiveerd betwist en onder meer aangevoerd dat [persoon 2] en [persoon 1] het besluit hebben genomen als twee gezamenlijk handelende bestuursleden (artikel 7 lid 2 van de statuten van de stak die toen golden, overgelegd als productie 4 bij dagvaarding; zie voor het relevante deel onder 2.8 van dit vonnis). De rechtbank zal de stellingen en verweren van partijen, voor zover relevant, hierna bespreken.

stilzwijgende herbenoeming?

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat op 1 december 2004 en 20 maart 2005, of later, geen herbenoeming van [persoon 2] en [persoon 1] heeft plaatsgevonden op de wijze zoals voorzien in de statuten van de stak die als productie 4 bij dagvaarding zijn overgelegd. Partijen gaan er allebei van uit dat deze statuten hiervoor bepalend zijn. De rechtbank zal deze statuten daarom ook verder als uitgangspunt nemen.

4.4.

De holding c.s. stelt zich op het standpunt dat, uitgaande van een contractuele relatie tussen een stichting en zijn bestuurders, de benoemingen van [persoon 1] en [persoon 2] stilzwijgend zijn verlengd als gevolg van het feit dat [persoon 2] en [persoon 1] zich jarenlang hebben gedragen als bestuurders en eisers zich daar niet tegen hebben verzet, in het verlengde waarvan [persoon 2] en [persoon 1] erop mochten vertrouwen dat ze herbenoemd waren. Volgens eisers is stilzwijgende herbenoeming van [persoon 2] en [persoon 1] niet mogelijk omdat de statuten zich daartegen verzetten en omdat van gerechtvaardigd vertrouwen ook al geen sprake kan zijn.

4.5.

De rechtbank neemt bij de beoordeling van dit verweer het volgende in aanmerking. De statuten van de stak bevatten specifieke regels en voorwaarden die de totstandkoming van het besluit tot (her)benoeming van bestuurders regelen. Artikel 3 lid 3 van de statuten van de stak vermeldt dat alle bestuurders benoemd worden voor een periode van maximaal vier jaar. De duur van de benoeming is dus gemaximeerd. Artikel 8 lid d vermeldt bovendien dat het bestuurslidmaatschap van een bestuurslid eindigt door periodiek aftreden. De rechtbank begrijpt dat hiermee bedoeld wordt dat het bestuurslidmaatschap na voormelde vier jaar van rechtswege eindigt.

4.6.

Artikel 3 lid 2 bepaalt dat elk bestuurslid wordt benoemd door een ander orgaan: bestuurder A ([persoon1]) door de certificaathouder, bestuurder B ([eiser 4]) door de holding en bestuurder C ([persoon 2]) door bestuurders A en B tezamen, en bij ontstentenis van overeenstemming tussen A en B desgewenst door de kantonrechter. De bevoegdheid voor benoeming is daarmee, naar de rechtbank begrijpt uit oogpunt van evenwichtig bestuur, bewust verspreid over drie verschillende (rechts)personen: de certificaathouder, de holding en het bestuur van de stichting.

4.7.

Voor bestuurder C gelden kwaliteitseisen. In artikel 3 lid 7 van de statuten wordt bepaald welke kwaliteiten in de weg staan aan benoeming als bestuurder C (onder meer: de hoedanigheid van certificaathouder, directeur of aandeelhouder van de holding, bepaalde familieleden van een aandeelhouder of certificaathouder, in dienst zijn van de holding). De rechtbank gaat ervan uit dat de vraag of een kandidaat-bestuurder aan deze eisen voldoet, betrokken moet worden bij de benoeming, maar net zo goed bij de herbenoeming.

4.8.

Datzelfde geldt voor de vraag of bestuurders A en B het eens kunnen worden over de benoeming van bestuurder C. Voor de benoeming van bestuurder C ([persoon 2]) is immers een vereiste dat deze eenstemmig gekozen wordt door bestuurder A ([persoon 1]) en bestuurder B ([eiser 4]). Dat bepaalt immers artikel 3, lid 2 sub c van de statuten. Bestuurder C behoort dus het vertrouwen te hebben van zowel bestuurder A als bestuurder B. De rechtbank acht het niet meer dan logisch dat bestuurders A en B in geval van herbenoeming bij de vraag of dat vertrouwen er nog is in aanmerking zullen willen nemen de wijze waarop bestuurder C zijn taak in de voorgaande periode heeft vervuld.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank is de mogelijkheid van stilzwijgende herbenoeming van een bestuurder van de stak, gelet op al het voorgaande, niet te rijmen met de statuten. Het verweer van de holding c.s. faalt reeds hierom.

4.10.

De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Voor zover het verweer van de holding c.s. al zou worden gevolgd dat tussen bestuurder en stichting een contractuele relatie bestaat in welk kader herbenoeming op grond van het vertrouwensbeginsel van artikel 3:35 BW mogelijk is, geldt het volgende. De rechtbank ziet in de stellingen van de holding c.s. geen aanwijzingen die kunnen leiden tot de slotsom dat [persoon 2] en [persoon 1] er op mochten vertrouwen dat ze herbenoemd waren. De benoemingen van bestuurders A, B en C komen voort uit een besluit tot benoeming door een per bestuurder verschillend orgaan. Voor bestuurder A is dat de certificaathouder en niet de stichting, voor bestuurder B is dat de holding en niet de stichting, en voor bestuurder C zijn dat bestuurders A en B van de stichting. De gedragingen en handelingen van de stichting zelf zijn dus niet van belang voor het vertrouwen van bestuurders A en B – nog daargelaten dat eisers 1, 2, 3 en 5 geen enkele band met de stichting hebben zodat niet valt in te zien hoe hun gedragingen, wat daar ook van zij, de stichting regarderen. Gedragingen en handelingen van de benoemende organen zijn niet gesteld door de holding c.s., met uitzondering van bestuurder B, [eiser 4]. Dat laatste kan eventueel alleen relevant zijn voor de benoeming van bestuurder C, [persoon 2].

4.11.

Dat [persoon 2] erop mocht vertrouwen dat hij was herbenoemd door [persoon 1] en [eiser 4] tezamen valt ook niet in te zien. Zoals reeds opgemerkt was voor de benoeming van [persoon 2] vereiste dat hij eenstemmig gekozen werd door [persoon 1] en [eiser 4]. [Persoon 2] heeft op de zitting van 9 december 2013 verklaard dat de samenwerking tussen [persoon 1] en [eiser 4] al vanaf 2001 niet optimaal liep en dat er vanaf 2005 als gevolg van onenigheid zelfs een onwerkbare situatie was ontstaan. Tussen partijen is niet in geschil dat [persoon 2] in de loop van de tijd partij heeft gekozen in dit conflict aan de zijde van [persoon 1], tegen [eiser 4]. Naar het oordeel van de rechtbank valt daarom niet in te zien dat [persoon 2] er in of na 2004 op mocht vertrouwen dat [persoon 1] en [eiser 4] hem tezamen zouden hebben herbenoemd. Het had daarom op de weg van de holding c.s. gelegen deze stelling nader te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Dat heeft de holding c.s. echter niet gedaan.

4.12.

Op grond van het voorgaande faalt ook het verweer van de holding c.s. dat [persoon 1] en [persoon 2] erop mochten vertrouwen dat ze herbenoemd waren. Van herbenoeming is derhalve geen sprake.

4.13.

Dat betekent dat voor de rechtbank is komen vast te staan dat de termijn van [persoon 2] en [persoon 1] als bestuurder zoals bedoeld in de wet en de statuten afgelopen was op 1 december 2004 en 20 maart 2005. Hieruit vloeit voort dat [peroson 2] en [persoon 1], zoals eisers terecht stellen, op het moment van het besluit van 8 maart 2012 geen bestuurders van de stak meer waren in de zin van de wet en de statuten. Ze ontleenden aan de wettelijke en statutaire regels niet langer de bevoegdheid om in de organisatie van de stak de functie van statutair bestuurder te vervullen en waren niet langer bekleed met de bevoegdheden van statutair bestuurder. Dat ze zich, in weerwil hiervan, zijn blijven gedragen als bestuurder door de in de stak de feitelijke bestuursmacht aan zich te trekken, het beleid te bepalen en de lakens uit te delen, staat hier los van.

4.14.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het besluit van 8 maart 2012 niet is genomen door een daartoe bevoegd orgaan van de stak.[persoon 2] en [persoon 1] waren immers niet vertegenwoordigingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 van de statuten van de stak (twee gezamenlijk handelend bestuurders). Aan dit besluit, voor zover daarvan al kan worden gesproken, kleven dermate fundamentele gebreken dat geen besluitvorming heeft plaatsgevonden. Het besluit is non-existent.

beroep op artikel 2:8 BW?

4.15.

De holding c.s. heeft subsidiair een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 2:8 BW De holding c.s. stelt dat de bepaling in de statuten dat de benoemingsduur van bestuurders maximaal vier jaar is buiten toepassing dient te blijven omdat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is. De stak heeft dit verweer nader onderbouwd met de stelling dat de conclusie dat het besluit van 8 maart 2012 nietig is, alsmede de conclusie dat de stak bestuurloos is, diffuse gevolgen kan hebben, en bovendien dat het inroepen van de nietigheid, gelet op de verjaringstermijn van slechts één jaar bij vernietigbaarheid, na acht jaar te laat is. Eisers hebben dit verweer gemotiveerd betwist.

4.16.

De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 2:8 BW is toegespitst op de verhoudingen binnen een rechtspersoon. Het artikel kan daarom alleen van toepassing zijn voor zover het geschil betrekking heeft op verhoudingen binnen een rechtspersoon. Eisers zijn de vier broers [eisers] en werkmaatschappij [eiser 5], en gedaagden zijn de holding en de stak. De in het kader van artikel 2:8 BW bestreden regel is artikel 3 lid 3 van de statuten van de stak. Het beroep op artikel 2:8 BW kan daarom redelijkerwijze alleen betrekking hebben voor zover de stak het inroept tegen [eiser 4], indien aangenomen wordt dat hij bestuurder B van de stak is. De overige eisers zijn geen institutioneel betrokkenen binnen de holding of de stak en voor de holding gelden de statuten van de stak niet. Het verweer faalt derhalve reeds voor zover het zich richt tegen eisers 1, 2, 3 en 5 en voor zover het ingenomen wordt door de holding.

4.17.

De stak heeft haar beroep op artikel 2:8 BW nader onderbouwd met de stelling dat de conclusie dat het besluit van 8 maart 2012 nietig is, kan leiden tot de conclusie dat de stak bestuurloos is, wat diffuse gevolgen kan hebben. De rechtbank begrijpt dat de holding c.s. met ''diffuse gevolgen'' bedoelt allerlei onduidelijke gevolgen. Eisers hebben deze stelling gemotiveerd betwist.

4.18.

De rechtbank oordeelt als volgt. Of er gedurende acht jaar geen statutair bestuur is geweest, kan niet worden vastgesteld maar kan ook niet worden uitgesloten. Dat zal afhangen van de vraag of bestuurder B, [eiser 4], in tegenstelling tot [persoon 1] en [persoon 2] wél herbenoemd is. Daar hebben partijen zich in dit geschil niet expliciet over uitgelaten. Indien ervan wordt uitgegaan dat [eiser 4] niet is herbenoemd, en de stak bestuurloos was, geldt het volgende. Wat de gevolgen zijn van het volledig ontbreken van een statutair bestuur bij de stak laat zich thans moeilijk inschatten. De holding c.s. heeft hier geen schets van gegeven. Dat had wel op zijn weg gelegen want de stak heeft kennis van de eventueel ter discussie staande rechtshandelingen in de afgelopen acht jaar. Het doel van de stak zoals vermeld in de statuten (kort gezegd, het tegen uitgifte van certificaten op naam verwerven en beheren van aandelen in de holding en het uitoefenen van alle aan de aandelen verbonden rechten) geeft zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook geen aanleiding om te veronderstellen dat er frequent overeenkomsten met derden zijn gesloten. Gelet op het voorgaande heeft de holding c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat de nietigverklaring van het besluit van 8 maart 2012 grote gevolgen zal hebben. De rechtbank verwerpt reeds daarom dit verweer.

4.19.

Het eveneens ter nadere onderbouwing aangevoerde verweer dat het inroepen van de nietigheid na acht jaar te laat is (conclusie van antwoord sub 26) wordt ook verworpen. De vergelijking met vernietigbaarheid gaat niet op. Zoals de holding c.s. zelf al opmerkt, geldt voor nietigheid geen verjaring. Dat kan ook niet. Het besluit is nietig, zelfs non-existent. Er ís geen besluit. Een niet bestaand besluit kan door middel van verjaring niet bestaand worden gemaakt. Deze situatie is bij een vernietigbaar besluit fundamenteel anders. In dat geval is er wel sprake van een besluit, dat echter kan worden aangetast. Dit verweer wordt verworpen.

4.20.

De holding c.s. heeft tot slot ter nadere onderbouwing verwezen naar artikel 2:292 lid 3 (de holding c.s. vermeldt per abuis artikel 2:392 lid 3 BW). Dit artikel bepaalt de omvang van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders van een stichting. Aan [persoon 1] en [persoon 2] komt echter geen beroep toe op dit artikel. Ze zijn immers geen bestuurder in de zin van dit wetsartikel.

zaakwaarneming?

4.21.

De holding c.s. heeft tot slot aangevoerd dat [persoon 2] en [persoon 1] de bevoegdheid tot stemming op de algemene vergadering van 8 maart 2012 ontlenen aan zaakwaarneming zoals bedoeld in artikel 6:198 BW. Eisers hebben dit verweer gemotiveerd betwist.

4.22.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [persoon 2] en [persoon 1] zich na afloop van hun termijn als bestuurder van de stak zijn blijven gedragen als bestuurder. De rechtbank sluit niet uit dat een deel van hun gedragingen en handelingen kan worden gekwalificeerd als zaakwaarneming indien komt vast te staan dat ook [eiser 4] niet was herbenoemd, zodat het door de wet en de statuten voorgeschreven bestuur geheel ontbrak.

4.23.

Voor zaakwaarneming geldt echter onder meer het vereiste dat degene die de zaak waarneemt en andermans belangen behartigt, dit doet op redelijke gronden. De maatschappelijke rechtvaardiging om andermans belang te behartigen valt als hoofdregel weg indien de rechthebbende kenbaar maakt of uit zijn gedragingen mag worden opgemaakt dat hij niet langer van de zaakwaarneming is gediend. Voortzetting van de zaakwaarneming wordt in dat geval binnen de maatschappelijk aanvaarde uitgangspunten en beginselen onaanvaardbaar. Zij weerspiegelt dan niet langer een maatschappelijk behoren – en kan zelfs een onrechtmatige daad opleveren.

4.24.

De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat zowel [eiser 2], certificaathouder van de stak, als [eiser 4], van wie niet is komen vast te staan dat hij geen bestuurder B van de stichting meer was, vooraf aan [persoon 2] en [persoon 1] expliciet hebben laten blijken dat ze zich verzetten tegen het ontslag van [eiser 4] als bestuurder van de holding (het besluit van 8 maart 2012). Naar het oordeel van de rechtbank was hiermee elke rechtvaardiging van [persoon 2] en [persoon 1] om dit besluit uit hoofde van zaakwaarneming te nemen en er uitvoering aan te geven weggevallen. Ook dit verweer van de holding c.s. faalt.

4.25.

Uit al het voorgaande volgt dat de stelling van eisers dat het besluit van 8 maart 2012 nietig is, slaagt.

de besluiten van 14 maart 2012 en 20 april 2012

4.26.

De rechtbank dient thans te beoordelen of, zoals eisers stellen, de besluiten van 14 maart 2012 en 20 april 2012, inhoudende de besluiten van de holding tot 1) het ontslag van [eiser 4] als bestuurder B van de stak en 2) het daarna benoemen van de heer [persoon 3] als bestuurder B van de stak nietig waren. Eisers stellen dat deze besluiten nietig waren omdat ze alleen door [persoon 1] zijn genomen terwijl [eiser 4] nog steeds in het bestuur zat, in het verlengde waarvan [persoon 1] niet vertegenwoordigingsbevoegd was. De holding c.s. heeft de stelling van eisers gemotiveerd betwist.

4.27.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit overweging 4.25 volgt dat [eiser 4] niet op 8 maart 2012 is ontslagen als bestuurder van de holding. Hij was dus nog steeds onderdeel van het bestuur van de holding op 14 maart 2012 en op 20 april 2012. Hij vormde samen met [persoon 1] het bestuur.

4.28.

De besluiten van 14 maart 2012 en 20 april 2012 zijn niet rechtsgeldig. In de statuten van de holding staat immers vermeld, zoals eisers terecht opmerken, dat alle besluiten van de directie genomen moeten worden met volstrekte meerderheid van stemmen (productie 8 bij dagvaarding, bladzijde 10, artikel 10 lid 1 sub b). Het bestuur bestond uit [eiser 4] en [persoon 1]. [persoon 1] vormde in haar eentje geen meerderheid en was daarom niet bevoegd om de holding in haar eentje te vertegenwoordigen. De besluitvorming van 14 maart 2012 vertoonde, gelet op het voorgaande, zodanige totstandkomingsproblemen dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van nietige besluiten in de zin van artikel 2:14 BW.

het besluit van 14 mei 2012

4.29.

De rechtbank dient thans te beoordelen of, zoals eisers stellen, het besluit van 14 mei 2012, inhoudende de wijziging van statuten van de stak, nietig was. De rechtbank stelt hierbij voorop dat alleen het bestuur van de stak bevoegd is de statuten van de stak te wijzigen (statuten van de stak, artikel 10 sub 1). Uit overweging 4.28 volgt dat de benoeming van[persoon 3]tot bestuurder van de stak nietig was. Hij is dus nimmer bestuurder B geworden. Reeds eerder is vastgesteld dat [persoon 1] en [persoon 2] niet meer bekleed waren met de bevoegdheden van statutair bestuurder. Al het voorgaande betekent dat dit besluit hetzelfde lot treft als het besluit van 8 maart 2012. Het is non-existent.

resumerend

4.30.

Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde verklaring voor recht in zijn geheel zal worden toegewezen.

4.31.

De holding c.s. zal als de in het ongelijk gesteld partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden tot op heden begroot op € 589,= aan vast recht, € 101,89 aan kosten exploot dagvaarding en € 904,= (2 punten tarief II, vordering van onbepaalde waarde) aan salaris advocaat. Dat komt neer op een totaal bedrag van € 1.594,89.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de besluiten van 8 maart 2012 van de algemene vergadering van aandeelhouders in de vennootschap [naam bedrijf] Holding tot het ontslag van [eiser 4] als bestuurder, het besluit van 14 maart 2012 van [naam bedrijf] Holding tot ontslag van [eiser 4] als bestuurder B in de stak, het besluit van 20 april 2012 tot benoeming van [persoon 3] als bestuurder in de stak en het besluit van 14 mei 2012 tot wijziging van de statuten van de stak nietig zijn.

5.2.

veroordeelt de holding c.s. in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van eisers begroot op € 1.594,89.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.