Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8936

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 4754 tot en met 13 _ 4757
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is strafrechtelijk veroordeeld wegens oplichting, verduistering, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. Hierbij is eiser tevens veroordeeld bedragen aan de benadeelde partijen te betalen. Naar aanleiding van dit vonnis zijn eiser (navorderings)aanslagen ib/pvv en boetes opgelegd.

Het strafvonnis is een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De door eiser gestelde door hem gemaakte kosten zijn aftrekbaar noch aannemelijk gemaakt. Behoudens een door verweerder in beroep toegezegde verlaging van het inkomen over 2007 zijn de door verweerder (bij navordering) vastgestelde inkomens niet te hoog vastgesteld. Eiser kan geen voorziening vormen wegens een civiele terugbetalingsverplichting;

De wegens het opzettelijk onjuist aangifte doen opgelegde boetes worden uitsluitend verminderd wegens de financiële omstandigheden van eiser en niet vanwege een pleitbaar standpunt of overschrijding van de redelijke termijn. Geen recht op immateriele schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-10-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2371
V-N Vandaag 2014/2012

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers: HAA 13/4754 tot en met HAA 13/4757

Uitspraakdatum: 26 september 2014

Uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen

[X] , wonende te[Z], eiser,

gemachtigde: mr. P.A. Caljé,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van de gedingen

1.1.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 139.667. Daarnaast is een boete opgelegd ten bedrage van € 27.220. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 10.909 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2013 de navorderingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boete gehandhaafd.

1.2.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 405.512. Daarnaast is een boete opgelegd ten bedrage van € 97.358. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 40.736 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2013 de navorderingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boete gehandhaafd.

1.3.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 304.046 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 72. Daarnaast is een boete opgelegd ten bedrage van € 73.915. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 18.062 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2013 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 294.857 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 72, de beschikking heffingsrente verminderd tot € 15.919 en de boete verminderd tot € 71.539.

1.4.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag bijdrage zorgverzekeringswet (zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 9.000. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van € 33 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.4.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2013 het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

1.5.

Eiser heeft tegen voornoemde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2005 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer HAA 13/4754, het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2006 onder nummer HAA 13/4755, het beroep tegen de aanslag ib/pvv 2007 onder nummer HAA 13/4756 en het beroep tegen de aanslag bijdrage zvw 2008 onder nummer HAA 13/4757.

1.6.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft voor alle zaken gezamenlijk plaatsgevonden op 30 juni 2014. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. drs. H.B. van Houten-Bücker, F.H.M. van Hooff en mr. W.C. van der Wel.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.1.

Eiser is door de Rechtbank Amsterdam bij vonnis van 23 juni 2009, parketnummer [#1], strafrechtelijk veroordeeld wegens oplichting, verduistering, valsheid in geschrift (al deze delicten meermalen gepleegd) en gewoontewitwassen. In het vonnis is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

”(…)

3.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

in de periode van 1 januari 2005 tot en met 14 maart 2008 te [A] en/of[Z] en/of[B] en/of[C], telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen, onder meer [D] en [E] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten:

a. een geldbedrag van in totaal 409.165,01 euro, zijnde 58 huurbedragen voor het pand aan de[F] te [A], in de periode van 5 oktober 2005 tot en met 7 september 2007 en

b. een geldbedrag van in totaal 16.566,53 euro, zijnde 4 geldbedragen betreffende belastinggelden, te weten

- een geldbedrag van 3.906,53 euro op 22 november 2005 en

- een geldbedrag van 6.545,-- euro op 9 september 2006 en

- een geldbedrag van 1.281,-- euro op 22 september 2006 en

- een geldbedrag van 4.834,-- euro op 29 september 2006 en

c. een geldbedrag van in totaal 72.000,-- euro, zijnde 4 geldbedragen van 18.000,-- euro betreffende de oprichting van een besloten vennootschap genaamd ‘[G]’, te weten op

- 22 november 2005 en

- 1 februari 2006 en

- 14 maart 2006 en

- 4 april 2006 en

d. een geldbedrag van in totaal 70.000,-- euro, zijnde voorschotbetalingen in rekening-courant van [E] met de omschrijvingen ‘dossier [D] [#2]’, te weten

- een geldbedrag van 15.000,-- euro op 2 augustus 2006 en

- een geldbedrag van 25.000,-- euro op 29 september 2006 en

- een geldbedrag van 30.000,-- euro op 1 november 2006,

hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid onder meer

- zich voorgedaan als advocaat en/of juridisch adviseur en

- zich in correspondentie voorgedaan als [X1]” en/of “[X2]” en

- die [D] voorgewend dat hij de juridische belangen van [D] zou gaan behartigen en

- die [D] aangeboden haar betalingsverkeer te regelen en/of betalingen voor en/of namens haar te verrichten en

- een bankrekening met rekeningnummer [X2] geopend ogenschijnlijk op naam van ‘[X2].’ en

- ( onder andere) die [D] en [E] voorgewend dat deze bankrekening een derdengeldenrekening van notaris[H] te[B] betrof en

ad a

- die [D] voorgewend dat de door haar te betalen huurbedragen voor het pand aan de [F] te [A] (in overleg met de verhuurder) op voornoemde bankrekening met nummer [X2] gestort dienden te worden en dat verdachte deze betalingen zou voldoen aan de verhuurder en/of

- voornoemde huurbedragen van de bankrekening met rekeningnummer [#4] op naam van die [D] op voornoemde bankrekening met rekeningnummer [X2] gestort en

ad b

  • -

    die [D] voorgewend dat de door haar ontvangen belastinggelden op voornoemde bankrekening met nummer [X2] gestort dienden te worden en

  • -

    voornoemde geldbedragen van de bankrekening met rekeningnummer [#4] op naam van die [D] op voornoemde bankrekening met rekeningnummer [X2] gestort en

ad c

  • -

    die [D] voorgewend dat zij voornoemde bedragen diende te voldoen ten behoeve van de omzetting van haar eenmanszaak naar een besloten vennootschap en/of

  • -

    voornoemde geldbedragen van de bankrekening met rekeningnummer [#4] op naam van die [D] op voornoemde bankrekening met rekeningnummer [X2] gestort en

ad d

  • -

    zich voorgedaan als advocaat en/of juridisch adviseur en

  • -

    zich in correspondentie voorgedaan als [X1]” en/of “[X2]” en

  • -

    die [D] aangeboden haar betalingsverkeer te regelen en/of betalingen voor en/of namens haar te verrichten en

  • -

    de tenaamstelling en/of de adressering van bankrekening met rekeningnummer[#5] gewijzigd en

  • -

    die [D] en/of [E] voorgewend dat deze bankrekening met nummer[#5] een derdengeldrekening van verdachte betrof met als tenaamstelling [X1] derdengelden en

  • -

    [E] verzocht de te betalen voorschotten in rekening-courant ten behoeve van [H] op voornoemde bankrekening met rekeningnummer[#5] te laten storten en

  • -

    die [D] en [E] voorgewend dat verdachte deze geldbedragen zou voldoen aan die [D] (zijnde de wettelijke vertegenwoordiger van voornoemde [H])

waardoor voornoemde [D] en/of [E] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

in de periode van 1 mei 2006 tot en met 14 maart 2008 te [A] en/of[Z] en/of[B] en/of[C], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen, onder meer

-[I] BV en[I] heeft bewogen tot de afgifte van een [K] en een[I][L] op naam van verdachte en/of [D] en/of[H] en

- [I] BV en/of[I] en/of[M] en/of andere bedrijven (onder meer vliegmaatschappij [N]) en/of personen heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten een totaalbedrag van 63.572,20 euro,

heeft hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid

  • -

    zich aan die [I] BV en/of[I] en/of[M] voorgedaan als zijnde [D] en/of[H], en/of

  • -

    zich bij aankopen/transacties met die [K] en/of die[I] Card en/of[M] Card aan die [I] BV en/of[I] en/of[M] en/of die bedrijven (onder meer vliegmaatschappij [N]) en/of personen voorgedaan als zijnde de rechtmatige houder van die [K] en/of die[I] Card en/of[M] Card,

waardoor die [I] BV en/of[I] en/of[M] en/of die bedrijven (onder meer vliegmaatschappij [N]) en/of die personen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

in de periode van 1 december 2006 tot en met 14 maart 2008 te [A] en/of[Z] en/of[C], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, onder meer [H] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 90.813,44 euro, zijnde een hypothecair overschot, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (onder meer)

- zich voorgedaan als advocaat en/of juridisch adviseur van [D] en

- die[H] voorgewend dat de bankrekening met rekeningnummer [X2] een derdengeldenrekening op naam van verdachte betrof en

  • -

    die[H] een betalingsopdracht op naam van die [D] d.d. 13 december 2006 verstrekt en

  • -

    die[H] aldus voorgewend dat het aan die [D] te retourneren bedrag van 90.813,44 euro met instemming van die [D] op voornoemde bankrekening met nummer [X2] gestort diende te worden waardoor voornoemde[H] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 2 januari 2008 te [A] en/of[Z], opzettelijk telkens

a. een geldbedrag van in totaal 38.657,25 euro, zijnde twee betalingen betreffende de verkoopsom van websites aan [qq] BV, te weten

- een geldbedrag van 17.500,-- euro, ontvangen op 27 september 2007 en

- een geldbedrag van 21.157,25 euro, ontvangen op 5 oktober 2007 en

b. een geldbedrag van 10.000,-- euro, ontvangen op 10 april 2007, zijnde de verkoopsom afkomstig van [O] B.V. voor vergunningen aan [Q] B.V.,

geheel of ten dele toebehorende aan[R], welke geldbedragen verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van (juridisch) adviseur van voornoemde [R], wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

in de periode van 1 januari 2005 tot en met 17 augustus 2005 te [A] en/of[Z] en/of[B] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen onder meer [S] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten in totaal ongeveer 18.637,81 euro, zijnde 13 betalingen van ziektegelduitkeringen, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid onder meer

- zich voorgedaan als advocaat en/of juridisch) adviseur en

- die[S] voorgewend dat de bankrekening met rekeningnummer [#5] een derdengeldrekening betrof en

- die[S] voorgewend dat hij de juridische belangen van[S] zou gaan behartigen en

- die[S] voorgewend dat de door[S] ontvangen ziektegelduitkeringen op voornoemde bankrekening met nummer [#5] gestort dienden te worden omdat[S] in het conflict met zijn werkgever sterker zou staan als hij deze ziektegelduitkeringen niet voor gebruik zou aanwenden en

- die[S] voorgewend dat de boekhouder van verdachte de administratie van deze ziektegelduitkeringen bijhield;

waardoor voornoemde[S] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(…)

ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde;

op tijdstippen in de periode van 19 juli 2007 tot en met 15 januari 2008 te [A] en/of[Z] en/of[C], opzettelijk

a. een bedrag van 15.000,-- (ontvangen op 9 augustus 2007) en

b. een bedrag van 15.000,-- (ontvangen op 13 december 2007 en

c. een bedrag van 9.000,-- (ontvangen op 15 januari 2008)

afkomstig van bankrekeningnummer [#6], welke geldbedragen geheel toebehoorden aan [T], welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als tekenbevoegde van voornoemde bankrekening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde:

in de periode van 14 maart 2005 tot en met 14 maart 2008 te [A] en/of[Z] en/of[B] en/of [U] en/of [V]. met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, onder meer[W] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten

- een bedrag van 750,-- euro op 16 maart 2005 en

- een bedrag van 1.084,84 euro op 3 juni 2005 en

- een bedrag van 10.000,-- euro op 22 juli 2005, zijnde een voorschot op een ontslagvergoeding afkomstig van [Y] en

- een bedrag van 2.947,22 euro op 14 september 2005 en

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- zich voorgedaan als advocaat of (juridisch) adviseur en

- zich in correspondentie voorgedaan als “[X2]” en

- die [W] voorgewend dat hij de juridische belangen van [W] zou gaan behartigen en

- die [W] voorgewend dat de bankrekening met rekeningnummer [#5] een derdengeldrekening betrof en

- die [W] verzocht ten behoeve van de te voeren procedure een of meer (voorschot)betalingen over te maken op voornoemde bankrekening met nummer [#5] en

- die [W] (onder meer) via e-mails voorgewend dat de procedure waarin verdachte die [W] zou bijstaan nog steeds loopt en/of er nog geen uitspraak in de procedure is gedaan

waardoor voornoemde [W] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde:

in de periode van 30 augustus 2005 tot en met 28 november 2007 te [A] en/of[Z] en/of[B] geschriften, te weten (onder meer)

a. doktersbrieven op naam van [S], gedateerd op 18 maart 2007 en gericht aan ‘belanghebbenden’ en 25 maart 2007;

b. een verzoek om uitstel op naam van [aa], gedateerd op 25 maart 2007 en gericht aan de sector kanton van de Rechtbank Den Haag en

c. een brief op naam van [aa], gedateerd 30 augustus 2005 en gericht aan de sector kanton van de Rechtbank Amsterdam;

d. een betalingsopdracht (mede) op naam van [D], gedateerd op 13 december 2006 en gericht aan notaris[H] en

e. 43 facturen gericht aan [D], gedateerd in de periode van 4 juni 2004 tot en met 6 december 2007;

f. e-mailberichten op naam van [aa], afkomstig van het e-mailadres [bb] in de periode van 15 januari 2007 tot en met 26 november 2007;

g. een e-mailbericht op naam van[cc], afkomstig van het e-mailadres[dd].de gedateerd 26 november 2007 en een brief op naam van [ee] — ogenschijnlijk werkzaam bij de [ff 1] bank — gedateerd 28 november 2007,

zijnde geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen — valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft hij. verdachte, in strijd met de waarheid

ad. a.

in naam van voornoemde[S] een diagnose gesteld met betrekking tot een patiënt genaamd [aa] en in naam van die[S] een handtekening op die brieven geplaatst en

ad. b.

in naam van voornoemde [aa] wegens ziekte om uitstel van behandeling van een kantonzitting d.d. 26 maart 2007 gevraagd en op naam van die [aa] een handtekening op dat verzoek geplaatst en

ad. c.

in naam van voornoemde [aa] akkoord gegaan met uitstel van de behandeling van een zitting betreffende ‘[gg]/[hh]’ en in het briefhoofd van die brief vermeld dat [aa] en verdachte een samenwerkingsverband hebben en in naam van die [aa] een handtekening op die brief geplaatst en

ad. d.

in naam van voornoemde [D] een betalingsopdracht gemaakt voor een bedrag van € 90.813,44 op een bankrekeningnummer [X2] ten name van verdachte en in naam van die [D] een handtekening op die brief geplaatst en

ad. e.

doen voorkomen dat hij, verdachte, werk voor voornoemde [D] heeft verricht en op voornoemde facturen BTW in rekening gebracht, terwijl hij, verdachte, niet beschikt over een BTW identificatienummer en/of niet is ingeschreven bij een Kamer van Koophandel en

ad. f.

in naam van voornoemde [aa] e-mails verstuurd aan [D] en [ii] en daarmee gesuggereerd dat voornoemde [aa] een zakelijk samenwerkingsverband heeft met verdachte;

ad. g.

in naam van voornoemde [cc] en[ee] een e-mailbericht en een brief verstuurd, waardoor telkens werd gesuggereerd dat op een bankrekening bij [ff 1] bank betalingen zouden zijn verricht ten behoeve van [D];

zulks met het oogmerk om die doktersbrieven en dat verzoek en betalingsopdracht en volmacht en facturen en e-mails als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 10 tenlastegelegde:

in de periode van 4 maart 2004 tot en met 14 maart 2008, te [A] en/of[Z] en/of[B] en/of[C], van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, voorwerpen,

(…)

C. geldbedragen afkomstig van [D] en/of [H] en/of [E], te weten

- een geldbedrag van in totaal 409.165,01 euro ontvangen op bankrekeningnummer [X2], zijnde 58 huurbetalingen voor het pand aan de[F] te [A] in de periode van 5 oktober 2005 tot en met 7 september 2007 en

- een geldbedrag van in totaal 16.566,53 euro ontvangen op bankrekeningnummer [X2], zijnde 4 betalingen betreffende belastinggelden, te weten een geldbedrag van 3.906,53 euro op 22 november 2005 en een geldbedrag van 6.545,-- euro op 19 september 2006 en een geldbedrag van 1.281,-- euro op 22 september 2006 en een geldbedrag van 4.834,-- euro op 29 september 2006 en

- een geldbedrag van in totaal 72.000,-- euro ontvangen op bankrekeningnummer [X2], zijnde 4 betalingen van 18.000,-- euro betreffende de oprichting van een besloten vennootschap genaamd ‘[G]’, te weten op 22 november 2005 en 1 februari 2006 en 14 maart 2006 en 4 april 2006 en

- een geldbedrag van in totaal 70.000,-- euro ontvangen op bankrekeningnummer[#5], zijnde voorschotbetalingen in rekening-courant van [E] met de omschrijvingen ‘dossier [D] [#2]’, te weten een geldbedrag van 15.000,-- op 2 augustus 2006 en een geldbedrag van 25.000,-- euro op 29 september 2006 en een geldbedrag van 30.000,-- euro op 1 november 2006 en

- een geldbedrag van 90.813,44 euro ontvangen op bankrekeningnummer [X2] op 14 december 2006, zijnde een hypothecair overschot, en

voor een totaalbedrag van ongeveer 658.544,94 euro en

D. geldbedragen betreffende[R], te weten

- een geldbedrag van in totaal 38.657,25 euro ontvangen op bankrekeningnummer [X2], zijnde twee betalingen betreffende de verkoopsom van een of meer websites, te weten een geldbedrag van 17.500,-- euro op 27 september 2007 en een geldbedrag van 21.157,25 euro op 5 oktober 2007 en

- een geldbedrag van 10.000,-- euro ontvangen op bankrekeningnummer [X2] op 10 april 2007, zijnde de verkoopsom voor vergunningen aan [Q] B.V. afkomstig van [O] B.V.,

in elk geval voor een totaalbedrag van 48.657,25 euro, en

E. geldbedragen betreffende [T], te weten

- een geldbedrag van 15.000,-- euro ontvangen op bankrekeningnummer[#5] op 9 augustus 2007 en

  • -

    een geldbedrag van 15.000,-- euro ontvangen op bankrekeningnummer[#5] op 13 december 2007 en

  • -

    een geldbedrag van 9.000,-- euro ontvangen op bankrekeningnummer[#5] op 15 januari 2008, voor een totaalbedrag van 39.000,-- euro en

F. geldbedragen afkomstig van [S], te weten

- geldbedragen, zijnde 13 betalingen van ziektegelduitkeringen, van 3.050,23 euro en/of 3.369,88 euro en/of (telkens) 1.685,20 euro en/of 421,30 euro en/of 842,60 euro en/of 2.527,80 euro ontvangen op bankrekeningnummer[#5] in de periode van 23 februari 2005 tot en met 17 augustus 2005, voor een totaalbedrag van 18.637,81 euro, en

G geldbedragen afkomstig van [ii], te weten

- geldbedragen van 500,-- euro en/of 595,-- euro en/of 324,78 euro ontvangen op bankrekeningnummer[#5] in de periode van 4 maart 2004 tot en met 24 december 2004, voor een totaalbedrag van 5.109,78 euro, en

H. geldbedragen afkomstig van[W], te weten geldbedragen van 750,-- euro en 1.084,34 euro en 10.000,-- euro en 2.947,22 euro ontvangen op bankrekeningnummer[#5] in de periode van 16 maart 2005 tot en met 14 september 2005. voor een totaalbedrag van 14.782,06 euro,

verworven en/of voorhanden gehad, zulks terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen en/of geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.

(…)

4 Het bewijs

(…)

4.1.

Algemeen

(…)

Verdachte ontkent dat hij zich tegenover derden heeft uitgegeven als advocaat, maar tegenover deze ontkenning staan de verklaringen van [D], [ii], [W] en[jj] dat verdachte zich voordeed als zijnde advocaat. De rechtbank hecht meer waarde aan deze verklaringen dan aan die van verdachte op dit punt. Zo past het voeten van een derdengeldenrekening” door verdachte in dit plaatje, aangezien een derdengeldenrekening een rekening is die over het algemeen door advocaten, notarissen of gerechtsdeurwaarders wordt gebruikt om gelden die door derden worden gestort ten behoeve van klanten gescheiden te houden van de eigen bedrijfsgelden. De gelden die derden op de “derdengeldenrekening” van verdachte (lieten) stort(t)en werden echter door verdachte niet doorgestort naar zijn klanten maar door hem zelf besteed.

De verdediging heeft met betrekking tot een aantal van de tenlastegelegde feiten aangevoerd dat cliënten ermee instemden dat verdachte de op zijn (derden)rekening gestorte bedragen met openstaande declaraties verrekende. In het dossier bevinden zich geen aanwijzingen die de verklaring van verdachte ondersteunen. Integendeel; alle aangevers zeggen te zijn opgelicht door verdachte en zijn praktijken. De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting dan ook niet aannemelijk dat sprake is van verrekening van openstaande declaraties zoals verdachte heeft verklaard. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat declaraties van juridische werkzaamheden nooit op deze wijze plegen plaats te vinden.

(…)

4.2.

Voor wat betreft de afzonderlijke feiten overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zijn werkzaamheden voor [D] op reguliere wijze heeft verricht en dat van oplichting geen sprake is. De 58 huurbetalingen “[F]” die [D] op zijn bankrekening met nummer [X2] heeft overgemaakt dienden ter voldoening van facturen voor de door hem verrichte werkzaamheden. Volgens verdachte is ongeloofwaardig, hetgeen [D] verklaart, dat hij drieënhalf jaar lang gratis werkzaamheden voor haar zou hebben verricht en dat hij op basis van “no cure no pay” zou werken. Volgens verdachte heeft hij regelmatig declaraties naar [D] verstuurd, maar werden deze niet (tijdig) betaald. Uiteindelijk zijn verdachte en [D] overeengekomen dat [D] het geld dat eigenlijk bestemd zou moeten zijn voor de betaling van de huur van haar winkel, aan verdachte zou overmaken omdat zij toch geen huur wilde betalen aan de[kk]. De declaraties werden volgens verdachte bewaard in een aparte map, welke niet meer is aangetroffen bij de inbeslaggenomen goederen en welke map mogelijk is verdwenen na het bezoek van [ll] en anderen in zijn woning tussen 13 en 14 december 2007. Nu [D] aangifte tegen hem heeft gedaan, is het verdachte duidelijk geworden dat [D] hem heeft misbruikt.

De rechtbank verwerpt dit betoog. Tegenover de verklaring van verdachte staat de verklaring van aangeefster [D], die inhoudt dat er naar aanleiding van overleg tussen[jj] en verdachte afspraken zijn gemaakt over de betaling door [D] van achterstallige huurpenningen betreffende haar winkelpand aan de [F]. Als onderdeel van deze afspraken zou [D] de (achterstallige) huurbetalingen vanaf 2002 via de derdengeldenrekening van[H] Notarissen overmaken op rekeningnummer [X2] onder vermelding van [H]. In totaal is door verdachte namens [D] op deze manier middels 58 betalingen een bedrag van € 409.165,01 overgemaakt. De rechtbank hecht meer waarde aan de verklaring van aangeefster dan aan de verklaringen van verdachte. Haar verklaring wordt immers ondersteund door de verklaringen van [ll], [aa] en [mm].

Zo bevestigt [ll] de verklaring van [D], dat verdachte ten overstaan van anderen op 12 december 2007 heeft bekend dat hij genoemde betalingen heeft verricht als zogenaamde huurbetalingen naar de rekening van[H] Not, maar feitelijk naar zijn eigen rekening. Hij zou daarbij hebben verklaard dat hij het geld voor zijn persoonlijk gerief heeft uitgegeven.

Ook [mm], de partner van verdachte, heeft ten overstaan van de politie verklaard dat verdachte heeft toegegeven dat de rekening waarop betalingen ten bate van notaris[H] zijn overgemaakt, geen rekening van[H] was.

[aa] heeft aangegeven dat verdachte tijdens deze bijeenkomst heeft gezegd dat alle hem getoonde stukken vals waren en dat er maar één niet-gemanipuleerd stuk was.

Door geen van de getuigen is melding gemaakt van het thans door verdachte gevoerde verweer, dat [D] de betalingen op deze manier heeft verricht om zo onder de betalingen aan de[kk] uit te komen en de facturen van verdachte te kunnen betalen.

Door verdachte zijn ter onderbouwing van zijn stelling dat tegenover de betalingen door [D] door hem opgestelde facturen stonden, in de civiele procedure een aantal facturen overgelegd die hij in de loop der jaren aan [D] zou hebben gestuurd. De rechtbank zet echter vraagtekens bij de echtheid van deze facturen, nu het op dit punt nader verrichte onderzoek van de politie heeft uitgewezen dat niet onaannemelijk is dat deze facturen achteraf door verdachte zijn opgesteld. Zo wordt in deze facturen geen rekening gehouden met de door [D] betaalde huurpenningen, terwijl — uitgaande van het verhaal van verdachte hieromtrent — dit wel het geval had moeten zijn. Ook blijkt uit politieonderzoek dat de door verdachte in de civiele procedure overgelegde facturen in de periode waarop deze betrekking zouden hebben, wat betreft lay-out en inhoud, nauwelijks wijzigingen bevatten, terwijl uit de administratie van verdachte is gebleken dat de correspondentie waarvan vaststaat dat verdachte deze in die periode heeft gestuurd, regelmatig werd gewijzigd qua lay-out en inhoud (wijziging van telefoonnummer, adres, postbusnummer, etcetera). Daar komt bij dat op de in beslaggenomen administratie van verdachte, waaronder zijn computers, deze facturen of een urenregistratie die ziet op deze werkzaamheden, niet zijn aangetroffen.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat in het verhaal van verdachte niet, en in dat van [D] wel, past dat bij de overgemaakte huurbedragen steeds is vermeld “[X2]”. Verdachte heeft voor deze vermelding geen andere verklaring gegeven dan dat [D] hem zou hebben gebruikt om zijn facturen te betalen middels fictieve huurpenningen. De rechtbank hecht aan deze verklaring geen waarde, mede in het licht van de eerder vastgestelde feiten van het voeren van een valse titel door verdachte en het valselijk hanteren van een “derdengeldenrekening”.

Hetzelfde geldt voor de verklaringen van verdachte ten aanzien van de op zijn rekening ontvangen belastinggelden, het geldbedrag van € 72.000,-- inzake de oprichting van [G] en de voorschotbetaling in rekening-courant van € 70.000,-- van[E], zoals onder b, c en d van feit 1 tenlastegelegd. Ook in deze gevallen acht de rechtbank bewezen dat de gelden onder valse voorwendselen en met gebruikmaking van de hiervoor genoemde oplichtingsmiddelen door verdachte op zijn rekening zijn terechtgekomen. Al hoewel niet in alle gevallen meer is vast te stellen op welke wijze deze bedragen op de rekening van verdachte zijn terechtgekomen, knoopt de rechtbank voor de bewezenverklaring van deze feiten aan bij de aangifte van [D], waaruit blijkt dat de gestorte bedragen door verdachte niet zijn aangewend voor de bestemming waartoe deze dienden, maar door hem persoonlijk zijn besteed, alsmede bij de getuigenverklaringen als hiervoor genoemd. Voor zover, zoals de verdediging stelt, [D] voor deze betalingen opdracht heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat zij dit onder valse voorwendselen heeft gedaan, het betrof immers geen derdengeldrekening en verdachte was geen advocaat of meester in de rechten, zodat van oplichting sprake is.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte zonder toestemming van [D] gebruik heeft gemaakt van haar creditcards dan wel creditcardnummers. De rechtbank acht evenwel dat het dossier wettig bewijs bevat voor de bewezenverklaring van dit feit en hecht dan ook meer waarde aan de verklaring van [D] omtrent de creditcard-uitgaven, dan aan die van verdachte. Zo heeft verdachte verklaard dat hij de — zakelijke — reizen in opdracht van [D] maakte, terwijl deze meestal in het weekend plaatsvonden. Wat dan het zakelijk doel was van deze reizen heeft verdachte ter zitting niet aannemelijk gemaakt. Ook is gebleken dat in ieder gevat tweemaal vanaf de laptop van verdachte een creditcardbetaling met een [nn] op naam van [D] en [H] is gedaan door [oo].

Ten aanzien van feit 3

De verdediging stelt zich op het standpunt dat [D] zelf toestemming heeft gegeven voor de overboeking van het bedrag van € 90.813,44 van de rekening van notaris[H] naar die van verdachte. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, voor zover [D] hiervoor toestemming zou hebben gegeven, zij dit heeft gedaan onder valse voorwendselen en niet met de bedoeling om, zoals de verdediging veronderstelt, de declaraties van verdachte te betalen. Zo is het geld overgemaakt naar de zogenaamde derdengeldenrekening van verdachte. Bovendien wordt het betoog van aangeefster [D], dat verdachte haar heeft medegedeeld dat dit bedrag door hem naar haar Duitse bankrekening zou worden overgeboekt, bevestigd door andere bewijsmiddelen. zoals het onderzoek door de politie naar correspondentie die in dit verband met de [ff 1] Bank zou zijn gevoerd en waarvan bewezen is verklaard dat deze vals is.

Ten aanzien van feit 4

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken. Verdachte was met [R] overeengekomen dat hij de door [qq] BV op zijn rekening gestorte bedragen mocht verrekenen met de openstaande declaraties voor verrichte diensten voor [R]. Verdachte heeft [R] diverse declaraties toegestuurd, die hij in een aparte map heeft bewaard. Deze map is door [ll] en [D] meegenomen op 13 december 2007 en niet overgedragen aan de politie. Omdat de computer door de politie kapot is geretourneerd, is het thans onmogelijk de facturen aan [R] uit[rr] uit te printen.

Het bedrag van 10.000,-- euro afkomstig van [O] BV is in overleg met [R] doorgestort naar de rekening van[ss].

De rechtbank verwerpt dit betoog.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij met [R] zou hebben afgesproken dat op deze wijze zijn declaraties zouden worden voldaan, niet aannemelijk.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat is overeengekomen dat de 10.000,-- euro afkomstig van de rekening van [O] BV (in delen) naar [ss] zou worden overgeboekt.

De rechtbank hecht geen waarde aan de verklaring van verdachte met betrekking tot zijn computer en een meegenomen map. Niet is gebleken dat dit de computer van verdachte betreft waarop hij zijn cliëntenadministratie bewaarde. De politie heeft bij onderzoek aan de computer geen declaraties betreffende [R] aangetroffen. Voorts bevreemdt het de rechtbank dat het blijkbaar wel mogelijk is gebleken een dossierlijst uit het[rr] programma te printen. De rechtbank hecht meer waarde aan het verhaal van [R], die steeds consistent heeft verklaard en ook ter zitting, als getuige gehoord, overtuigend bij zijn verklaringen is gebleven.

Ten aanzien van feit 5

De raadsvrouw heeft om vrijspraak verzocht van het onder 5 tenlastegelegde en hiertoe aangevoerd dat verdachte als juridisch adviseur werkzaamheden heeft verricht voor[S]. De bedragen die verdachte heeft ontvangen van[S] mocht hij verrekenen met de openstaande declaraties. Het bestanddeel “wederrechtelijk” kan niet bewezen worden verklaard. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag niet klopt.[S] heeft bij de politie verklaard dat hij in totaal een bedrag van 7.200,-- euro heeft terugontvangen van verdachte.

Ook hier geldt dat de rechtbank bewezen acht dat de betreffende gelden door middel van de reeds genoemde oplichtingsmiddelen op de rekening van verdachte terecht zijn gekomen. Het verweer van de verdediging dat van wederrechtelijkheid geen sprake is, strandt reeds hierom. Voor de bewezenverklaring van dit feit doet dan ook niet ter zake of door verdachte vervolgens, zoals hij stelt, een deel van dit bedrag is terugbetaald door verdachte aan aangever.

(…)

Ten aanzien van feit 7

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 7 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Het bestanddeel “het zich wederrechtelijk toe-eigenen” kan niet bewezen worden verklaard. Verdachte was gemachtigd over de bankrekening zodat hij het geld zich niet wederrechtelijk kan hebben toegeëigend. Bovendien heeft zijn vader het geld op deze rekening aan verdachte nagelaten en kwam het geld verdachte rechtmatig toe, aldus verdachte (ter terechtzitting).

Verdachte ontkent op enigerlei wijze zijn moeder te hebben opgelicht dan wel haar geld te hebben verduisterd. De gelden op de betreffende bankrekening betroffen gelden die voor hem — bij leven van zijn vader — met uitsluiting van zijn zuster voor hem waren bestemd en waarover hij mocht beschikken. De aangifte van zijn moeder tegen hem is onder druk en dwang van de politie afgelegd en is onjuist, hetgeen zij later ook heeft verklaard.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Omtrent de inhoud van de verklaringen van verdachtes moeder en de manier waarop deze tot stand zijn gekomen bestaat bij de rechtbank geen twijfel. Hetgeen aangeefster heeft verklaard is juist. Het is voorstelbaar dat aangeefster daar later— gelet op de familierelatie — op is teruggekomen. Dat doet aan het waarheidsgehalte van haar eerdere verklaringen niet af.

Ten aanzien van feit 8

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken. Verdachte en [W] hebben een dienstverleningsovereenkomst gesloten. Er is tussen hen overeenstemming bereikt over het maandelijks factureren en de hoogte van het uurloon. Verdachte heeft daadwerkelijk werkzaamheden voor [W] verricht. Dat [W] zelf geconcludeerd heeft dat verdachte advocaat was, maar zich niet weet te herinneren of verdachte zich ook letterlijk als advocaat heeft gepresenteerd, is onvoldoende voor een bewezenverklaring hiervan.

De rechtbank verwerpt dit verweer en acht — gelet op het hiervoorgaande — bewezen dat verdachte [W] middels oplichtingshandelingen heeft bewogen tot het (laten) overmaken van geld op zijn — beweerdelijke — derdengeldenrekening.

Ten aanzien van 9

Ten aanzien van de onder a en b tenlastegelegde briefjes refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Van het overige dient verdachte volgens haar te worden vrijgesproken. Verdachte ontkent het onder c tenlastegelegde briefje te hebben ondertekend en de getuigenverklaring van [aa] is onvoldoende om verdachte hiervoor te veroordelen. Ten aanzien van d heeft zij aangevoerd dat [D] bij de gehouden comparitie in de civiele zaak heeft verklaard dat zij zich kan herinneren haar handtekening onder dit stuk te hebben gezet. Ten aanzien van de declaraties onder e heeft de raadsvrouw gesteld dat een niet oplopende nummering niet wil zeggen dat de declaraties vals zijn en dat te weerleggen valt dat verdachte maar één cliënt had omdat de politie drie bakken vol met foliomappen van andere cliënten in beslag heeft genomen. Daarnaast zijn alle administratie, dossiers en computers van cliënt in beslag genomen en vraagt de verdediging zich af hoe verdachte deze declaraties achteraf zou moeten hebben opgemaakt.

Ten aanzien van f heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het enkele feit dat het e-mailadres van [aa] is aangetroffen bij het uitlezen van de computer van verdachte, niet wil zeggen dat verdachte degene is geweest die de tenlastegelegde e-mails heeft verzonden. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat [aa] de e-mails heeft verzonden. Ten aanzien van hetgeen onder g ten laste is gelegd bestaat volgens de raadsvrouw onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte deze e-mails heeft verzonden naar [D]. Het enkele feit dat vlak daarna de mail is doorgestuurd naar een e-mailadres van verdachte zelf is in haar ogen onvoldoende.

De rechtbank verwerpt dit verweer en verwijst naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 10

In verband met hetgeen de raadsvrouw hierboven heeft aangevoerd is de raadsvrouw van mening dat verdachte ook voor dit feit dient te worden vrijgesproken omdat het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf’ niet bewezen kan worden verklaard.

Nu verdachte voor alle aan hem tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld, kan de rechtbank volstaan dat dit al de verwerping van het verweer draagt.”

2.1.2.

Rechtbank Amsterdam heeft eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [D] (hierna: [D]) en [W] (hierna: [W]) voor respectievelijk € 705.550,65 en € 15.152 toegewezen en eiser veroordeeld deze bedragen aan de benadeelde partijen te betalen.

2.2.

Zowel het tegen het vonnis ingestelde hoger beroep als het daartegen ingestelde cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard, zodat genoemde veroordeling onherroepelijk vaststaat.

2.3.

In verband met de veroordeling is op 9 juni 2011 een ontnemingsvordering tegen eiser ingesteld.

2.4.

Verweerder heeft door oplichting en verduistering verkregen inkomsten bij eiser in de heffing van ib/pvv betrokken als resultaat uit overige werkzaamheden in de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008.

2005

2.5.1.

Eiser heeft aangifte ib/pvv 2005 gedaan naar een verzamelinkomen van nihil en ingehouden loonheffing ten bedrage van € 9.816.

2.5.2.

Met dagtekening 9 februari 2007 is aan eiser de primitieve aanslag ib/pvv 2005 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen van

€ 30.975, zijnde een uitkering van het UWV. Daarbij is rekening gehouden met ingehouden loonheffing ten bedrage van € 9.816.

2.5.3.

Naar aanleiding van het onder 2.1.1 genoemde strafvonnis is met dagtekening 31 december 2010 ter zake van met de bewezenverklaarde feiten behaalde voordelen, een navorderingsaanslag ib/pvv 2005 opgelegd. Hierbij is een bedrag van € 108.692 in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden. In de navorderingsaanslag is het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen vastgesteld op een bedrag van € 139.667. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van 50%.

2006

2.6.1.

Eiser heeft aangifte ib/pvv 2006 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 25.952 (uitkering UWV).

2.6.2.

Met dagtekening 5 maart 2008 is aan eiser de primitieve aanslag ib/pvv 2006 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen van € 25.952.

2.6.3.

Naar aanleiding van het onder 2.1.1 genoemde strafvonnis is met dagtekening 31 december 2011 ter zake van met de bewezenverklaarde strafbare feiten behaalde voordelen, een navorderingsaanslag ib/pvv 2006 opgelegd. Hierbij is een bedrag van € 379.560 in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden. In de navorderingsaanslag is het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen vastgesteld op een bedrag van € 405.512. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van 50%.

2007

2.7.1.

Eiser heeft op 15 september 2009 aangifte ib/pvv 2007 gedaan naar een verzamelinkomen van € 72. Het aangegeven inkomen bestaat enkel uit inkomen uit sparen en beleggen. Op 14 april 2010 heeft eiser opnieuw een aangifte ingediend naar een verzamelinkomen van -/- € 2.706 in verband met aftrekbare hypotheekrente van de eigen woning.

2.7.2.

Naar aanleiding van het onder 2.1.1 genoemde strafvonnis heeft verweerder bij brief aan eiser van 7 april 2010 aangekondigd dat met de bewezenverklaarde strafbare feiten behaalde voordelen, bij het opleggen van de definitieve aanslag ib/pvv 2007 in aanmerking zullen worden genomen.

2.7.3.

Met dagtekening 21 mei 2010 is de definitieve aanslag ib/pvv 2007 opgelegd. Hierbij is ter zake van met de bewezenverklaarde strafbare feiten behaalde voordelen, een bedrag van € 304.046 in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden. Het verzamelinkomen is hierbij vastgesteld op een bedrag van € 304.118. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van 50%.

2.7.4.

Verweerder heeft na bezwaar de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 294.857 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 72, en de beschikking heffingsrente en de boete van 50% dienovereenkomstig verminderd.

2.7.5.

Verweerder heeft na het instellen van het beroep de aanslag verder verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 282.087 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 72. De heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 15.180 en de boete van 50% is dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 68.216.

2008

2.8.1.

Eiser heeft op 26 maart 2010 aangifte ib/pvv en premie zvw gedaan naar een verzamelinkomen van -/- € 6.908.

2.8.2.

Met dagtekening 2 december 2011 is de definitieve aanslag premie zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 9.000.

2.8.3.

Verweerder heeft het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3 Geschilpunten

Tussen partijen is in geschil of verweerder de inkomens van eiser over de jaren 2005, 2006 en 2007 alsmede het bijdrage-inkomen over 2008 op de juiste bedragen heeft vastgesteld. Het gaat hierbij in het bijzonder om de volgende geschilpunten:

  • -

    is er sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit (2006)?;

  • -

    vallen de kosten die eiser stelt te hebben gemaakt onder de aftrekbeperking van artikel 3.14, eerste lid, sub d, van de Wet IB 2001? Indien de aftrek van de kosten niet overeenkomstig genoemd artikel is beperkt, is in geschil of eiser deze kosten aannemelijk heeft gemaakt (2005 en 2006);

  • -

    dient rekening gehouden te worden met een bedrag van € 10.000 dat voldaan is door de heer [aa] (hierna: [aa]) aan [W], terwijl eiser een vordering op [aa] had (2005)?;

  • -

    zijn terecht correcties aangebracht met betrekking tot voordelen uit het bewezenverklaarde feit 2 (gebruik creditkaarten) en feit 7 (toe-eigening van geldbedragen van [T]) (2007)?;

  • -

    kan bij het vaststellen van het inkomen rekening worden gehouden met een voorziening wegens een civiele terugbetalingsverplichting (2007)?;

  • -

    is het bezwaarschrift van eiser tegen de aanslag zvw terecht niet-ontvankelijk verklaard (jaar 2008)?

Hiernaast is in geschil of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Eiser heeft verder in alle zaken om een immateriële schadevergoeding en om een proceskostenvergoeding voor zowel de bezwaarfase als de beroepsfase verzocht.

4 Beoordeling van de geschilpunten

Ontvankelijkheid bezwaar (aanslag zvw 2008)

4.1.1.

In artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) is in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat de termijn voor het instellen van bezwaar aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Artikel 6:7 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid van de Awb is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.1.2.

De aanslag is gedagtekend 2 december 2011. Gesteld noch gebleken is dat de dagtekening van deze beschikking is gelegen vóór de dag van bekendmaking daarvan, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 3 december 2011 en eindigt op 13 januari 2012.

4.1.3.

Verweerder heeft aangevoerd dat hij in deze zaak één stuk heeft ontvangen dat als bezwaarschrift kan worden aangemerkt, te weten de brief van eiser van 26 januari 2012, door verweerder ontvangen op 27 januari 2012, inhoudende een verzoek om uitstel van betaling voor de onderhavige aanslag. In zijn brief verwijst eiser naar een eerdere brief van hem met dagtekening 4 december 2011 waarin hij bezwaar zou hebben gemaakt tegen deze aanslag zvw. Verweerder heeft deze brief van eiser van 4 december 2011 niet ontvangen.

4.1.4.

De brief van eiser van 26 januari 2012 is door verweerder niet binnen de wettelijke bezwaartermijn ontvangen. Gelet op verweerders betwisting daarvan, rust op eiser de bewijslast aannemelijk te maken dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt.

4.1.5.

Eiser heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te achten dat hij tijdig bezwaar heeft ingediend tegen de aanslag zvw 2008 dan wel buiten zijn schuld niet tijdig bezwaar heeft kunnen indienen. Dat sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, is gesteld noch gebleken.

4.1.6.

Een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het bezwaarschrift van eiser terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Nieuw feit/ambtelijk verzuim (navorderingsaanslag ib/pvv 2006)

4.2.1.

Eiser stelt zich, uitsluitend voor het jaar 2006, op het standpunt dat er geen sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit omdat ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag op 5 maart 2008 het strafrechtelijk onderzoek in volle gang was.

4.2.2.

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan ingevolge artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Awr de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Op grond van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Awr kan een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2.3.

De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag in de ib/pvv uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (HR 9 januari 2009, nr. 07/10292, ECLI:NL:HR:2009:BG9068).

4.2.4.

Verweerder heeft verklaard dat bij het opleggen van de aanslag hem niet bekend was dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen eiser liep en dat hij van het bestaan hiervan eerst op 4 februari 2009 op de hoogte is geraakt door een renseignement van de ten aanzien van [D] bevoegde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam. Het renseignement behoort tot de gedingstukken en vermeldt dat [D] in haar aangiften ib/pvv aftrek heeft geclaimd van verliezen uit onderneming als gevolg van verduistering door eiser. Nu eiser hiertegen niets heeft ingebracht en in redelijkheid niet van verweerder kan worden verwacht dat hij op een eerder moment dan na genoemd renseignement op de hoogte was geraakt van het strafrechtelijk onderzoek tegen eiser, is naar het oordeel van de rechtbank van een ambtelijk verzuim geenszins sprake. Verweerder was derhalve bevoegd tot navorderen.

Omkering en verzwaring van de bewijslast (belastingaanslagen ib/pvv 2005-2007)

4.3.1.

Artikel 27e, eerste lid, van de Awr bepaalt, voor zover van belang, dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.3.2.

Eiser is in 2009 strafrechtelijk veroordeeld voor in de jaren 2005 tot en met 2008 begane strafbare feiten. Eiser heeft de hieruit genoten inkomsten niet in zijn aangiften ib/pvv 2005-2008 aangegeven. De rechtbank acht gelet op de in de bewezenverklaring genoemde gedragingen en de door eiser genoten bedragen aannemelijk dat sprake is van een belastbare bron van inkomen. De rechtbank is voorts van oordeel dat zowel relatief als absoluut bezien aanzienlijke bedragen aan belasting ten onrechte niet in de aangiften zijn verantwoord. Hierdoor heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank over elk van deze jaren niet de vereiste aangifte gedaan, zodat de bewijslast dient te worden omgekeerd.

4.3.3.

Omkering van de bewijslast betekent dat eiser de verzwaarde bewijslast heeft, namelijk dat hij moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat de correcties te hoog zijn. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting de door hem in de (navorderings)aanslagen aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. Hierbij moet verweerder een zekere armslag worden gegeven om een redelijke schatting te maken van de inkomens van eiser.

4.3.4.

Verweerder is voor de door hem aangebrachte correcties uitgegaan van de in het strafvonnis vermelde bewezenverklaring. De vaststelling dat eiser zich de in de bewezenverklaring genoemde bedragen heeft toegeëigend vindt ook steun in de door verweerder overgelegde stukken die mede ten grondslag hebben gelegen aan het strafvonnis. Eiser heeft niet overtuigend aangetoond dat de correcties te hoog zijn of dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat de in aanmerking te nemen bedragen kwalificeren als resultaat uit overige werkzaamheden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat sprake is geweest van een door hem gedreven onderneming. Eiser heeft geen BTW-nummer en er is geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel geweest. Van een organisatie van kapitaal en arbeid is geen sprake. De rechtbank is voorts van oordeel dat de bedragen van de in aanmerking genomen inkomsten op redelijke schattingen berusten. De rechtbank overweegt als volgt (in 4.4.1-4.7.6) met betrekking tot hetgeen door eiser over de hoogte van de in aanmerking genomen inkomsten naar voren heeft gebracht.

Aftrek van kosten (belastingaanslagen ib/pvv 2005-2007) en voldoening vordering [aa] (navorderingsaanslag ib/pvv 2005)

4.4.1.

Eiser stelt dat hij voor zijn werkzaamheden kosten heeft gemaakt voor de inschakeling van professionele derden zoals advocaten en dat deze kosten niet in verband staan met de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Deze kosten hebben volgens eiser betrekking op resultaten die behaald zijn met legale werkzaamheden, zodat de aftrekuitsluiting genoemd in artikel 3.14 van de Wet IB 2001 hierop niet van toepassing is en de kosten in mindering dienen te komen op de ‘omzet’. De omvang van deze kosten blijkt volgens hem uit de overgelegde bankafschriften.

4.4.2.

De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn betoog. Er zijn geen winsten uit onderneming of inkomsten uit overige werkzaamheden aangegeven in de aangiften ib/pvv en uit de feiten en gedingstukken kan evenmin worden opgemaakt dat eiser inkomsten uit legale werkzaamheden heeft genoten. Uit de door eiser verstrekte bankafschriften en de door hem gemaakte overzichten daarvan, volgt evenmin dat eiser kosten heeft gemaakt in het kader van (belastbare) legale werkzaamheden. Op grond van de bewezenverklaring en de bewijsmotivering in het strafvonnis is de rechtbank voorts van oordeel dat aan de in aanmerking genomen voordelen geen declaraties of facturen ten grondslag hebben gelegen. Eiser heeft dienaangaande geen bewijs overgelegd. De in de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2005-2007 begrepen resultaten uit overige werkzaamheden bestaan volledig uit wederrechtelijk verkregen voordelen waarvoor eiser is veroordeeld door de strafrechter. De aftrekuitsluiting van artikel 3.14 van de Wet IB 2001 is gelet op het voorgaande van toepassing op de door eiser gestelde kosten.

4.4.3.

Eiser stelt voorts dat de door hem genoemde [aa] een bedrag van € 10.000 heeft voldaan aan de benadeelde partij [W], dat met deze betaling een vordering van eiser op genoemde [aa] is afgenomen en dat de betaling van [aa] in mindering strekt op het in 2005 in aanmerking te nemen resultaat. Nu verweerder deze stellingen van eiser heeft weersproken, ligt het op de weg van eiser hiervan een onderbouwing te geven. Eiser heeft het bestaan van een vordering op [aa] op geen enkele wijze onderbouwd en evenmin kan worden aangenomen dat [aa] enig bedrag aan [W] heeft betaald ten behoeve van eiser. Ook in zoverre ziet de rechtbank geen reden voor vermindering van het bij eiser in aanmerking genomen belastbaar inkomen.

[T] (aanslag ib/pvv 2007)

4.5.1.

Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van verduistering dan wel van belastbare inkomsten voor zover het gaat om de correctie ter zake van bedragen van zijn moeder [T]. Eiser stelt dat het gaat om bedragen waarover hij mocht beschikken en dat hij was gemachtigd om over het tegoed op de betreffende bankrekening te beschikken. Op zijn hoogst zou sprake kunnen zijn van een schenking. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn betoog een brief ingebracht van 16 februari 2008 met daaronder de handtekening van [T]. In de brief staat dat eiser gemachtigd was tot de bankrekening, dat het geld op de rekening was bedoeld voor het geval eiser in nood zou komen te zitten en dat geen geld van [T] is ontvreemd.

4.5.2.

De rechtbank verwerpt het betoog van eiser. Uit de bewezenverklaring en de bewijsmotivering van het in de strafzaak jegens eiser onder 7 tenlastegelegde blijkt dat eiser zich de van genoemde bankrekening opgenomen bedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. In het proces-verbaal van verhoor waarbij[T] door de politie als getuige is gehoord staat - voor zover hier van belang - het volgende (V= vraag verbalisanten, A= antwoord getuige):

“V: Is de rekening [#6] van u?

A: Ja, die is van mij.

V: Heeft u die betaling van 9.000 euro gedaan op 15 januari 2008?

A: Nee, ik boek niks over.

(…)

V: Wie zijn er gevolmachtigd, wie hebben er toegang tot de rekening met nummer [#6] bij de [tt], anders dan uzelf?

A: Niemand, niemand natuurlijk.

V: Wie beschikken over bankpasjes van deze rekening?

A: Dat weet ik niet ik heb er geen pasje van.”

Blijkens het proces-verbaal d.d. 26 maart 2008 van aangifte tegen eiser bij de politie heeft [T] het volgende verklaard:

V: Uw zoon is vorige week vrijdag 14 maart 2008 aangehouden. In het vakantiehuisje waar hij verbleef, hebben we een document aangetroffen waarin wordt gesproken over een [tt]-rekening van u (…). Het gaat om de volgende passage:

“Over deze rekening was ik gemachtigd en mocht, zo heeft mijn moeder ook verklaard, als ik in nood zou zitten over dit geld kunnen beschikken.”

A; Mensenlief.

V: Wat bedoelt u daarmee, klopt het of klopt het niet?

A: Ik wist toch niets van dat geld af. Welnee, en dan zo’n bedrag, ben je gek.

V: Zijn er rekeningen van u waarover uw zoon kan of kon beschikken?

A: Daar heb ik nooit toestemming voor gegeven.

V: Ook niet voor het geval hij in nood verkeert?

A: Welnee zeg, ga gauw. Hij leeft helemaal in een fantasiewereld, in een andere wereld.”

4.5.3.

De rechtbank hecht meer belang aan de verklaringen van mevrouw [T] zoals vastgelegd in de weergegeven processen-verbaal en het strafvonnis waarbij eiser ter zake is veroordeeld wegens verduistering van in totaal € 39.000, dan aan een door eiser overgelegde brief van 16 februari 2008 welke door [T] zou zijn ondertekend. Ook in zoverre faalt het beroep.

Correcties [I], [uu] en[M] business card (aanslag ib/pvv 2007)

4.6.1.

Eiser bestrijdt dat de met deze creditkaarten gedane uitgaven hem ten goede zijn gekomen. Voorts bestrijdt hij dat hij dergelijke kaarten heeft aangevraagd dan wel heeft gebruikt. Eiser stelt verder met deze kaarten reizen te hebben betaald en gemaakt in opdracht van en ten behoeve van mevrouw [D]. De inkomenscorrecties dienen daarom volgens eiser te vervallen.

4.6.2.

Uit de bewezenverklaring van het in de strafzaak jegens eiser onder 2 tenlastegelegde volgt dat eiser zich met de uitgaven met genoemde kaarten (wederrechtelijk) heeft bevoordeeld. Niet gebleken is dat de uitgaven ten goede zijn gekomen aan de rechthebbenden [D] of[H]. Eiser heeft verder de zakelijkheid van deze uitgaven niet onderbouwd. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat hij zakelijke reizen in opdracht van [D] maakte. De genoemde reizen vonden meestal plaats in het weekend en over het zakelijk doel van deze reizen heeft eiser niets naar voren gebracht.

4.6.3.

Verweerder heeft de correctie ter zake van het gebruik van genoemde creditkaarten in bezwaar verlaagd met een bedrag van € 9.179 en in beroep stelt hij een verdere verlaging voor met een bedrag van € 12.780 tot € 41.611. Gelet op laatstgenoemde verlaging dient het beroep in de zaak HAA 13/4756 gegrond te worden verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning 2007 bedraagt aldus € 282.087 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 72.

Voorziening (aanslag ib/pvv 2007)

4.7.1.

Eiser wenst voor het jaar 2007 een voorziening te vormen voor (civiele) terugbetalingsverplichtingen aan benadeelde partijen en slachtoffers van oplichting en verduistering. Eiser heeft ter zitting zijn stelling laten varen dat er een terugbetalingsverplichting aan [R] bestond, zodat in zoverre de stelling dat een voorziening kan worden gevormd geen bespreking behoeft. Eiser heeft verder ter zitting aangegeven geen voorziening te willen vormen voor de lopende procedure inzake de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4.7.2.

Eiser heeft voor het in aanmerking nemen van een voorziening aangevoerd dat in december 2007 voldoende zekerheid bestond dat uitgaven uit hoofde van een terugbetalingsverplichting jegens [D] en [W] zich zouden voordoen. Daartoe betoogt hij dat:

  • -

    in december 2007 besprekingen hebben plaatsgevonden die aanleiding hebben gegeven tot het strafrechtelijk onderzoek tegen eiser;

  • -

    volgens verschillende personen eiser op 13 december 2007 zou hebben bekend malversaties te hebben gepleegd;

  • -

    tegen eiser op 17 en 18 december 2007 aangiften bij de politie zijn opgenomen;

  • -

    de partner van eiser op 19 december 2007 is verhoord als verdachte;

  • -

    de administratie van eiser op 24 december 2007 in beslag is genomen;

  • -

    volgens het strafdossier eiser op 24 december 2007 als verdachte werd aangemerkt.

4.7.3.

Met hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, bestond er naar het oordeel van de rechtbank ultimo 2007 geen redelijke mate van zekerheid dat eiser de van hem gevorderde bedragen in een later jaar zou moeten terugbetalen. De enkele omstandigheid dat ultimo 2007 voldoende reden was om een strafrechtelijk onderzoek tegen eiser te starten, brengt nog niet mee dat er een redelijke mate van zekerheid bestond dat eiser terugbetalingsverplichtingen zou hebben jegens benadeelden.

4.7.4.

Eiser heeft ter zitting een civiel vonnis in kort geding van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2010 overgelegd. Daarin staat dat [D] eiser op 28 januari 2008 heeft gedagvaard en dat daarbij een betaling is gevorderd ten bedrage van € 1.135.077,18 wegens bedrog, althans onverschuldigde betaling, althans een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Verder heeft eiser een stuk ingebracht waaruit volgt dat op 14 januari 2008 op verzoek van [D] conservatoir beslag is gelegd op een voor de onverdeelde helft aan eiser toebehorend appartement. Deze door eiser overgelegde stukken brengen geen verandering in het oordeel van de rechtbank dat ultimo 2007 geen voorziening kan worden gevormd. Genoemde vordering en de beslaglegging hebben zich immers na balansdatum voorgedaan. Voorts stond op dat moment geenszins vast dat deze vorderingen in rechte zouden worden gehonoreerd. Eiser is eerst in 2009 door de strafrechter veroordeeld tot terugbetaling aan benadeelde partijen. Ook in het licht hiervan bestond ultimo 2007 onvoldoende mate van zekerheid dat eiser de door hem genoten bedragen zou moeten terugbetalen.

4.7.5.

Op basis van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser in het jaar 2007 geen voorziening kan vormen.

4.7.6.

Ten overvloede voegt de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:3630, NTFR 2014/1840, aan het vorenstaande toe dat aftrek op de voet van artikel 3.14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, eerst mogelijk is vanaf het moment dat eiser daadwerkelijk uitgaven doet om de door het misdrijf veroorzaakte schade te herstellen. Tot dat tijdstip zijn die kosten en lasten op grond van artikel 3.14, eerst lid, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001 van aftrek uitgesloten, zodat ook om die reden geen voorziening kan worden gevormd (vgl. HR 9 september 2011, nr. 11/00473, ECLI:NL:HR:2011:BT2299, BNB 2011/288).

Boetes

4.8.1.

Op grond van artikel 67d van de Awr kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist dan wel onvolledig is gedaan. Op grond van artikel 67e van de Awr kan de inspecteur met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt ook voorwaardelijk opzet verstaan, namelijk als belastingplichtige met zijn gedragingen (of nalaten te handelen) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig inkomsten zouden worden aangegeven of dat te weinig belasting zou worden geheven.

4.8.2.

Verweerder heeft eiser bij kennisgevingen van 26 november 2010 en 15 december 2011 op de hoogte gesteld van het voornemen om de respectievelijke navorderingsaanslagen ib/pvv 2005 en 2006 vast te stellen en hierbij op grond van artikel 67e van de Awr vergrijpboetes op te leggen over het bedrag van het in aanmerking te nemen resultaat uit overige werkzaamheden. De motiveringen van de boetes luiden – voor zover hier van belang – als volgt: “De aangifte is onjuist en/of onvolledig gedaan. Gezien de strafrechtelijke veroordeling en het niet vermelden van de genoten inkomsten in de aangifte ben ik van mening dat u willens en wetens onjuist aangifte heeft gedaan.” (2005) en “Gezien de aard en de omvang van de inkomsten ben ik van mening dat u deze bewust niet in de aangifte heeft opgenomen. Door het niet vermelden van de genoten inkomsten in de aangifte ben ik van mening dat u willens en wetens, dus opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan met de bedoeling belasting te ontduiken.” (2006).

Verweerder heeft eiser bij kennisgeving van 7 april 2010 op de hoogte gesteld van het voornemen om de aanslag ib/pvv 2007 vast te stellen en hierbij op grond van artikel 67d van de Awr een vergrijpboete op te leggen over het bedrag van het in aanmerking te nemen resultaat uit overige werkzaamheden. De motivering luidt als volgt: “De aangifte is onjuist en of onvolledig gedaan. Gezien de strafrechtelijke veroordeling en het niet vermelden van de genoten inkomsten in de aangifte ben ik van mening dat u willens en wetens onjuist aangifte heeft gedaan met het doel belasting te ontduiken.”

4.8.3.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het voornemen tot het doen van de uitspraak op bezwaar betreffende de vergrijpboete over 2005 met dagtekening 29 november 2011 ten onrechte heeft verwezen naar artikel 67d van de Awr terwijl de boete is opgelegd op basis van artikel 67e van de Awr. De rechtbank gaat hieraan evenwel voorbij nu verweerder zich hierbij kennelijk heeft verschreven en heeft bedoeld te verwijzen naar artikel 67e van de Awr als grondslag voor het opleggen van de boete. Dit blijkt ook uit voormelde kennisgeving van de boete en het voornemen tot afwijzing van het bezwaar in de brief van 10 augustus 2012 aan eiser. De rechtbank ziet geen reden gevolgen te verbinden aan de verschrijving van verweerder nu eiser hierdoor niet in zijn verdediging is geschaad. Anders dan eiser betoogt, is de omschrijving van de gedraging in de kennisgeving voldoende toegesneden op de delictsomschrijving in artikel 67e Awr. Er dient immers vanuit te worden gegaan dat het niet vermelden van inkomsten in de aangifte ib/pvv 2005 tot gevolg heeft dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag wordt vastgesteld en te weinig belasting wordt geheven.

4.8.4.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de voor de boetes gegeven motivering ondeugdelijk is. De in de kennisgevingen opgenomen verwijzing naar de strafrechtelijke veroordeling kan niet anders worden begrepen dan dat verweerder hiermee aannemelijk heeft willen maken dat in de onderhavige jaren resultaat uit overige werkzaamheden is genoten. De omstandigheid dat strafrechtelijke veroordeling nadien heeft plaatsgevonden doet er niet aan af dat eiser gehouden was de in 2005, 2006 en 2007 genoten resultaten in zijn aangifte ib/pvv te verantwoorden. Van een ongeoorloofde samenloop van de boetes met de strafrechtelijke veroordeling is evenmin sprake nu de strafrechtelijke veroordeling ziet op andere gedragingen, namelijk verduistering, oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen, terwijl de boetes zijn opgelegd wegens het ten onrechte niet aangeven van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de aangiften ib/pvv.

4.8.5.

Uit het voorgaande volgt dat eiser de resultaten uit zijn werkzaamheden in zijn aangiften ib/pvv had moeten vermelden. Eiser heeft door deze inkomsten niet te verantwoorden in zijn aangiften ib/pvv 2005, 2006 en 2007 willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij onjuist en onvolledig aangifte zou doen en dat als gevolg hiervan de primitieve aanslagen over deze jaren tot te lage bedragen zouden worden vastgesteld. Het voor opzet vereiste bewustzijn bij eiser berust met name op de bewezenverklaring in het strafvonnis waaruit volgt dat eiser zich wederrechtelijk aanzienlijke voordelen heeft toegeëigend en hiervoor de nodige inspanningen heeft verricht. Gelet op de aard en de omvang van de door eiser in dit verband verrichte werkzaamheden en de omvang van de hieruit voorgekomen voordelen, is de rechtbank van oordeel dat het voor opzet vereiste bewustzijn bij eiser aanwezig is geweest ten tijde van de doen van de betreffende aangiften ib/pvv. De rechtbank acht opzet bewezen.

4.8.6.

Eiser heeft aangevoerd dat de aangifte ib/pvv 2007 is ingediend na het wijzen van het strafvonnis en stelt zich op het standpunt dat het niet opnemen van enig resultaat uit overige werkzaamheden in zijn aangifte berust op een pleitbaar standpunt. Immers, tegenover de wederrechtelijk verkregen voordelen staan de betalingsverplichtingen aan benadeelde partijen opgelegd door de strafrechter dan wel civiele rechter en een eventuele ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht. Op advies van zijn toenmalig adviseur mr. [vv] heeft hij een nihilaangifte ingediend, zo stelt eiser.

4.8.7.

De rechtbank acht in dezen geen pleitbaar standpunt aanwezig. Eiser was hoe dan ook gehouden de inkomsten in zijn aangiften te vermelden. De stelling dat eiser destijds (en achteraf bezien ten onrechte) meende dat op deze inkomsten een voorziening of terugbetalingsverplichting in mindering zou kunnen worden gebracht en dat per saldo geen ib/pvv zou worden geheven over de inkomsten, doet hieraan geen afbreuk. Ook indien eiser wordt gevolgd in zijn stelling dat hij aldus op advies van zijn adviseur geen aangifte heeft gedaan van het resultaat uit overige werkzaamheden, is de rechtbank van oordeel dat het aan opzet van eiser is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld door het niet vermelden van de inkomsten in de aangifte. Eiser heeft hiermee bewust op de koop toe genomen dat de aangifte onjuist zou zijn.

4.8.8.

De hoogte van de verschuldigde belasting is deels komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze omstandigheid dient in aanmerking te worden genomen bij de afweging of de opgelegde vergrijpboetes, gelet op de omstandigheden van de gevallen, passende en ook geboden sancties zijn voor de vergrijpen die zijn begaan (HR 18 januari 2008, nr. 41.832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962). De rechtbank ziet geen aanleiding de opgelegde boetes in verband hiermee te matigen nu de aanslagen berusten op strafrechtelijke bewezenverklaringen die steun vinden in de gedingstukken en de rechtbank geen twijfel heeft over de juistheid van de in aanmerking genomen inkomsten.

4.8.9.

Ter zitting heeft eiser gewezen op zijn beperkte financiële draagkracht en heeft hierover opgemerkt dat hij op dit moment mantelzorger voor zijn moeder is tegen kost en inwoning, en een uitkering heeft aangevraagd. Verweerder heeft deze omstandigheden niet weersproken.

4.8.10.

De rechtbank acht aannemelijk dat eiser beperkte draagkracht heeft en ziet hierin aanleiding de opgelegde boetes (zoals in beroep door verweerder nader vastgesteld) ieder met 10% te matigen tot € 24.498 (2005), € 87.622 (2006) en € 61.394 (2007). De rechtbank acht (de hoogte van) deze boetes, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden van de gevallen, uit een oogpunt van normhandhaving passend en geboden.

4.8.11.

De rechtbank dient met betrekking tot de boetes voorts te onderzoeken of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Op grond van de uitgangspunten zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37.984 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006) heeft voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Genoemde termijn vangt aan op het moment waarop eiser ervan uit mocht gaan dat hem een boete boven het hoofd hing.

4.8.12.

De boetes zijn aangekondigd bij kennisgevingen van 7 april 2010 (betreft de aanslag ib/pvv 2007), 26 november 2010 (navorderingsaanslag ib/pvv 2005) en 15 december 2011 (navorderingsaanslag ib/pvv 2006). Op het moment waarop de rechtbank thans uitspraak doet is een termijn van bijna 4,5 jaren verstreken sinds eerstgenoemde kennisgeving, zodat de redelijke termijn in beginsel is overschreden met 2,5 jaren.

4.8.13.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in voormeld arrest. De onderhavige bezwaarschriften zijn – mede op verzoek van eiser – gezamenlijk behandeld. In de bezwaarfase heeft een uitgebreide correspondentie plaatsgevonden tussen partijen. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser in de bezwaarfase vele malen heeft verzocht om uitstel voor het geven van een reactie op door verweerder geuite voornemens tot het doen van de uitspraken op bezwaar. Verder heeft eiser meerdere malen verzocht om uitstel voor de motivering van zijn bezwaren. Eiser heeft ook diverse malen ingestemd met verlenging van de termijnen voor het doen van uitspraak op bezwaar door verweerder en heeft meerdere verzoeken gedaan om de beslissing op bezwaar aan te houden. De uitspraken op bezwaar zijn uiteindelijk gedaan op 15 oktober en 2 november 2013. Naar het oordeel van de rechtbank is er in de bezwaarfase veel meer dan “enige tijd” gegund voor het herstel van verzuimen en is veel meer dan ‘enig uitstel‘ voor het indienen van processtukken gegeven, als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2014, nr. 13/01045, ECLI:NL:HR:2014:1461. De lange duur van de behandeling van de onderhavige zaken vindt voornamelijk zijn oorzaak in het optreden van eiser in de bezwaarfase. Eiser heeft zich met betrekking tot de redelijke termijn gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat er geen redenen zijn de boetes in verband met overschrijding van de redelijke termijn te matigen.

Immateriële schadevergoeding

4.9.

Eiser heeft voorts verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van het bezwaar en beroep tegen de onderhavige (navorderings)aanslagen. Hiervoor gelden dezelfde uitgangspunten als voor de beoordeling van de redelijke termijn in het kader van de boete, zij het dat de termijn aanvangt op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Uitgaande van ontvangst van de bezwaarschriften op 29 april 2010 (aanslag ib/pvv 2007), 3 januari 2011 (navorderingsaanslag ib/pvv 2005) en 16 januari 2012 (navorderingsaanslag ib/pvv 2006), is thans de redelijke termijn overschreden. Eiser heeft zich ook hier gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Evenals hiervoor is geoordeeld met betrekking tot de boete is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de langere duur van de behandeling rechtvaardigen en dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De verzoeken om een immateriële schadevergoeding dienen derhalve te worden afgewezen.

Conclusie

4.10.

Uit hetgeen hiervoor in 4.6.3 en 4.8.10 is geoordeeld, volgt dat de beroepen inzake de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2005, 2006 en 2007 gegrond zijn, dat de boetes dienen te worden verminderd, dat de aanslag ib/pvv 2007 dient te worden gehandhaafd zoals deze in beroep ambtshalve is verminderd en dat de navorderingsaanslagen ib/pvv 2005 en 2006 dienen te worden gehandhaafd conform de uitspraken op bezwaar. Het bezwaar tegen de aanslag zwv 2008 is terecht niet-ontvankelijk verklaard, zodat dat beroep ongegrond zal worden verklaard. De verzoeken om een immateriële schadevergoeding worden afgewezen.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.028 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Nu sprake is van samenhangende zaken beschouwt de rechtbank de drie gegronde beroepen op de voet van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het Besluit als één zaak, zodat ook eenmaal een proceskostenvergoeding wordt toegekend.

5.2.

Voor de gegrondverklaring van het bezwaar inzake de aanslag ib/pvv 2007 is reeds een proceskostenvergoeding toegekend. Nu de bezwaarschriften niet (nagenoeg) gelijktijdig zijn ingediend is geen sprake van samenhangende zaken, zodat in beroep voor de bezwaarfase alsnog een bedrag van € 486 (2 punten voor het indienen van de bezwaarschriften, met een waarde per punt van € 243 en een wegingsfactor 1) dient te worden vergoed.

5.3.

In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 1.514 (€ 1.028 + € 486).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep in de zaak met procedurenummer HAA 13/4757 ongegrond;

  • -

    verklaart de overige beroepen (zaken HAA 13/4754, HAA 13/4755 en HAA 13/4756) gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar in de zaken HAA 13/4754, HAA 13/4755 en HAA 13/4756;

  • -

    vermindert de bij de belastingaanslagen ib/pvv 2005, ib/pvv 2006 en ib/pvv 2007 opgelegde boetes tot respectievelijk € 24.498, € 87.622 en € 61.394;

  • -

    vermindert de aanslag ib/pvv 2007 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 282.087 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 72 en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    handhaaft de navorderingsaanslagen ib/pvv 2005 en 2006 en handhaaft de daarbij gegeven heffingsrentebeschikkingen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.514;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser in de zaak HAA 13/4754 betaalde griffierecht van € 44 vergoedt, en

  • -

    wijst de verzoeken om een immateriële schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. S.K.A. Efstratiades en mr. G.H. de Soeten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.