Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8759

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 1311
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wob-verzoek

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur, geldigheid: 2014-09-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/1311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: V. Quacken),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: M. Krari).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2012 (het primaire besluit I) heeft verweerder het verzoek van eiseres om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur afgewezen.

Bij besluit van 26 oktober 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder de verzochte informatie alsnog aan eiseres toegezonden.

Bij besluit van 27 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2014. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1.

Bij brief van 2 augustus 2010 heeft eiseres verweerder verzocht haar een zaaksoverzicht toe te zenden dat betrekking heeft op een geconstateerde verkeersovertreding (CJIB nummer 4062 5421 5928 8767). Op dit verzoek heeft verweerder bij het primaire besluit I afwijzend beslist. Bij brief van 24 oktober 2012 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het primaire besluit II heeft verweerder het verzoek van eiseres alsnog toegewezen en haar de verzochte gegevens toegezonden.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft ter zitting de motivering van het bestreden besluit gewijzigd. Hij heeft zich onder verwijzing naar een tweetal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2014:465 en ECLI:NL:RVS:2014:1311, op het standpunt gesteld dat het verzoek van eiseres niet kan worden opgevat als verzoek in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en dat het primaire besluit II dan ook onverplicht is genomen.

3.

Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat het verzoek van eiseres niet als verzoek in de zin van de Wob kan worden opgevat, overweegt de rechtbank als volgt. In het verzoek van 2 augustus 2012 waarbij wordt gevraagd het zaaksoverzicht toe te sturen, staat niet uitdrukkelijk vermeld dat het een Wob-verzoek betreft. Wel is daarin opgenomen dat het verzoek losstaat van het door eiseres ingestelde administratieve beroep en dat eiseres er geen probleem mee heeft “dat ook andere mensen de informatie kunnen bemachtigen”. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn stelling dat het verzoek om het zaaksoverzicht is gedaan in het kader van het ingestelde administratieve beroep tegen de boetebeschikking. Verweerder heeft het verzoek terecht opgevat als een verzoek op grond van de Wob, zodat niet kan worden gesteld dat het primaire besluit II onverplicht is genomen.

4.

Eiseres heeft in beroep primair aangevoerd dat de beslissing op bezwaar onbevoegd is genomen nu de mandaatregeling hierin niet zou voorzien. Een en ander onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1519.

5.1.

De rechtbank overweegt als volgt. De primaire besluiten I en II zijn genomen door het Afdelingshoofd Straf-Mulder, namens de hoofdofficier/directeur van het CVOM, namens verweerder. Het bestreden besluit is genomen door de directeur Bedrijfsvoering, namens de hoofdofficier/directeur CVOM, namens verweerder. Gelet op hetgeen onder 3, 3.1 en 3.2 is overwogen in de door eiseres genoemde uitspraak van de Afdeling, zijn deze besluiten onbevoegd genomen. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Deze beroepsgrond slaagt.

5.2.

Op 25 juli 2013 heeft de staatssecretaris de Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie gewijzigd (Strct. 2012, 22102). Door deze wijziging zijn het Afdelingshoofd Straf-Mulder en de directeur Bedrijfsvoering vanaf de inwerkingtreding van deze gewijzigde mandaatregeling bevoegd de genoemde besluiten te nemen. Nu de functionaris die het bestreden besluit heeft genomen thans wel bevoegd is dat namens verweerder te doen, is er aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand moeten worden gelaten.

6.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het zaaksoverzicht reeds op 28 september 2012 aan eiseres is toegestuurd, zodat eiseres geen belang had bij het instellen van bezwaar en beroep. Eiseres heeft betwist de stukken eerder dan met het primaire besluit II te hebben ontvangen. Indien dit anders zou zijn, had zij immers geen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft ter zitting verklaard niet te kunnen bewijzen het zaaksoverzicht al op 28 september 2012 te hebben verzonden. Gelet op deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat de verzochte gegevens pas na het maken van bezwaar door verweerder aan eiseres zijn verzonden.

7.1.

Nu het Wob-verzoek van eiseres al bij het primaire besluit II is ingewilligd, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank alleen nog belang bij een oordeel van de rechtbank over de vraag of haar bij het bestreden besluit een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte proceskosten had moeten worden toegekend. Eiseres heeft in dat kader aangevoerd dat nu bij het primaire besluit I niet alle stukken zijn verstrekt en dit naar aanleiding van het bezwaar van eiseres alsnog is gebeurd, het primaire besluit II geldt als een herroeping van het primaire besluit I. Verweerder heeft volgens haar ten onrechte het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.

7.2.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

7.3.

De rechtbank overweegt dat herroeping plaatsvindt indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van het primaire besluit. In dit geval heeft verweerder het primaire besluit I gewijzigd door in het primaire besluit II alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Hiermee is het primaire besluit I hangende het bezwaar herroepen. Het feit dat verweerder ambtshalve heeft geconstateerd dat hij het zaaksoverzicht waarom was verzocht wel in zijn bezit had, doet niet af aan het feit dat het primaire besluit I door verweerder is herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Hieruit volgt dat verweerder bij het bestreden besluit de in bezwaar gemaakte proceskosten van eiseres had moeten vergoeden. Deze beroepsgrond slaagt ook.

8.1.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Daarbij veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 487,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank kent geen punt toe voor het bijwonen van een hoorzitting, nu deze niet heeft plaatsgevonden.

Omdat het Wob-verzoek van eiseres al bij het primaire besluit II is ingewilligd, is het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar over andere punten niet nodig.

8.2.

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft rechter, in aanwezigheid van

mr. A.S.T. Visser, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.