Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8751

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-09-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
C14/156343 KG ZA 14-261
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Veiling woning in verband met betalingsachterstand hypotheek. Hogere maandlasten als gevolg van eenzijdige wijziging hypotheekvorm. Bank heeft onvoldoende zorg gedragen voor de belangen van de hypotheekgever. Vordering tot staking executie toegewezen, onder voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie handel en insolventie

Locatie Alkmaar

NMB/AS

zaaknummer / rolnummer: C/14/156343 / KG ZA 14-261

datum: 12 september 2014

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van

toev.nr.: [nummer toevoeging]

[EISER],

wonend te [-],

eiser bij dagvaarding van 14 augustus 2014,

advocaat: mr. M. Maasdam te Hoorn,

tegen

1. de naamloze vennootschap

RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

COÖPERATIEVE RABOBANK HOORN-MIDDEN WEST FRIESLAND U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat: mr. J.P. Nonnekes te Rotterdam.

Partijen worden hierna [eiser] en Rabohypotheekbank c.s. genoemd.

1 Het verloop van het geding

Ter terechtzitting van 1 september 2014 is [eiser] verschen, bijgestaan door mr. Maasdam voornoemd. Voor Rabohypotheekbank c.s. is verschenen de heer [naam behandelaar], behandelaar bij de afdeling Bijzonder Beheer, bijgestaan door mr. Nonnekes voormeld.

[eiser] heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding die in kopie aan dit vonnis is gehecht.

Rabohypotheekbank c.s. heeft de vordering bestreden.

De raadslieden hebben de standpunten van partijen nader uiteengezet, mede aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

Na verder debat hebben partijen de stukken overgelegd, te weten van de zijde van [eiser] de dagvaarding en in totaal 13 producties en van de zijde van Rabohypotheekbank c.s. 6 producties, en vonnis gevraagd.

2 Uitgangspunten

2.1. [

eiser] heeft in september 2005 voor een bedrag van € 150.000,- een SpaarZeker-Hypotheek met leningnummer 3442.901.898 afgesloten bij Rabohypotheekbank c.s. voor de aankoop van de woning gelegen aan de [-]. Aan deze hypothecaire geldlening is gekoppeld een SpaarZekerVerzekering, afgesloten bij verzekerings-maatschappij Interpolis. De SpaarZekerVerzekering was verpand aan Rabohypotheekbank c.s.. De hypothecaire geldlening zou in beginsel uit de uitkering van de SpaarZeker-Verzekering worden afgelost. Volgens de offerte van Rabohypotheekbank c.s. bedroeg het beoogde eindkapitaal van de verzekering een bedrag van € 80.000,- bij leven van [eiser].

In de door [eiser] ondertekende geldleningsovereenkomst is opgenomen dat er geen aflossingen op de lening hoeven plaats te vinden, zolang de SpaarZekerVerzekering loopt, alle rechten en vorderingen die voortvloeien aan Rabohypotheekbank c.s. zijn verpand voor schulden van [eiser], en de door Interpolis vastgestelde premie voor de SpaarZekerVerzekering stipt voldaan wordt. Voor de hypothecaire geldlening is Nationale Hypotheek Garantie verstrekt (NHG).

2.2.

Op de verstrekte financiering zijn de Algemene bankvoorwaarden, de Algemene voorwaarden voor hypotheken van de Rabobankorganisatie 1992, de Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen van de Rabobank 2005 en de Algemene voorwaarden voor verpanding bij particuliere geldleningen van de Rabobankorganisatie 1997 van toepassing verklaard.

2.3.

In 2005 heeft [eiser] voorts bij Rabohypotheekbank c.s. een aflossingsvrije hypothecaire geldlening met leningnummer 3442.906.857 afgesloten voor een bedrag van € 10.000,--.

2.4. [

eiser] diende maandelijks aan Interpolis een bedrag van € 136,80 aan premie voor de SpaarZekerVerzekering te voldoen en € 487,50 en € 39,58 aan rente aan Rabohypotheekbank c.s. te voldoen.

2.5. [

eiser] was ten tijde van het afsluiten van de hypotheek als stucadoor in loondienst.

In 2006 is [eiser] ontslagen en is hij als zelfstandige aan de slag gegaan. In 2009 is [eiser] als gevolg van de crisis in de bouwsector in financiële problemen gekomen.

2.6.

De voormalig partner van [eiser] heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) ingeschakeld ter inning van achterstallige kinderalimentatie. Op 25 mei 2009 heeft het LBIO beslag op de woning doen leggen.

2.7.

In mei 2009 heeft Rabohypotheekbank c.s. de automatische incasso van de premie voor de SpaarZekerVerzekering stop gezet.

2.8.

Bij brief van 17 juni 2009 heeft Rabohypotheekbank c.s. (althans haar afdeling Rabobank Nederland, Service Centrum Financieren, Bijzonder Beheer) aan [eiser] geschreven dat zij van Interpolis bericht heeft ontvangen dat hij de verschuldigde premie voor de SpaarZekerVerzekering ondanks herhaalde verzoeken niet heeft voldaan. De achterstand in premiebetaling bedroeg op dat moment € 417,15. In de brief staat:

“Indien u in gebreke blijft ziet de verzekeringsmaatschappij zich genoodzaakt om de verzekering premievrij te maken of te beëindigen. Deze maatregel kan ernstige fiscale consequenties met zich mee brengen.

Wij adviseren u dan ook dringend bovengenoemde achterstand binnen 14 dagen aan de verzekeringsmaatschappij te voldoen (…)

Wij behouden ons het recht voor, om in uiterste geval tot opzegging van de aan u verstrekte geldleningen over te gaan.”

2.9.

Omstreeks september 2009 heeft Interpolis de SpaarZekerVerzekering met terugwerkende kracht per 1 april 2009 premievrij gemaakt. Tussen [eiser] en Interpolis zijn in oktober 2009 gesprekken gevoerd over afkoop van de verzekering.

2.10.

Bij brief van 23 november 2009 heeft Rabohypotheekbank c.s. aan [eiser] geschreven dat uit haar administratie blijkt dat [eiser] een betalingsachterstand heeft en dat hij nog rente op beide hypothecaire geldleningen verschuldigd is van respectievelijk € 39,58 op de aflossingsvrije hypotheek en een bedrag van € 487,50 op de SpaarZekerHypotheek.

2.11.

Bij brief van 16 februari 2010 heeft Rabohypotheekbank c.s. aan [eiser] geschreven:

“Met verwijzing naar onze brief van 17-12-2009 hebben wij geconstateerd dat het een en ander niet tot aanzuivering van de achterstanden heeft geleid. Ook is het niet mogelijk gebleken een betalingsregeling met u te treffen.

U laat de bank thans geen enkele keuze meer. Om te voorkomen dat wij overgaan tot opzegging van de aan u verstrekte financieringen, dient u per omgaande de gehele achterstand in betaling over te maken. Het gaat om een bedrag van EUR 39,58 op leningnummer 3442.906.857 en een bedrag van
€ 487,50 op leningnummer 3442.901.898.

Wanneer u in gebreke blijft om de achterstallige verplichtingen aan de bank te voldoen kan dit leiden tot opzegging van de aan u verstrekte financieringen en zonodig tot gedwongen verkoop van het hypothecair verbonden onderpand.”

Het gaat hier om een achterstand van één maand.

2.12.

Vervolgens heeft Rabohypotheekbank c.s. de SpaarZekerHypotheek per april 2010 omgezet in een annuïteitenhypotheek. Gelijktijdig heeft Rabohypotheekbank c.s. de SpaarZekerVerzekering afgekocht.

2.13.

Hierna diende [eiser] aan Rabohypotheekbank c.s. maandelijks een bedrag van € 462,51 aan rente en een bedrag van € 325,- aan aflossing op de annuïteitenhypotheek te voldoen, alsmede het bedrag van € 39,50 aan rente op de aflossingsvrije hypotheek. Ten opzichte van de oude situatie (alleen betaling van rente op beide leningen en betaling van premie aan de verzekeringsmaatschappij) namen de lasten van [eiser] met een bedrag van € 163,51 per maand toe. Rabohypotheekbank c.s. heeft de afkoopwaarde van de SpaarZekerVerzekering ten bedrage van € 5.322,60 aangewend voor aflossing op de hoofdsom van de hypothecaire geldlening onder nummer 3442.901.898.

2.14. [

eiser] is het bedrag van de (oorspronkelijke) rentetermijnen op de leningen blijven betalen, maar niet de nieuwe aflossingstermijnen. Hij heeft incidenteel wel een hoger maandbedrag betaald, hetgeen heeft gestrekt in mindering op de geldlening.

2.15. [

eiser] heeft bij brief van 19 april 2010 een klacht bij Rabohypotheekbank c.s. ingediend. Bij brief van 11 mei 2010 heeft Rabohypotheekbank c.s. als volgt gereageerd:

“(…) De beslaglegging op uw onroerend goed heeft geen enkele invloed gehad op de omzetting van uw hypothecaire geldlening met nummer 3442.901.898.

Op 1 september 2005 verstrekte de Rabobank Hoorn en Omstreken U.A. gevestigd te Hoorn u een SpaarZeker Hypotheek met Nationale Hypotheek Garantie ter grootte van EUR 150.000,-.

Omdat door u de premie van de SpaarZeker verzekering, die is gekoppeld aan de geldlening, niet (tijdig) werd betaald zijn wegens wanbetaling door de verzekeringsmaatschappij Interpolis te Tilburg, de polisvoorwaarden aangepast. De polis (…) werd premievrij gemaakt.

Over de mogelijke gevolgen van het niet betalen van de premies, premievrijmaking of beëindiging van de verzekering, bent u het afgelopen jaar geïnformeerd, zowel door de verzekeringsmaatschappij als door Rabobank Nederland.

Tevens meldt de Algemene Bankvoorwaarden 2008 dat de bank het recht heeft de financiering geheel opeisbaar te stellen op het moment dat er premie achterstanden zijn of de verzekeringsovereenkomst eindigt. In uw situatie hebben we gekozen de productvoorwaarden te wijzigen.

Daarnaast heeft u een lening met Nationale Hypotheek Garantie. Voor deze financiering is het noodzakelijk dat er een aflossingscomponent op uw lening zit. Het reeds opgebouwde spaarkapitaal is aan de bank verpand. Conform de voorwaarden van de verpanding hebben wij dit bedrag afgelost op de geldlening.”.

2.16.

Bij brief van 28 februari 2012 heeft Rabohypotheekbank c.s. aan [eiser] geschreven dat hij een achterstand van EUR 39,58 heeft op de aflossingsvrije hypotheek en een achterstand van € 6.341,73 op de annuïteitenhypotheek. In de brief staat voorts:

“U moet het genoemde bedrag binnen tien dagen betalen.

(…) Is dit niet mogelijk voor u, dan adviseren wij u om zo snel mogelijk contact op te nemen met (…) om naar een passende oplossing te zoeken. (….)”.

2.17.

Bij brief van 13 maart 2012 heeft Rabohypotheekbank c.s. [eiser] geschreven:

(…) Uw brief van 05-03-2012 is door mij in goede orde ontvangen.

In deze brief geeft u aan dat u nog niet naar een passende oplossing wilt zoeken zolang de afhandeling van de klacht bij KIFID nog niet is afgerond.

Ik wil u er echter op wijzen dat op uw leningnummer 3442.901.898 op dit moment een achterstand in betaling is ontstaan van EUR 7.107,96 (…).

Na afronding van uw klacht zal het openstaande bedrag hoger zijn. Als dan blijkt dat u het totaal openstaande bedrag niet ineens kunt voldoen, ontstaat voor zowel u als voor de bank een probleem. Om dat te voorkomen vind ik het belangrijk dat nu al duidelijk wordt hoe dit openstaande bedrag te zijner tijd kan worden betaald.

Graag ontvang ik van u een bewijs waarmee u aantoont dat er voldoende gelden worden gereserveerd.”

2.18.

Bij beslissing van 30 oktober 2012 heeft KIFID de klacht van [eiser] ongegrond verklaard. Daartoe heeft KIFID onder meer overwogen:

“De Commissie constateert dat Consument en Aangeslotene in oktober 2009 met elkaar in gesprek zijn getreden over de afkoop van de spaarverzekering. De hypothecaire geldlening zou dan worden omgezet in een aflossingsvrije lening en de NHG zou vervallen. De Commissie constateert tevens dat Aangeslotene akkoord kon gaan met de omzetting, onder de voorwaarde dat eerst het beslag op de woning van Consument zou worden opgeheven.(…)

Aangeslotene heeft gedurende de schriftelijke procedure en ter zitting voldoende toegelicht dat een beslaglegging een buitengewoon onzekere situatie schept en dat zij het onder deze omstandigheden te risicovol achtte de spaarverzekering af te kopen. De Commissie volgt Aangeslotene in haar betoog en een en ander geeft voor de Commissie geen aanleiding te veronderstellen dat Aangeslotene een onredelijke voorwaarde heeft gesteld. (…)

Voorts constateert de Commissie dat Consument de achterstanden op de spaarverzekering en de hypothecaire geldlening heeft laten oplopen. Er werd dus geen vermogen opgebouwd in de spaarverzekering, hetgeen wel een voorwaarde voor NHG was. De Commissie acht Aangeslotenes onderbouwing van de keuze de spaarverzekering af te kopen en het vrijgevallen – en bovendien aan haar verpande – kapitaal af te lossen op de uitstaande geldlening en de geldlening om te zetten in een annuïteitenhypotheek dan ook alleszins redelijk; er was immers sprake van een achterstand op de hypothecaire geldlening welke zij hiermee kon aanzuiveren. Bovendien was zij daartoe ook gerechtigd op grond van artikel 18 van de Voorwaarden.”.

2.19.

Bij brief van 24 april 2013 heeft Rabohypotheekbank c.s. aan [eiser] geschreven:

“Als reactie op uw schrijven van 15-03-2013 deel ik u het volgende mede:

In 2010 is uw SpaarZekerHypotheek omgezet naar een annuïteitenhypotheek. Dit heeft plaatsgevonden omdat u ondanks herhaaldelijke verzoeken de premie van de SpaarZekerVerzekering niet betaalde.

U vraagt ons nu om de hypotheekvorm te wijzigen naar een aflossingsvrije lening. Dit is helaas niet mogelijk. De eventuele opbrengst van uw woning is onvoldoende om uw hypotheekleningen af te lossen. Om het risico voor uzelf en de bank te beperken moet u elke maand een aflossing blijven betalen.

Op dit moment bent u ons nog rente en aflossing verschuldigd op uw leningen. Het gaat om een bedrag van EUR 39,58 op leningnummer 3442.906.857 en een bedrag van EUR 8.911,77 op leningnummer 3442.901.898.

Wij zenden u een inkomsten/lastenformulier toe. Indien u dit volledig ingevuld retour stuurt naar de bank zal blijken of u in staat bent om de achterstand m.b.v. een langlopende regeling kunt inlopen. Mocht dit niet het geval zijn, dient u uw woning in de verkoop te zetten.”.

2.20.

Bij brief van 17 juni 2013 heeft Rabohypotheekbank c.s. aan [eiser] geschreven dat de achterstand is opgelopen tot een bedrag van € 79,16 op leningnummer 3442.906.857 en een bedrag van € 9.688,81 op leningnummer 3442.901.898.

2.21.

Bij brief van 16 augustus 2013 heeft Rabohypotheekbank c.s. aan [eiser] geschreven

“U heeft een achterstand op uw hypotheek. Deze achterstand betaalt u niet.

(…) Er zijn twee mogelijkheden.

  1. U krijgt van de Rabobank één maand de tijd om uw lening(en) af te lossen. Dit doet u door bij een andere bank een lening af te sluiten. (…)

  2. U schakelt binnen twee weken een makelaar in om uw huis te verkopen. U moet ons dan binnen twee weken een kopie van deze opdracht sturen. (…)

Wat gebeurt er als u niets doet?

De Rabobank verkoopt uw woning dan openbaar (veiling). Let op, uw huis levert dan vaak minder geld op. Wij adviseren u daarom uw huis via een makelaar te verkopen.(…)”.

2.22.

Bij brief van 4 november 2013 heeft Rabohypotheekbank c.s. nog een allerlaatste waarschuwing aan [eiser] gegeven. In de brief staat:

“(…) Indien wij, binnen 3 werkdagen na dagtekening van deze brief, geen reactie of betaling van u ontvangen laat u ons geen andere keus dan tot onmiddellijke opzegging van de aan u verstrekte financiering over te gaan. Wij geven dan per direct opdracht aan een notaris om tot veiling van uw woning over te gaan. Alle hieruit voortkomende veilingkosten komen voor uw rekening.

(…) U dient zich ervan bewust te zijn dat bij een eventueel verlies na verkoop van uw woning de bank altijd het verlies op u blijft verhalen totdat de gehele schuld is terug betaald.”.

2.23.

Bij brief van 6 november 2013 heeft [eiser] aan Rabohypotheekbank c.s. geschreven:

“De achterstanden in de betaling van de hypotheeklasten gaan terug naar 1 april 2010, het moment waarop u mijn spaarhypotheek zonder enig overleg of akkoord heeft omgezet in een annuïteitenhypotheek met hogere maandlasten. Vervolgens is het bedrag a € 5.322,60 die vrij kwam uit de spaarverzekering verrekend met het openstaande hypotheekbedrag in tegenstelling wat u heeft aangeven bij de Kifid in het bindend advies van 30 oktober 2012 om hier de achterstanden mee aan te zuiveren.

Waar ik van mening ben dat het bindende advies op veel punten niet op de juiste manier tot stand is gekomen heb ik op 3 oktober 2013 een klacht ingediend bij Rabobank Hoorn-Midden Westfriesland.

Uit de reactie van de bank van 10 oktober 2013 maak ik op dat een verdere rechtsgang of hoger beroep niet meer open staat en de bank niet meer opnieuw wil ingaan op mijn standpunt en vragen.

Waar de problemen in 2009 zijn ontstaan (bouw crisis) is het sinds deze periode tot heden niet mogelijk geweest een afspraak te maken met de bank om via een gesprek samen te zoeken naar een passende oplossing.

Graag ontvang ik via deze weg antwoorden op de volgende vragen. (….)”

Waarom is het al ruim 4 jaar niet mogelijk een afspraak te maken met de bank voor een gesprek?

Mocht er geen verandering plaatsvinden in uw standpunt met vooraankondiging veiling van de woning zie ik geen andere mogelijk om mijn te wenden tot de rechtbank.”.

2.24.

Bij brief van 12 november 2013 heeft Rabohypotheekbank c.s. aan [eiser] geschreven:

“Als reactie op uw schrijven van 06-11-2013 delen wij u het volgende mede:

Inzake de door u gestelde vragen waarin u terugkomt op zaken waarover de Geschillencommissie van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening inmiddels een definitieve uitspraak heeft gedaan, zien wij geen reden om hier opnieuw op de zaken in te gaan.

In ons schrijven van 19-08-2013 hebben wij u medegedeeld dat u uw woning in de verkoop diende te zetten of dat u een herfinanciering elders diende af te sluiten. Hiervoor had u een termijn van maximaal twee maanden gekregen.

Helaas heeft u uw woning niet in de verkoop gezet en heeft er geen herfinanciering plaatsgevonden. Daardoor heeft u middels onze brief van 05-11-2013 bericht ontvangen dat we zullen overgaan tot opzegging van de financiering. Wij blijven bij ons standpunt.“

2.25.

Omstreeks april 2014 heeft [eiser] aan Rabohypotheekbank c.s. verzocht of er een wijziging in de hypotheekvorm kan plaatsvinden in verband met de overwaarde van de woning. Hierop heeft Rabohypotheekbank c.s. aan [eiser] geschreven dat hij daartoe een recente WOZ waarde dan wel taxatierapport dient te ontvangen.

2.26.

Bij brief van 23 april 2014 heeft Rabohypotheekbank c.s. de financiering per direct opgezegd en [eiser] verzocht, althans gesommeerd om binnen veertien dagen aan Rabohypotheekbank c.s. te voldoen het totaal verschuldigde bedrag van beide hypothecaire geldleningen, alsmede de debetsaldi op zijn zakelijke rekening en betaalrekening, vermeerderd met rente en kosten. Voorts heeft Rabohypotheekbank c.s. medegedeeld dat zij voorbereidingen zal treffen voor openbare verkoop van de woning indien [eiser] niet of niet tijdig aan het verzoek tot betaling voldoet. In de brief staat dat per 1 april 2014 de achterstallige rente op de aflossingsvrije hypotheek € 395,80 bedraagt en de achterstallige rente op de annuïteitenhypotheek € 3.236,27.

2.27. [

eiser] heeft niet aan Rabohypotheekbank c.s. betaald. Bij exploot van 30 juli 2014 is [eiser] de executieveiling van de woning aangezegd. De veiling staat gepland op 15 september 2014.

3 Het geschil

3.1. [

eiser] vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter Rabohypotheekbank c.s. zal veroordelen om de executie te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van Rabohypotheekbank c.s. in de proceskosten.

3.2.

Daartoe heeft [eiser] - zakelijk weergegeven - gesteld dat hij de afkoopwaarde van de PremieSpaarVerzekering had willen aanwenden voor voldoening van schulden. Echter, Rabohypotheekbank c.s. heeft eenzijdig besloten om de aflossingsvrije SpaarZekerHypotheek in een annuïteitenhypotheek om te zetten en de afkoopwaarde van de PremieSpaarVerzekering te benutten voor een aflossing op de geldlening. Daartoe was Rabohypotheekbank c.s. niet gerechtigd en [eiser] heeft nooit met een annuïteitenhypotheek ingestemd. De omzetting had voorts tot gevolg dat [eiser] met hogere maandelijkse hypotheeklasten werd geconfronteerd. Ten tijde van de omzetting had [eiser] een achterstand van slechts één maand. De omzetting van de hypotheek heeft hem nog verder in financiële moeilijkheden gebracht. [eiser] is de rente op de leningen blijven betalen maar [eiser] was financieel gewoonweg niet in staat om de maandelijkse aflossingen te voldoen. Na de uitspraak van KIFID had [eiser] met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2010 een grote betalingsachterstand. Door deze handelwijze heeft Rabohypotheekbank c.s. in strijd met haar zorgplicht gehandeld. Het was immers voor Rabohypotheekbank c.s. duidelijk dat [eiser] geen hogere maandlasten kon voldoen. [eiser] heeft jarenlang getracht met Rabohypotheekbank c.s. tot een oplossing te komen waardoor zijn maandlasten zouden afnemen. Daartoe bleek Rabohypotheekbank c.s. niet bereid. Rabohypotheekbank c.s. wilde ook geen betalingsregeling treffen waarbij [eiser] een laag bedrag op de achterstand in de aflossingstermijnen kon betalen. Probleem daarbij was [eiser] zich alleen maar kon wenden tot de afdeling Bijzonder Beheer, die maar aanmaningen bleef sturen. Inmiddels heeft [eiser] een regeling getroffen met zijn voormalig partner waarbij zij afziet van inning van achterstallige alimentatie en het beslag op de woning kan worden opgeheven. [eiser] heeft ook een aantal financiële geschillen met derden afgewikkeld en zijn inkomsten nemen toe doordat hij weer meer opdrachten krijgt. Hierdoor is [eiser] in staat om een substantieel bedrag van enkele duizenden euro’s aan Rabohypotheekbank c.s. te voldoen, voor zover mocht blijken dat er een betalingsachterstand bestaat. De maandelijkse hypotheekrente kan [eiser] eenvoudig opbrengen. Het gaat hier om executieverkoop van de woning van [eiser] waarin hij investeringen heeft gedaan en waar hij met zijn gezin wil wonen. Openbare verkoop van de woning zal leiden tot een aanzienlijke restschuld voor [eiser] en het is maar de vraag of de NHG dit dekt. Onder deze omstandigheden maakt Rabohypotheekbank c.s. misbruik van executierecht. Gelet op het feit dat de veiling zal plaatsvinden op 15 september 2014 heeft hij spoedeisend belang bij zijn vordering, aldus [eiser].

3.3.

Rabohypotheekbank c.s. heeft - zakelijk weergegeven - het volgende tot haar verweer aangevoerd.

De voorzieningenrechter dient zich onbevoegd te verklaren op grond van het bepaalde in artikel 1022 Rv nu [eiser] met de bank een arbitrageovereenkomst is aangegaan, waarbij zijn klacht is voorgelegd aan KIFID.

De financieringsrelatie met [eiser] verloopt al jarenlang bijzonder problematisch. Sinds 2009 is sprake van achterstanden in de verzekeringspremies en later ook van rente en aflossingen. In mei 2009 is beslag op de woning gelegd, dat nog altijd niet is opgeheven. [eiser] is gewezen op de consequenties van de achterstand in de betaling van de premies. Toen betaling uitbleef is de polis premievrij gemaakt, waarmee werd voorkomen dat het opgebouwde kapitaal tot nihil zou afnemen door verrekening met nieuwe betalingstermijnen. De kapitaalopbouw in de SpaarZekerVerzekering is voorwaarde voor NHG geweest om borgstelling te verstrekken. De kapitaalopbouw kwam echter te vervallen doordat de premies niet werden voldaan en de polis moest worden afgekocht om groter verlies te voorkomen. Vervolgens is de afkoopwaarde van de verzekering gebruikt waarvoor zij bedoeld is, namelijk het verlagen van de leensom. De hoofdsom van de SpaarZekerHypotheek is met de afkoopwaarde van € 5.322,60 verlaagd. De bank mocht - en behoorde - af te lossen op de hoofdsom op grond van de voorwaarden van Interpolis en de geldleningsovereenkomst, alsmede op grond van de voorwaarden van de borgstelling door NHG. [eiser] heeft geprotesteerd tegen de omzetting van de SpaarZekerHypotheek naar een annuïtaire lening. De omzetting was echter noodzakelijk om te blijven voldoen aan de voorwaarden van NHG. De borgstelling van NHG loopt immers af omdat wordt gerekend met een kapitaalopbouw, dan wel aflossing. Omdat geen premie meer werd betaald, kon de SpaarZekerHypotheek niet in stand blijven. Resteerde de mogelijkheid van een lening met een aflossingscomponent. Annuïtaire aflossing lag voor de hand omdat daarbij de totale maandlasten van de debiteur gelijk blijven, omdat de mate van aflossingen en het rentecomponent op elkaar worden afgestemd. Dat geeft overzicht en rust voor de klant en maakte dat de afspraken onder NHG in stand konden blijven. Tijdens procedure bij het KIFID heeft de bank steeds maandelijks aan [eiser] gemeld welke bedragen hij nog verschuldigd was, het is dus onjuist dat hij na de uitspraak van KIFID ineens met een grote betalingsachterstand werd geconfronteerd. Hoewel de bank onder deze omstandigheden het recht heeft om de financiering onmiddellijk op te eisen, heeft zij getracht om te komen tot een betalingsregeling. De regelingen die zij in 2010 en 2013 met [eiser] heeft gesloten, zijn echter niet door hem nagekomen. De bank heeft aan [eiser] geadviseerd om zijn woning te koop aan te bieden, dan wel elders te laten financieren. Een onderhandse verkoop levert immers een betere opbrengst op dan een executoriale verkoop. [eiser] heeft hier geen gehoor aan gegeven. De gevolgen daarvan dienen voor zijn rekening en risico te komen.

Bij gebrek aan perspectief op verbetering van de situatie en nadat het dossier ruim 5 jaar bij haar afdeling Bijzonder Beheer liep heeft de bank aan NHG goedkeuring gevraagd en gekregen om de financiering op te zeggen. Vervolgens is aan de notaris opdracht gegeven tot executie van het recht van hypotheek. Door opzegging van de leningen en kredieten is de gehele vordering van de bank opeisbaar geworden. Gelet op het verloop van de afgelopen jaren kan van de bank niet worden gevergd dat de financieringsrelatie wordt hersteld. De bank acht ongeloofwaardig de stelling van [eiser] dat er nu geld beschikbaar is voor betalingen. Er rust ook nog altijd een executoriaal beslag op de woning. Niet te verwachten is dat de financiële toestand van [eiser] drastisch is veranderd. De bank heeft een gerechtvaardigd belang om na jaren van intensief beheer te komen tot beëindiging van de relatie. De verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de huidige situatie ligt bij [eiser] die zijn premie niet betaalde en vervolgens achterstanden liet ontstaan. Gelet op het vorenstaande maakt zij geen misbruik van haar executiebevoegdheid, aldus Rabohypotheekbank c.s..

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter vermag niet in te zien dat het indienen van een klacht bij en de behandeling daarvan door de geschillencommissie KIFID, leidend tot een bindend advies, de bevoegdheid van de burgerlijke rechter uitsluit om te oordelen over de rechtmatigheid van een executie. Aldus acht de voorzieningenrechter zich bevoegd om over dit geschil te oordelen.

4.2.

Niet in geschil is dat er sprake is van betalingsachterstand op de hiervoor vermelde hypotheken. De bank heeft als hypotheekhouder dan ook in beginsel het recht van parate executie. Aan de orde is de vraag of de bank onder de geschetste omstandigheden door uitoefening van dat recht misbruik maakt van haar bevoegdheid. Beantwoording van die vraag kan niet los worden gezien van de vraag in hoeverre de bank zich heeft gekweten van de zorgplicht die op haar als financieel dienstverlener rust.

4.3.

De voornaamste oorzaak van de tussen partijen ontstane problemen is de premievrijmaking en afkoop van de SpaarZekerVerzekering en de omzetting van de SpaarZekerHypotheek naar een annuïteitenhypotheek.

Hierdoor werd [eiser], die reeds in betalingsproblemen verkeerde, geconfronteerd met hogere maandlasten terwijl hij al moeite had met de betaling van de voordien geldende maandtermijnen en verzekeringspremies.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de thans voorliggende stukken niet, althans onvoldoende, dat Rabohypotheekbank c.s. [eiser] destijds voldoende heeft geïnformeerd over de aanzienlijke consequenties van het niet (tijdig) betalen van de verzekeringspremies en het premievrij maken van de verzekeringspolis. Daarvan blijkt niet uit de brieven van de Afdeling Bijzonder Beheer van 7 juni 2009, 23 november 2009 en 16 februari 2010. Volgens Rabohypotheekbank c.s. is een en ander uitvoerig met [eiser] besproken, maar dat heeft [eiser] betwist. De [naam behandelaar] heeft daar ter zitting ook niet uit eigen wetenschap over kunnen verklaren, omdat blijkens de correspondentie van Rabohypotheekbank c.s. kennelijk niet hij maar zijn collega’s Bongaerts en De Louweren de zaak hebben behandeld.

4.5.

Reeds binnen enkele maanden na de eerste aanmaning van de afdeling Bijzonder Beheer van Rabohypotheekbank c.s. (brief van 7 juni 2009, waarin wordt aangemaand tot betaling aan Interpolis van drie vervallen premietermijnen) is Interpolis overgegaan tot het premie vrijmaken van de polis. Daarna was [eiser] er kennelijk nog niet op bedacht dat het premievrij maken van de polis zou kunnen leiden tot omzetting van de hypotheek in een annuïteitenhypotheek waarbij de afkoopwaarde van de polis zou worden gebruikt voor aflossing van de hoofdsom. Immers, tussen [eiser] en Rabohypotheekbank c.s. is in oktober 2009 nog gesproken over afkoop van de verzekeringspolis, waarbij [eiser] de afkoopwaarde zou aanwenden voor de voldoening van schulden aan derden, de NHG zou vervallen en de SpaarZekerHypotheek zou worden omgezet in een aflossingsvrije hypotheek. Gelet op de brief van 16 februari 2010 was er op dat moment nog maar een achterstand van één maand in de betaling van de rentetermijnen op de SpaarZekerHypotheek. Kort daarna heeft Rabohypotheekbank c.s. echter besloten om de hypotheek om te zetten in een annuïteitenhypotheek, terwijl zij wist dat dat tot hogere maandlasten voor [eiser] zou leiden.

4.6.

Op grond van de toepasselijke voorwaarden van Interpolis, Rabohypotheekbank c.s. en NHG zijn de keuzes om de verzekeringspolis premie vrij te maken en vervolgens de hypotheekvorm te wijzigen toegestaan, maar het komt de voorzieningenrechter voor Rabohypotheekbank c.s. in 2009 steken heeft laten vallen doordat zij [eiser] onvoldoende indringend heeft gewezen op de consequenties daarvan en onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van [eiser] om niet met hogere lasten als gevolg van een -in de ogen van Rabohypotheekbank c.s. zelf kennelijk onontkoombare- omzetting van de hypotheekvorm naar een annuïteitenhypotheek te worden geconfronteerd. In dat licht kan de klacht van [eiser] bij KIFID ook worden geplaatst. Weliswaar heeft KIFID [eiser] in het ongelijk gesteld, maar de voorzieningenrechter acht dat niet doorslaggevend.

4.7.

Vervolgens blijkt uit de stukken dat de Rabohypotheekbank c.s. vooral is blijven hameren op voldoening van de oplopende achterstanden in de betaling van aflossingstermijnen die niet pasten bij [eiser]s financiële mogelijkheden. Bij brief van 24 april 2013 heeft Rabohypotheekbank c.s. nog wel aangeboden om te bezien of de achterstand door middel van een langlopende regeling zou kunnen worden ingelopen, maar daar is [eiser] niet op ingegaan, kennelijk omdat daarmee het werkelijke probleem, de te hoge maandlasten na de omzetting, ook in die brief niet werd geadresseerd.

4.8.

De achterstand in de betaling van de annuïteitenhypotheek bedroeg in april 2013 € 8.911,77, omstreeks elf maandtermijnen (rente en aflossing). Volgens Rabohypotheekbank c.s. bedraagt de achterstallige rente per april 2014 op de aflossingsvrije hypotheek € 395,80 en de achterstallige rente op de annuïteitenhypotheek
€ 3.236,27. [eiser] heeft ter zitting gesteld dat hij de rente op de leningen (weer) voldoet, dat hij in staat is om daarnaast een substantieel bedrag aan Rabohypotheekbank c.s. te voldoen ter aflossing van de achterstanden en dat hij ook kan overgaan tot het voldoen van de maandelijkse aflossingen, nu zijn werkzaamheden weer aantrekken.

Uit de stukken is gebleken dat [eiser] ondanks zijn financiële problemen eerder toch nog een aantal aflossingstermijnen heeft voldaan. Ook heeft [eiser] gesteld dat hij een regeling met zijn voormalig partner heeft getroffen en dat het beslag op de woning zal worden opgeheven.

4.9.

Volgens Rabohypotheekbank c.s. bedraagt de executiewaarde van de woning op dit moment € 110.000,- en de waarde bij onderhandse verkoop een bedrag van € 180.000,-.

Bij executieverkoop van de woning ontstaat een restschuld van ongeveer € 46.000,- (te vermeerderen met rente en kosten) waarvan onzeker is of die door NHG wordt gedekt, terwijl de woning bij onderhandse verkoop een overwaarde heeft.

De verbouwing van de woning verkeert volgens [eiser] in een eindstadium. De overwaarde zal nog wat hoger zijn zodra de woning gereed is. Aldus heeft Rabohypotheekbank c.s. op zich zelf bezien ook nu voldoende zekerheid tot voldoening van haar vordering.

Gelet op de omstandigheid dat tot het moment van executie niet zeker is of het tekort door NHG wordt gedekt heeft het de voorkeur om tot onderhandse verkoop van de woning over te gaan indien [eiser] toch niet in staat blijkt om aan zijn verplichtingen te voldoen. Daar komt bij dat de markt, zeker in het lagere segment, aantrekt.

4.10.

Dit alles overziende is de voorzieningenrechter van oordeel dat Rabohypotheekbank c.s. misbruik van bevoegdheid maakt door op dit moment de executie door te zetten.

Waar de bank [eiser] in 2009 aanvankelijk op het verkeerde been heeft gezet door de indruk te wekken dat afkoop van de verzekeringspolis zou kunnen helpen bij de oplossing van zijn financiële problematiek, stond het haar daarna niet meer vrij om de hypotheek om te zetten naar een annuïteitenhypotheek zonder zich ervan te vergewissen of de daaruit voortvloeiende maandlasten voor [eiser] waren op te brengen.

Ook in de periode nadien is van werkelijke zorg voor de belangen van [eiser] geen sprake geweest. Tegenover de stelling van [eiser] dat hij al 4 jaar heeft gepoogd om een afspraak te maken met de bank voor een gesprek heeft de bank niet aannemelijk kunnen maken dat zij die ruimte heeft geboden. De overgelegde brieven van de bank aan [eiser] geven daarvan ook geen blijk; zij geven vooral blijk van de aandacht van de bank voor haar eigen belang.

Bij die stand van zaken gaat het niet aan dat Rabohypotheekbank c.s. wil “doorpakken” op een moment waarop [eiser]s financiële situatie zodanig lijkt te verbeteren dat hij de door de bank eenzijdig verzwaarde lasten kan voldoen.

4.11.

Nu vooralsnog onzeker is of dat betere perspectief ook duurzaam realiteit zal worden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan de gevorderde staking van de executie voorwaarden te verbinden als na te melden.

Indien [eiser] niet in staat is om aan deze voorwaarden te voldoen, dient hij binnen twaalf maanden na heden zelf de onderhandse verkoop van de woning te hebben gerealiseerd, om niet alsnog met een executieverkoop (met daarbij komende hoge kosten) te worden geconfronteerd.

4.12.

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat Rabohypotheekbank c.s. zich als maatschappelijk verantwoord ondernemende bankinstelling aan dit vonnis houdt, zodat hij geen aanleiding ziet om een dwangsom te bepalen.

4.13.

Nu [eiser] grotendeels in het gelijk wordt gesteld, zal Rabohypotheekbank c.s. in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt Rabohypotheekbank c.s. om de executie van de woning gelegen aan [-] te staken en gestaakt te houden;

bepaalt dat [eiser] aan deze veroordeling slechts rechten kan ontlenen indien en voor zover hij de vanaf heden verschijnende maandelijkse rentetermijnen stipt op tijd voldoet, binnen een half jaar na heden de achterstallige rentetermijnen volledig aan Rabohypotheekbank c.s. heeft voldaan en voorts binnen twaalf maanden na heden de achterstallige en de verschijnende aflossingstermijnen volledig aan Rabohypotheekbank c.s. heeft voldaan en nadien blijft voldoen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Rabohypotheekbank c.s. in de proceskosten, tot op heden begroot op € 170,80 voor verschotten en op € 816,- aan salaris advocaat, waarvan een bedrag van € 70,35 (=75% van € 93,80 explootkosten) te voldoen aan de griffier van deze rechtbank door overmaking op rekeningnummer NL83RBOS0569991293 ten name van Griffie LDCR onder vermelding van “proceskostenveroordeling” en het zaak- en rolnummer C/14/156343 / KG ZA 14-261;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en door mr. J.H. Gisolf in het openbaar uitgesproken op 12 september 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.