Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:9062

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
C/14/144662 / FA RK 13-577 en C/14/146571 / FA RK 13-1178
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst partijen op de gevolgen van hun onderlinge strijd op de ontwikkeling van hun minderjarige kinderen.

Partijen verschillen van mening over welke bijdrage de man in de kosten van de minderjarigen dient te betalen. De rechtbank stelt voorop dat de man ook een bijdrage dient te betalen voor de minderjarige die zijn hoofdverblijfplaats heeft bij hem, er is geen wettelijke bepaling die bepaald dat een bijdrage alleen dient te worden betaald aan uitwonende minderjarigen. De rechtbank stelt de behoefte vast op basis van de inkomensgegevens van partijen ten tijde van uiteengaan in 2012. Aan de zijde van de man houdt de rechtbank rekening met een, door de vrouw, niet betwiste, aflossing van een huwelijkse schuld. De man is van mening dat een zorgkorting van 50 % dient te worden toegepast. De rechtbank sluit aan bij het rapport van de Wekgroep Alimentatienormen en stelt de zorgkorting vast op 35 %. De rechtbank stelt daarbij vast dat de man aan de vrouw een kinderbijdrage betaalt, en dat de vrouw alle overige verblijfsoverstijgende kosten voor alle minderjarigen dient te betalen. Partijen hebben onvoldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. De rechtbank verdeelt het tekort in draagkracht gelijkelijk over partijen.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw rekening en verantwoording dient af te leggen over haar bestuur over de rekeningen van partijen. De rechtbank wijst dit verzoek af, de vrouw heeft tijdens het huwelijk alleen een verplichting om inzage te geven in de rekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/14/144662 / FA RK 13-577 en C/14/146571/ FA RK 13/1178

Beschikking d.d. 9 juli 2014 betreffende de echtscheiding (bij vervroeging)

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te[woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. D. van der Pol, gevestigd te Hoorn Nh,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. P.G.M. Vlaar, gevestigd te Hoorn Nh.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 22 maart 2013;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 16 mei 2013;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 14 juni 2013;

- het formulier verdelen en verrekenen van de man, ingekomen op 15 juli 2013;

- het formulier verdelen en verrekenen van de vrouw, ingekomen op 16 juli 2013;

- het bericht met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 10 juni 2014;

- het bericht met bijlagen van de man, ingekomen op 10 juni 2014, en

- het bericht met bijlagen van de man, ingekomen op 13 juni 2014.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 juni 2014.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Van der Pol voornoemd, en de man, bijgestaan door mr. C.M.J. Zillikens, namens mr. Vlaar voornoemd. Mr. Van der Pol en mr. Zillikens hebben tijdens de mondelinge behandeling pleitaantekeningen overgelegd.

1.3.

De minderjarigen [minderjarige] en [minderjarige] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Gelet op de leeftijd van de minderjarige [minderjarige] is hij niet gehoord.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats].

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.3.

Scheiding

2.3.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.2.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv).

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat het partijen niet lukt samen een ouderschapsplan op te stellen. Tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank gebleken dat er sprake is van spanningen tussen partijen. Duidelijk is voorts geworden dat partijen thans niet in staat zijn gezamenlijk een ouderschapsplan op te stellen.

Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.3.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de bepalingen zoals vermeld in het door haar opgestelde concept ouderschapsplan, met name voor wat betreft de zorg- en contactregeling en de informatie- en consultatieplicht, onderdeel zullen uitmaken van de onderhavige beschikking. Nu partijen geen overeenstemming hebben over de inhoud van het ouderschapsplan, zal de rechtbank dit verzoek van de vrouw afwijzen.

2.4.

Verblijfplaats

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man zal zijn en dat de hoofverblijfplaats van [minderjarige] en [minderjarige] bij haar zal zijn.

De man heeft zich daartegen niet verweerd.

2.4.2.

De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

2.5.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.5.1.

De man heeft verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.

Hij verzoekt te bepalen dat de minderjarigen altijd gezamenlijk bij de ene of bij de andere ouder zullen verblijven door de week gedurende minimaal twee dagen bij de man en de resterende dagen bij de vrouw, waarbij de dagen concreet worden ingevuld aan de hand van het lesrooster van de man en gedurende het weekend om en om bij de man en de vrouw. Het verblijf bij de man dient in overleg met de minderjarigen verruimd te worden indien de minderjarigen daarom verzoeken.


De man voert daartoe aan dat hij ervaart dat de vrouw een emotionele strijd voert zonder de minderjarigen daarbij te ontzien. De man stelt dat hij in de huidige situatie berust in een poging een rustigere situatie voor de minderjarigen te creëren. De minderjarigen verblijven thans op maandag en dinsdag bij de man en op woensdag, donderdag en vrijdag bij de vrouw, en daarnaast om het weekend bij de man en de vrouw. De man stelt dat deze regeling voor wat betreft het verblijf van de minderjarigen bij hem een minimum is en verruimd dient te worden.

2.5.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man. Zij stelt dat de minderjarigen op maandag en dinsdag bij de man zijn en op woensdag, donderdag en vrijdag bij haar en daarnaast om het weekend bij elk van de ouders. De vrouw ziet niet in waarom de regeling van partijen als een minimum regeling zou moeten worden beschouwd. Naar mening van de vrouw is het niet in het belang van de minderjarigen dat zij zelf bepalen bij welke ouder zij verblijven. Er is volgens de vrouw sprake van een uiterst gespannen sfeer. Met name [minderjarige] lijdt volgens de vrouw onder de uitvoering van de zorgregeling.

2.5.3.

De rechtbank stelt voorop dat de zorgregeling thans zo is dat de minderjarigen gezamenlijk op maandag en dinsdag bij de man verblijven en op woensdag, donderdag en vrijdag bij de vrouw en eens in de twee weken een weekend bij de man. Tijdens de mondelinge behandeling is voorts gebleken dat [minderjarige] en [minderjarige] ook op dinsdagavond bij de man verblijven en op woensdag uit school naar de vrouw gaan. [minderjarige] gaat op dinsdag uit school reeds naar de vrouw.

Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat partijen niet dan wel nauwelijks met elkaar kunnen communiceren en onderling strijden, ondanks dat de man stelt dat hij uit elke strijd met de vrouw wil blijven. De rechtbank wijst partijen erop dat uit wetenschappelijk onderzoek onomstotelijk is gebleken dat voortdurende strijd tussen ouders voor minderjarigen ontwrichtend, onveilig en beangstigend is. Ouderlijke strijd heeft op zowel korte als op de lange termijn zeer nadelige gevolgen voor minderjarigen. Als voorbeelden kunnen hier genoemd worden: loyaliteitsconflict, parentificatie, meer kans op ontwikkelingsproblemen in de puberteit, moeite met conflicthantering, grotere kans op mislukken eigen relaties, grotere kans op depressie, faalangst en een laag zelfbeeld. Ouders dienen naar hun kinderen toe verantwoordelijkheid te nemen en dienen hun ouderrol verantwoord in te vullen, ook wanneer zij niet meer elkaars partner zijn. Dit houdt in dat zij moeten leren op ouder-niveau met elkaar te communiceren. Gelet op het vorenstaande is het van groot belang dat partijen professionele hulp te zoeken voor hun onderlinge communicatieproblematiek.

De vrouw heeft meerdere malen aan de man voorgesteld in mediation te gaan. De man heeft daar afwijzend op gereageerd. De man heeft daarentegen wel tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat partijen in coaching kunnen gaan. Deze coaching betreft volgens mr. Zillikens een traject waarbij eerst een gesprek zal plaatsvinden met de ouders apart, vervolgens met de ouders samen en daarna met de minderjarigen. Er zal tot slot een eindgesprek in aanwezigheid van alle betrokkenen plaatsvinden. Mr. Zillikens heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij deze coaching voor partijen kan regelen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met coaching, met name omdat zij, zo begrijpt de rechtbank, in het belang van de minderjarigen in gesprek wil komen met de man. De rechtbank vindt het positief dat partijen op de zitting hebben afgesproken het coachingstraject in te gaan.

De rechtbank ziet aanleiding om de zorgregeling zoals deze thans door partijen wordt uitgevoerd, in deze beschikking definitief vast te stellen. De rechtbank zal daarbij derhalve ook het onderscheid maken tussen [minderjarige] en [minderjarige] en [minderjarige] voor wat betreft de dinsdag. De rechtbank ziet geen aanleiding om de regeling te beschouwen als een minimumregeling zoals door de man verzocht. Partijen hebben geen verzoeken gedaan met betrekking tot de zorgregeling gedurende de vakanties en feestdagen. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen deze in onderling overleg tussen hen beiden verdelen.

2.5.4.

De man heeft verzocht om [minderjarige] en [minderjarige] opnieuw uit te nodigen voor een gesprek met de rechter. [minderjarige] en [minderjarige] zijn weliswaar eerder uitgenodigd, maar konden destijds niet komen in verband met een vakantie, aldus de man. Volgens de man heeft met name [minderjarige] behoefte aan een gesprek met de rechter.

Nu partijen overeenstemming hebben over de huidige zorgregeling, welke regeling in de onderhavige beschikking ook definitief zal worden vastgesteld, en partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben aangegeven dat zij een coachingstraject zullen volgen, ziet de rechtbank geen aanleiding om [minderjarige] en [minderjarige] in de onderhavige procedure te horen. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat de minderjarigen in het coachingstraject een gesprek zullen hebben.

2.6.

Woning

2.6.1.

De man heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden.

De vrouw heeft zich daartegen niet verweerd. Zij heeft wel aan aanvullend verzoek gedaan en verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 533,- per maand dient te voldoen per 1 april 2012 bij wege van gebruikersvergoeding voor de voormalig echtelijke woning tot op het moment dat de woning aan de man wordt toegedeeld dan wel aan een derde wordt geleverd.

2.6.2.

De rechtbank zal conform het verzoek van de man beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek van de vrouw met betrekking tot de gebruikersvergoeding tegelijkertijd met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen te behandelen.

2.7.

Onderhoudsbijdrage

2.7.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 360,- per kind per maand met ingang van 1 november 2012 dan wel vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift. Voorts verzoekt zij te bepalen dat de man de helft van de kosten van school, ontspanning, sport, hobby, muziekclubs en zakgeld voor zijn rekening zal nemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw voorgesteld dat de man aan haar een kinderbijdrage zal betalen van € 720,- per maand.

2.7.2.

De man heeft verzocht een door hemzelf te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen op een nog nader te bepalen bedrag per kind per maand met ingang van 1 mei 2013, dan wel met ingang van de datum van het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoek van de man, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum.

2.7.3.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van de minderjarigen alsmede over de bijdrage die een ieder van hen zou dienen te betalen in de kosten van de minderjarigen. Partijen hebben wel overeenstemming over de ingangsdatum; zij hebben de rechtbank beiden tijdens de mondelinge behandeling verzocht om als ingangsdatum de datum van de onderhavige beschikking aan te houden. De rechtbank zal in het navolgende eerst ingaan op de behoefte van de minderjarigen, vervolgens op de draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw en tenslotte (indien daaraan wordt toegekomen) een draagkrachtvergelijking maken. Voor zover de man heeft aangevoerd dat hij geen bijdrage behoeft te betalen ten behoeve van [minderjarige] omdat hij zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft, gaat de rechtbank aan deze stelling van de man voorbij. De stelling van de man is niet op de wet gebaseerd en voorts begrijpt de rechtbank uit de tussen partijen overeengekomen zorgregeling dat zij er alleen voor gekozen hebben om [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats te laten hebben bij de man vanwege fiscale redenen.

2.7.4.

Behoefte

2.7.4.1. Partijen zijn op 1 maart 2012 feitelijk gescheiden gaan leven. Bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen dient dan ook te worden uitgegaan van het inkomen dat partijen kort voor het uiteengaan hadden.

Blijkens de jaaropgaaf 2012 had de man een inkomen van € 64.428,- bruto per jaar. De rechtbank is daarbij uitgegaan van het loon zorgverzekeringswet, aangezien daarvan de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet reeds is afgetrokken. Op basis van dit inkomen bedroeg het netto besteedbaar inkomen van de man, uitgaande van de normen 2012-I, € 3.486,- per maand.

Van de vrouw heeft de rechtbank enkel de jaaropgaaf 2013 en salarisspecificaties van 2014 ontvangen. Bij gebrek aan andere gegevens zal de rechtbank het besteedbaar inkomen van de vrouw berekenen op basis van het inkomen zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf 2013. Niet is gebleken dat dit inkomen niet vergelijkbaar is met het inkomen van de vrouw in 2012. Blijkens de jaaropgaaf 2013 bedroeg het inkomen van de vrouw in dat jaar € 20.981,- bruto per jaar. Aan de zijde van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op basis van deze gegevens bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 1.596,- per maand.

2.7.4.2. Het gezinsinkomen van partijen was derhalve (€ 3.486,- + € 1.596,- =)

€ 5.082,- per maand. Partijen kwamen niet in aanmerking voor het kindgebonden budget, zodat de kosten van de minderjarigen op basis van de tabel Eigen aandeel kosten van kinderen, versie januari 2012, en 12 punten is te stellen op € 1.490,- per maand, en derhalve € 497,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2014 bedraagt de behoefte van de minderjarigen € 510,- per kind per maand. Partijen maken beiden thans ook geen aanspraak op een kindgebonden budget, zodat de rechtbank de behoefte van de minderjarigen vaststelt op € 510,- per kind per maand.

2.7.5

Draagkracht man

2.7.5.1 Voor het bepalen van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn inkomen zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf 2013 van € 63.494,- bruto per jaar. De rechtbank houdt voorts rekening met de alleenstaande ouderkorting omdat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man en voorts niet is gebleken dat de man samenwoont met een nieuwe partner. Het besteedbaar inkomen van de man bedraagt op basis van deze gegevens € 3.506,-.

2.7.5.2. De man heeft gesteld dat bij het bepalen van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met aflossing van een huwelijkse schuld van € 300,- per maand. De vrouw heeft betwist dat met deze aflossingsverplichting rekening dient te worden gehouden. De vrouw heeft echter niet betwist dat de man een bedrag van € 300,- per maand dient af te lossen in verband met de debetstand op de en/of bankrekening van partijen bij de Rabobank met het rekeningnummer 34.42.20.168. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat de bank wil dat op deze debetstand € 600,- per maand wordt afgelost, maar dat zij weigert een aflossing van € 300,- per maand te betalen. Zij heeft onweersproken gelaten dat de man de (helft van de) voormelde aflossing wel betaalt. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk aan de zijde van de man rekening te houden met genoemde aflossingsverplichting.

2.7.5.3. Op basis van de draagkrachttabel kan de draagkracht van de man als volgt worden vastgesteld: 70 % [3.506 -/- (0,3 X 3.506 + 860 + 300)] is € 906,- per maand. Indien de man een bijdrage betaalt van tenminste € 139,- per kind per maand maakt hij aanspraak op een fiscaal voordeel van € 93,- per maand, zodat zijn totale draagkracht (€ 906,- + € 93,- =)

€ 999,- bedraagt.

2.7.6.

Draagkracht vrouw

2.7.6.1. Voor het bepalen van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van het inkomen van de vrouw zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf 2013 van € 20.981,- per jaar. De rechtbank houdt rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt op basis van deze gegevens € 1.595,- per maand.

2.7.6.2. Op basis van de draagkrachttabel kan de draagkracht van de vrouw als volgt worden vastgesteld: 70 % [1.595 -/- (0,3 X 1.595 + 860)] is € 180,- per maand.

2.7.7.

Draagkrachtvergelijking en zorgkorting

2.7.7.1. De behoefte van de minderjarigen bedraagt € 510,- per kind per maand en derhalve € 1.530,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt € 999,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt € 180,- per maand. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 999,- + € 180,- =) € 1.179,- per maand. De draagkracht van partijen is derhalve onvoldoende om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. De rechtbank komt derhalve niet toe aan het maken van een draagkrachtvergelijking omdat de man met zijn volledige draagkracht dient bij te dragen in de kosten van de minderjarigen.

2.7.7.2. Bij het bepalen van de door de man te betalen bijdrage dient rekening te worden gehouden met de zorgkorting, te weten de kosten die de man heeft omdat de minderjarigen bij hem verblijven. De man is bij het berekenen van zijn draagkracht uit gegaan van een zorgkorting van 50 %, de vrouw van een zorgkorting van 35 %. Omdat partijen geen overeenstemming hebben over welke zorgkorting dient te worden toegepast en de minderjarigen gemiddeld drie dagen per week bij de man verblijven acht de rechtbank het redelijk, conform het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen, rekening te houden met een zorgkorting van 35 %. Daarbij is de rechtbank er vanuit gegaan dat [minderjarige] weliswaar zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man, maar dat de vrouw voor hem de “vaste lasten”, zoals bijvoorbeeld schoolgeld, contributie voor sport en dergelijke zal gaan voldoen, net als voor [minderjarige] en [minderjarige]. In deze context wijst de rechtbank partijen er voorts op dat de man enkel de door de rechtbank vast te stellen bijdrage aan de vrouw dient te betalen en dat alle overige “verblijvensoverstijgende” kosten door de vrouw dienen te worden betaald. Voor zover de vrouw heeft verzocht dat de man naast een door hem te betalen kinderbijdrage ook de helft van de kosten voor school, ontspanning, sport, hobby, muziekclubs en zakgeld zal betalen, wijst de rechtbank dit verzoek van de vrouw, als niet gebaseerd op de wet, af.

De zorgkorting bedraagt 35 % van € 1.530,- is € 535,50 per maand. Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder vermindert, wordt een uitzondering gemaakt indien de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. Indien een tekort aan draagkracht bestaat, vermindert het tekort de zorgkorting. Het tekort aan draagkracht bedraagt (€ 1.530,- -/-

€ 1.179,- =) € 351,-. De helft van dit tekort bedraagt € 175,50. Het tekort wordt gelijkelijk over partijen verdeeld, zodat de bijdrage van de man als volgt kan worden berekend: € 999,- -/- (€ 535,50 -/- € 175,50) is € 639,- per maand, en derhalve € 213,- per kind per maand.

2.7.7.3. De rechtbank acht een door de man te betalen kinderbijdrage van € 213,- per kind per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal deze in het navolgende dan ook vaststellen. De rechtbank wijst er – ten overvloede – op dat de hierna vast te stellen bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

2.8.

Rekening en verantwoording

2.8.1.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw rekening en verantwoording dient af te leggen over de mutaties op alle bankrekeningen op naam van de man, de vrouw of partijen vanaf zes maanden voor indiening van het echtscheidingsverzoek tot aan de peildatum. De man heeft voorts verzocht te bepalen dat de vrouw inlichtingen dient te verschaffen over het gevoerde bestuur over de bankrekeningen op naam van de man, de vrouw, of partijen tot aan de peildatum.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen voormelde verzoeken van de man.

2.8.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het verzoek van de man ziet op de bankrekening op naam van partijen bij de Rabobank met het nummer 344.220.168, welke rekening door de vrouw is gebruikt na het feitelijk uiteengaan van partijen. Deze rekening kende ten tijde van het indienen van het verzoekschrift een debetstand van € 30.000,-.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter de man reeds voorgehouden dat er gedurende het huwelijk geen verplichting bestaat om rekening en verantwoording af te leggen, maar dat de vrouw wel inzage dient te verschaffen in de bankafschriften van de bedoelde rekening. De rechter heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling ook daadwerkelijk opdracht gegeven met bankafschriften inzage te geven. Op grond van het vorenstaande zullen de verzoeken van de man dan ook worden afgewezen.

2.9.

Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

2.9.1.

De vrouw heeft verzocht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bevelen.

De man heeft verzocht de wijze van verdeling vast te stellen, dan wel de verdeling vast te stellen ex artikel 185 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen op de door de man voorgestane wijze, dan wel de verdeling, ook van de eventueel nader op te komen bestanddelen, in goede justitie vast te stellen. Partijen hebben ter zitting desgevraagd bevestigd dat zij willen dat de rechtbank de verdeling vaststelt.

2.9.2.

Tijdens de mondelinge behandeling op 17 juni 2014 hebben partijen hun standpunten met betrekking tot de verdeling naar voren gebracht.

Vervolgens zijn de vermogensbestanddelen besproken. Daarbij is gebleken dat partijen de rechtbank over een aantal vermogensbestanddelen nader dient te informeren. Besproken is dat de rechtbank over het volgende wordt geïnformeerd, met betrekking tot:

- het Aegon toekomstplan, met nummer 199.00.400.265, dient de man stukken te overleggen met betrekking tot de waarde op 21 maart 2013 en dient hij informatie te verschaffen of het mogelijk is om dit toekomstplan te splitsen en indien dat niet mogelijk is, aan te geven wat er met de polis moet gebeuren;

- de ING rekening met nummer 10.424.587, dient de man de stukken te overleggen waaruit blijkt welk saldo deze rekening had op 21 maart 2013;

- de ING rekening met nummer 47.13.154, dient de man stukken te overleggen waaruit blijkt wat het saldo van deze rekening was op 1 maart 2012 en op 21 maart 2013;

- de Rabobankrekening met nummer 344.220.168, dient de vrouw bankafschriften te overleggen waaruit het verloop van de rekening blijkt na het feitelijk uiteengaan van partijen op 1 maart 2012, voorts wenst de rechtbank stukken te ontvangen waaruit het saldo per 21 maart 2013 blijkt;

- de ABN AMRO spaarregeling met nummer 82.54.93.463, de man dient stukken te overleggen waaruit blijkt wat het saldo van deze rekening was op 21 maart 2013,

en

- de rekening van de vrouw bij General met nummer 015.79.16, de vrouw dient inzage te geven in het saldo van deze rekening op 21 maart 2013.

De behandeling van de zaak zal op dit punt worden aangehouden als na te melden.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum];

3.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van:

- [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

bij de vrouw zal zijn, en dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige], geboren op

[geboortedatum] te[geboorteplaats], bij de man zal zijn;

3.3.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

de minderjarigen [minderjarige] en [minderjarige] zullen bij de man zijn iedere maandag, dinsdag en woensdag naar school en om de week het weekend,

de minderjarige [minderjarige] zal bij de man zijn iedere maandag en dinsdag naar school, en om de week het weekend gelijktijdig met de minderjarigen [minderjarige] en [minderjarige];

3.4.

bepaalt dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als hij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

3.5.

bepaalt dat de man € 213,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen met ingang van de datum van deze beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.6.

verklaart de beslissing, behoudens ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst tot zover af hetgeen meer of anders is verzocht;

3.8.

houdt de behandeling met betrekking tot:

- de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, en

- de door de vrouw verzochte gebruikersvergoeding met betrekking tot de echtelijke woning,

aan tot:

- 1 juli 2014 in afwachting van informatie van partijen over voornoemde vermogensbestanddelen in 2.9.2., zoals ook tijdens de mondelinge behandeling besproken;

- 15 juli 2014 in afwachting van reactie van partijen op hetgeen de andere partij naar voren heeft gebracht met betrekking tot de vermogensbestanddelen en voorts in afwachting van berichten van partijen of zij in onderling overleg alsnog overeenstemming hebben weten te bereiken over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de gebruikersvergoeding.

Daarna zal de rechtbank partijen berichten over de verdere voortgang van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 9 juli 2014.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.