Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:9249

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
AWB - 14_3605
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om geheimhouding van stukken ex.artikel 8:29 Awb afgewezen. Uit artikel 25, tweede lid, van het Belastingverdrag tussen Nederland en Japan volgt dat de tussen staten uitgewisselde informatie bekend mag worden gemaakt bij een (openbare)rechtzitting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 14/3605

Beslissingsdatum: 6 oktober 2014

Beslissing in het geding tussen

[eiseres], gevestigd te [plaatsnaam], eiseres,

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 5 februari 2014 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn beslissing om op de voet van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (hierna: WIB) en artikel 26A van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Japan inlichtingen aan de autoriteiten van Japan te verstrekken.

2.

Eiseres heeft hangende de bezwaarprocedure een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend.

3.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de volgende bijlagen:

1.

het verzoek van de Japanse autoriteiten om informatie van 27 november 2012

2.

de aanvulling op het verzoek van de Japanse autoriteiten van 25 januari 2013

3.

de ontvangstbevestiging van verweerder van 31 januari 2013

5.

het verzoek aan de Japanse autoriteiten omtrent het actueel belang van het informatieverzoek

6.

het bericht aan de consul van Japan van 21 juni 2013 over de voortgang van het informatieverzoek

7.

het bericht van de Japanse autoriteiten van 27 augustus 2013 over het actueel belang van het informatieverzoek

8.

het aanvullend verzoek van verweerder van 25 september 2013 om toelichting op het actueel belang van het informatieverzoek

9.

het bericht van de Japanse autoriteiten van 6 november 2013 over het aanvullend verzoek om toelichting van het actueel belang van het informatieverzoek

4.

Bij beslissing van 4 maart 2014 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming ten aanzien van de bijlagen 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9 gerechtvaardigd is en eiseres op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld de rechtbank te berichten of zij toestemming geeft dat de rechtbank uitspraak doet mede op grondslag van de hiervoor genoemde bijlagen. Eiseres heeft de rechtbank vervolgens geen toestemming gegeven om mede op grondslag van de hiervoor genoemde bijlagen uitspraak te doen.

5.

Bij beslissing van 6 maart 2014 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op het verzoek. Het verzoek is toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

6.

Bij besluit van 31 juli 2014 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

7.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in verband met het bestreden besluit.

8.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de volgende bijlagen:

1.

het verzoek van de Japanse autoriteiten om informatie van 27 november 2012 met memorandum (9 pagina’s)

2.

de aanvulling op het verzoek van de Japanse autoriteiten van 25 januari 2013 met memorandum (2 pagina’s)

3.

de ontvangstbevestiging van verweerder van 31 januari 2013 (1 pagina)

5.

het verzoek aan de Japanse autoriteiten omtrent het actueel belang van het informatieverzoek van 13 juni 2013 (3 pagina’s)

6.

het bericht aan de consul van Japan van 21 juni 2013 over de actuele stand van zaken omtrent het informatieverzoek (1 pagina)

7.

het bericht van de Japanse autoriteiten van 27 augustus 2013 over het actueel belang van het informatieverzoek met memorandum (2 pagina’s)

8.

het aanvullend verzoek van verweerder van 25 september 2013 om toelichting op het actueel belang van het informatieverzoek (3 pagina’s)

9.

het bericht van de Japanse autoriteiten van 6 november 2013 over het aanvullend verzoek om toelichting van het actueel belang van het informatieverzoek met memorandum (5 pagina’s)

14.

het verzoek van de Japanse autoriteiten van 28 april 2014 om toelichting op het belang van de informatieverstrekking (2 pagina’s)

15.

het bericht van de Japanse autoriteiten van 15 juli 2014 met memorandum (3 pagina’s)

9.

De geheimhoudingskamer heeft een comparitie van partijen gelast op 2 oktober 2014. Namens verweerder zijn verschenen mr. A.J.J. Wellenberg en W.H. Banda. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1],[naam 2] en [naam 3].

10.

Ter zitting is gebleken dat bijlage 1, pagina 1 tot en met 5, en bijlage 5, pagina 2, reeds in het dossier van de voorlopige voorziening of in het dossier van de hoofdzaak aanwezig zijn en dus bij eiseres bekend. Op bijlage 1, pagina 1 en 4, zoals door eiseres overgelegd zijn wel namen en accountnummers weggelakt. Ten aanzien van de weggelakte namen en accountnummers heeft eiseres aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben. Gelet op het vorenstaande is ten aanzien van bijlage 1, pagina 1 tot en met 5, en bijlage 5, pagina 2, een verzoek om geheimhouding op grond van artikel 8:29 niet meer aan de orde.

Ter zitting heeft verweerder van bijlage 15 een geanonimiseerde versie overgelegd. Eiseres heeft aangegeven ter zitting akkoord te gaan met deze geanonimiseerde versie. Ten aanzien van bijlage 15 komt daarom ook het verzoek om geheimhouding te vervallen.

Het verzoek om geheimhouding ziet derhalve nog op bijlagen 1 (pagina 5 t/m 9), 2, 3, 5 (pagina 1 en 3), 6, 7, 8, 9 en 14.

11.

Verweerder heeft zich ter comparitie op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de hiervoor genoemde bijlagen beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, omdat het vertrouwelijke correspondentie tussen Staten betreft. Het is vast gebruik dat correspondentie tussen Staten als vertrouwelijk wordt beschouwd en zo wordt behandeld. Indien Nederland die vertrouwelijkheid niet in acht zou nemen, zou dit gevolgen kunnen hebben voor de bereidheid van buitenlandse fiscale autoriteiten om Nederland in voorkomende gevallen inlichtingen te verstrekken, hetgeen negatieve gevolgen zou hebben voor de Nederlandse belastingheffing. De gewichtige redenen zijn gelegen in de betrekkingen tussen Nederland en andere Staten en de economische en financiële belangen van de Nederlandse Staat (artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur en artikel 14 van de WIB).

12.

Ter comparitie heeft eiseres hierop gereageerd en aangegeven dat de motivering van verweerder veel te algemeen is en niet in dit concrete geval is aangegeven dat problemen zullen ontstaan. Voorts heeft eiseres gewezen op artikel 25, tweede lid, van het Belastingverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het Belastingverdrag), waarin vermeld staat dat deze stukken in het kader van een gerechtelijke procedure ingebracht mogen worden, zodat problemen niet te voorzien zijn met de autoriteiten van Japan.

13.1.

Het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb biedt de mogelijkheid op de zaak betrekking hebbende stukken voor eiseres geheim te houden indien daartoe gewichtige redenen bestaan. Beslissend bij de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op geheimhouding beroept, is of de door verweerder voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang dat eiseres heeft bij kennisneming. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de redenen voor geheimhouding zwaarder wegen dan het belang van eiseres bij kennisneming. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

13.2.

Ingevolge artikel 25, eerste lid (‘Uitwisseling van informatie’), van het Belastingverdrag wisselen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten de informatie uit die naar verwachting van belang zal zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag of voor de toepassing of handhaving van de nationale wetgeving betreffende belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van de verdragsluitende staten, of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, voor zover de heffing ingevolge die wetgeving niet in strijd is met dit Verdrag. De uitwisseling van informatie wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2.

13.3.

Ingevolge artikel 25, tweede lid, van het Belastingverdrag wordt alle uit hoofde van het eerste lid door een verdragsluitende staat ontvangen informatie op dezelfde wijze geheim gehouden als informatie die volgens de nationale wetgeving van die verdragsluitende staat is verkregen en wordt alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen alleen voor deze doeleinden van de informatie gebruikmaken. Zij mogen de informatie bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen.

13.4.

Gelet op de laatste zin van artikel 25, tweede lid, van het Belastingverdrag hebben de verdragsluitende staten afgesproken dat de uitgewisselde informatie bekend mag worden gemaakt in een (openbare) rechtszitting. Beperkingen ten aanzien hiervan zijn in dit artikel niet opgenomen. Gelet op deze afspraak tussen de verdragsluitende staten is niet aannemelijk dat het overleggen van de stukken in deze gerechtelijke procedure gevolgen zou kunnen hebben voor de bereidheid van bevoegde personen of autoriteiten van Japan om Nederland in voorkomende gevallen inlichtingen te verstrekken. De hiervoor aangehaalde bepalingen van het Belastingverdrag maken duidelijk dat verweerder niet hoeft te vrezen dat de door hem gestelde consequenties van het bekendmaken van de bijlagen aan eiseres zich zullen voordoen. Van een doorwerking naar andere autoriteiten die hierdoor minder bereid kunnen zijn tot het uitwisselen is ook niet gebleken. Het Belastingverdrag betreft immers alleen de relatie tussen Nederland en Japan. Andere landen hebben andere afspraken neergelegd in hun belastingverdragen met Nederland. Zo is in het belastingverdrag met Duitsland de mogelijkheid tot overleggen van stukken in een gerechtelijke procedure helemaal niet opgenomen en is in het belastingverdrag met België deze mogelijkheid weliswaar opgenomen, maar daaraan is expliciet toegevoegd dat dit alleen kan na toestemming van het verdragsland dat de informatie heeft verstrekt.

14.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat beperking van de kennisgeving van de bijlage 1 (pagina 5 t/m 9), 2, 3, 5 (pagina 1 en 3), 6, 7, 8, 9 en 14 niet gerechtvaardigd is.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat beperking van de kennisgeving van bijlage 1 (pagina 5 t/m 9), 2, 3, 5 (pagina 1 en 3), 6, 7, 8, 9 en 14 niet gerechtvaardigd is;

- stelt verweerder in de gelegenheid zich binnen een week uit te laten over de consequenties die hij verbindt aan de voormelde beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.E. Keulemans, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing kunnen eerst gelijk met de (eind)uitspraak rechtsmiddelen worden aangewend.