Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8756

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 1803
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herindicatie hulp in het huishouden op grond van gewijzigd beleid (het Protocol gebruikelijke zorg en richtlijnen hulp bij het huishouden). In haar tussenuitspraak van 5 juni 2014 heeft de rechtbank overwogen dat onduidelijk is hoe het beleid zich verhoudt tot de Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo juni 2012. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze eiser concreet in tijd wordt gecompenseerd voor de extra component hulp bij de dagelijkse organisatie van het huishouden. Verweerder is in de gelegenheid gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen en heeft dat op adequate wijze gedaan. Het beleid zoals neergelegd in het Protocol is zorgvuldig tot stand gekomen. Van onjuistheid of onredelijkheid van de normtijden in het beleid is niet gebleken. Verweerder heeft aan eiser het maximale aantal uren hulp bij het huishouden op grond van categorie 1 (2 uur en 30 minuten) toegekend, zodat al het licht en zwaar huishoudelijke werk alsmede de wasverzorging worden overgenomen. De problemen die eiser ondervindt in de regievoering en op grond waarvan hij in categorie 2 van het beleid is ingedeeld, worden in afdoende mate gecompenseerd door de inschakeling van een gespecialiseerde hulp in de huishouding, waarvoor een hoger uurloon beschikbaar is. Uit de door eiser verstrekte informatie blijkt niet dat in zijn geval sprake is van omstandigheden die nopen tot toekenning van extra tijd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-09-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/1803

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. G. Meesters),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder

(gemachtigde: E.P. Holtuin).

Procesverloop

De rechtbank heeft op 5 juni 2014 een tussenuitspraak gedaan.

Verweerder heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak bij brief van 16 juni 2014 een nadere motivering ingediend. Namens eiseres is hierop bij brief van 17 juli 2014 gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1.1. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 5 juni 2014 - onder rechtsoverweging 3 - overwogen dat onduidelijk is hoe het beleid van verweerder, zoals neergelegd in het Protocol gebruikelijke zorg en richtlijnen hulp bij het huishouden gemeente Den Helder (het Protocol), zich verhoudt tot de Verordening maatschappelijke ondersteuning Wmo juni 2012 (de Verordening). Daarnaast heeft de rechtbank - onder de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 - overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze eiser concreet in tijd wordt gecompenseerd voor de extra component hulp bij de dagelijkse organisatie van het huishouden, alsmede voor het meermalen per week inzetten van de hulp bij de huishouding.

1.2. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen. Daartoe diende verweerder in de eerste plaats ieder geval alsnog dienen te motiveren hoe (de klasse-indeling in) de Verordening en (de categorie-indeling in) het Protocol zich tot elkaar verhouden. Daarnaast diende verweerder alsnog gemotiveerd tot een juiste toepassing van het Protocol te komen, waarbij tot uitgangspunt diende te worden genomen dat eiser wegens zogenoemde regieproblemen is ingedeeld in de in het Protocol genoemde categorie 2.

2.1. Verweerder heeft in zijn brief van 16 juni 2014 toegelicht dat de verstrekking van de voorziening hulp bij het huishouden geschiedt op basis van de Verordening en dat de indicering voor hulp bij het huishouden plaatsvindt op basis van het beleid zoals neergelegd in het Protocol. Bij deze indicering wordt bezien voor welke huishoudelijke taken de betrokkene dient te worden gecompenseerd en wordt vervolgens gebruik gemaakt van de in het Protocol neergelegde normtijden voor de verschillende huishoudelijke taken (onderverdeeld in de hoofdcategorieën zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk en wasverzorging). Daarbij wordt gekeken of er aanleiding bestaat voor toepassing van maatwerk waarbij een (positieve) uitzondering wordt gemaakt op de normtijden in het bijzondere geval. Conform het Protocol wordt de betrokkene ingedeeld in categorie 1 of 2, waarbij het onderscheid tussen beide categorieën is gelegen in (vooral) de vraag of sprake is van regieproblemen in de zorg voor het huishouden. Het Protocol is derhalve leidend voor het aantal te indiceren uren. Vervolgens wordt ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Verordening op grond van het aantal op basis van het Protocol geïndiceerde uren hulp bij het huishouden toegekend. Met het aantal op basis van het Protocol geïndiceerde uren valt de betrokkene in één van de klassen genoemd in het eerste lid van artikel 12. Deze indeling in een bepaalde klasse is uitsluitend van belang waar het de tijdelijke uitbreiding van het aantal uren betreft op grond van het tweede lid van artikel 12 van de Verordening. Deze uitbreiding kan - zonder (nieuwe) indicatie - namelijk plaatsvinden binnen de klasse waarin de betrokkene is ingedeeld. Buiten deze uitbreiding heeft de indeling in klassen geen zelfstandige betekenis, aldus verweerder.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee de verhouding tussen (de indeling in klassen in) de Verordening en (de categorie-indeling in) het Protocol genoegzaam heeft toegelicht. De rechtbank acht deze toelichting begrijpelijk en aanvaardbaar. Om die reden oordeelt de rechtbank dan ook dat verweerder het in de tussenuitspraak op dit punt geconstateerde gebrek op adequate wijze heeft hersteld.

3.1. Eiser heeft betoogd dat verweerder bij de totstandkoming van het Protocol onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de mogelijkheden om binnen de daarin genoemde normtijden te komen tot een schoon en leefbaar huis. De normtijden zijn volgens eiser onvoldoende geobjectiveerd.

3.2. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat er verschillende argumenten zijn geweest voor het herijken en het zelf ontwikkelen van de normtijden: diverse gemeenten hadden dit reeds gedaan en de Rijksoverheid had het voornemen tot bezuinigen op het beschikbare Wmo-budget. Het Protocol is volgens verweerder tot stand gekomen door middel van een werkgroep, waarin naast de gemeente afgevaardigden van het Wmo-platform (waaronder zorgaanbieders, thuiszorgorganisaties, ouderenbonden, patiëntenvereniging(en) en de Cliëntenraad Wwb) plaatshadden. Deze afgevaardigden, waaronder dus thuiszorgorganisaties, hebben inbreng geleverd uit hoofde van hun (praktijk)ervaring. Tevens is gekeken wat qua normtijden gangbaar is in verschillende (omliggende) gemeenten. Daarna is het Protocol, met daarin de normtijden, met instemming van het Wmo-platform, vastgesteld door verweerder en op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt.

3.3. Gelet op deze toelichting bestaat er geen grond voor het oordeel dat het beleid zoals neergelegd in het Protocol onzorgvuldig tot stand is gekomen. Juist de hantering van normtijden maakt dat een objectieve maatstaf is aangelegd, zoals ook blijkt uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; onder meer de uitspraak van

20 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2875). Van onjuistheid of onredelijkheid van deze normtijden is de rechtbank op basis van hetgeen eiser heeft aangevoerd niet gebleken. Eiser heeft zijn standpunt dat de normtijden op zichzelf genomen onvoldoende compensatie bieden voor de taken die in het huishouden moeten worden verricht niet gespecificeerd en met objectieve gegevens onderbouwd. De enkele stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat 20 minuten voor wasverzorging zonder meer onvoldoende is, kan er niet toe leiden dat verweerders beleid voor onjuist of onredelijk moet worden gehouden.

4.1. In de tussenuitspraak van 5 juni 2014 is reeds vastgesteld dat, gezien eisers gezondheidssituatie, de indeling van eiser in de categorie 2 van het beleid niet in geschil is. Eiser wordt niet in staat geacht om de regie te voeren over het huishouden. Verweerder heeft in zijn brief van 16 juni 2014 voorts toegelicht dat het verschil in categorie tot uitdrukking wordt gebracht in de kwalificatie van de hulp bij het huishouden. Een hulp bij het huishouden in categorie 1 betreft een zorgverlener die enkel het huishoudelijk werk verricht. In categorie 2 is sprake van een gespecialiseerde zorgverlener. Conform het Protocol is het uitgangspunt bij een indeling in categorie 2 voorts dat een hulp meer dan eenmaal per week moet worden ingezet. Daarvoor hoeft echter geen extra tijd te worden toegekend. Van een gespecialiseerde zorgverlener in categorie 2 wordt verwacht dat deze zelf initiatief neemt om de benodigde werkzaamheden te doen (de regie voert) en daarvoor geen extra tijd nodig heeft. In verband hiermee wordt aan een zorgverlener in categorie een bedrag van € 21,00 per uur en aan een zorgverlener in categorie 2 een bedrag van € 25,20 per uur uitbetaald.

4.2. De rechtbank kan verweerder volgen in deze toelichting. Vast staat dat verweerder aan eiser het maximale aantal uren hulp bij het huishouden op grond van categorie 1 (2 uur en 30 minuten) heeft toegekend, zodat al het licht en zwaar huishoudelijke werk alsmede de wasverzorging worden overgenomen. De problemen die eiser ondervindt in de regievoering en op grond waarvan hij in categorie 2 is ingedeeld, worden in afdoende mate gecompenseerd door de inschakeling van een gespecialiseerde hulp in de huishouding, waarvoor een hoger uurloon beschikbaar is. Anders dan eiser lijkt te veronderstellen, was verweerder niet gehouden om het oude beleid, zoals neergelegd in de Richtlijn 2011 van de MO-zaak, waarin voor de dagelijkse organisatie van het huishouden wél 30 minuten extra tijd werd toegekend, te continueren. Het staat verweerder vrij om in het kader van zijn bevoegdheid tot verstrekking van de voorziening hulp bij het huishouden te komen tot nieuw beleid, zoals thans is gebeurd met het Protocol. Dit beleid is, zoals hierboven is overwogen, zorgvuldig tot stand gekomen en er bestaat geen aanleiding dit beleid onjuist of onredelijk te houden. Dat de hulp meermalen per week moet worden ingezet, noopt voorts op grond van het Protocol evenmin tot toekenning van extra tijd, zoals verweerder terecht heeft gesteld.

4.3. Hoewel het Protocol ruimte biedt voor maatwerk door middel van het toekennen van extra tijd voor het verrichten van bepaalde huishoudelijke taken, is de rechtbank van oordeel dat uit de door eiser verstrekte informatie niet blijkt dat in zijn geval sprake is van omstandigheden die nopen tot afwijking van de normtijden en toekenning van extra tijd. Verweerder heeft in dit verband - onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de CRvB (onder meer de uitspraak van 25 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5446) - terecht gesteld dat het aan eiser is om dit op concrete, verifieerbare wijze aannemelijk te maken, bijvoorbeeld door middel van een gemotiveerde verklaring van een hulp- of zorgverlener. Eiser heeft dit nagelaten. Verweerder kon in dit verband voorts het standpunt innemen dat van eiser het gebruik van incontinentiemateriaal mag worden verlangd, zodat sprake is van een voorliggende voorziening en er geen noodzaak bestaat om hiervoor extra tijd te indiceren. Dat er bij eiser sprake is van een meer dan lichte vorm van incontinentie, heeft eiser niet met een medische verklaring onderbouwd.

4.4. Gezien het voorgaande is niet gebleken dat de aan eiser toegekende hulp in het huishouden van 2 uur en 30 minuten in categorie 2 onvoldoende compensatie biedt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het geconstateerde motiveringsgebrek waar het de toepassing van het beleid in eisers geval betreft, op adequate wijze heeft hersteld.

5.

Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebreken in het bestreden besluit dient dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Nu verweerder met de brief van 16 juni 2014 de bedoelde motiveringsgebreken heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

6.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding, nu niet is gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,00 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.S. van der Stoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
5 september 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.