Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8699

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
11-09-2014
Zaaknummer
C14/14/135155 HA ZA 12-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Letselschade. Groepsaansprakelijkheid. Bokser wordt op straat door groep neergeschoten. Schadeposten. Vervolg op ECLI:NL:RBNHO:2013:6852.

Verlies arbeidsvermogen. De enkele stelling van eiser dat hij ‘naast een volledige baan’ inkomsten zou verwerven uit zijn bokscarrière is onvoldoende.

Bij de immateriële schade houdt de rechtbank rekening met vergelijkbare gevallen, maar merkt daarbij meteen op dat de jurisprudentie niet veel door een kogelregen gevelde topsporters kent. Daarnaast is de rechtbank niet doof voor signalen uit de rechtswetenschap dat de vergoeding voor immateriële schadevergoeding in Nederland ten opzichte van het buitenland de afgelopen decennia uit de pas is gaan lopen en dat, ware geldontwaarding volledig verdisconteerd, zelfs sprake is van een achteruitgang in de hoogte ervan. De rechtbank meent dat een immateriële schadevergoeding van EUR 25.000,- billijk is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2015/26

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

JR/IT/HvE

Vonnis van 27 augustus 2014

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/14/135155 / HA ZA 12-57 (toev.nr.: 4GK9158; 4GK9159; 4GK9161; 4GK9162; 4GK9163; 4GK9165) van

[eiser][eiser]

wonende te Amsterdam,

EISER,

advocaat mr. E.F. Klungers te Alkmaar,

tegen

toev. nr. 4JD9118

1. [gedaagde 1][gedaagde 1]

wonende te Hoorn,

gedaagde,

advocaat mr. M. Westerveld te Amsterdam,

toev. nr. 4JD8005

2. [gedaagde 2][gedaagde 2]

wonende te Hoorn,

gedaagde,

advocaat mr. G.E. Helder te Grootebroek,

toev. nr. 4JC2362

3. [gedaagde 3],

wonende te Hoorn,

gedaagde,

advocaat mr. N. van der Kruk te Zwaag,

toev. nr. 4JF5728

4. [gedaagde 4],

wonende te Veenhuizen,

gedaagde,

advocaat mr. J. Kluivers te Haarlem,

GEDAAGDEN.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juni 2013

  • -

    de conclusies van repliek van Uysal

  • -

    de conclusies van dupliek van gedaagden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen zij bij genoemd tussenvonnis heeft overwogen en beslist.

2.2.

In het vorige tussenvonnis is beslist dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [naam eiser]. De vraag wie precies welke schade heeft veroorzaakt is voor [naam eiser]dus niet van belang. De rechtbank heeft, gelet op het feit dat het debat omtrent de schade ondergeschikt dreigde te raken aan de aansprakelijkheidsvraag, na de vorige zitting partijen in de gelegen gesteld hun standpunten daarover bij re- en dupliek nogmaals toe te lichten.

2.3.

[naam eiser]vordert EUR 408.662,82. De vordering is uitgesplitst in de volgende schadeposten:

  1. Gemiste inkomsten als bokser: 324.000,00

  2. Studievertraging: 74.161,00

  3. Smartengeld: 25.000,00

  4. Medische kosten/herstelkosten: 7.026,05

  5. Verhuiskosten: 4.033,00

  6. Reiskosten: 700,17

  7. Diverse kosten: 545,00

  8. Huishoudelijke hulp: 47,60

---

Totaal: EUR 435.512,82.

Waarvan moet worden afgetrokken de EUR 26.850,- die [naam eiser]reeds vanuit het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft ontvangen.

2.4.

Door gedaagden is aangevoerd dat [naam eiser]geen schadevergoeding kan vorderen voor zover deze hem reeds in de strafprocedure als benadeelde partij is toegewezen. Dat is in beginsel juist, omdat [naam eiser]voor het toegewezen deel reeds over een executeerbare titel beschikt. [naam eiser]heeft echter ook belang bij het verkrijgen van één vonnis met daarin een hoofdelijke veroordeling van iedere aansprakelijke gedaagde. Daarom zal [naam eiser]wel in zijn vordering worden ontvangen, waarbij de rechtbank bij het formuleren van het dictum rekening zal houden met het feit dat gedaagden in het strafrecht reeds zijn veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan [naam eiser]

eigen schuld

2.5.

Gedaagden hebben zich erop beroepen dat [naam eiser]eigen schuld heeft aan zijn schade als bedoeld in art. 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW). Zij stellen – kort gezegd – dat de confrontatie plaatsvond op initiatief van zijn broer [persoon 1] en dat [naam eiser]had moeten weten dat een gewelddadig verloop van die confrontatie in de lijn der verwachtingen lag.

2.6.

Eerst dient een causaliteitsafweging te worden gemaakt, die in een geval als het onderhavige erop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [naam eiser]en anderzijds het handelen van gedaagden aan de schade van [naam eiser]hebben bijgedragen. Bij deze beoordeling komt het niet aan op de mate van verwijtbaarheid van een en ander. Beoordeling daarvan komt eerst aan de orde bij toepassing van de zogenaamde billijkheidscorrectie.

2.7.

Partijen twisten over de vraag of de ontmoeting op het Kerkplein in Hoorn een initiatief was van[persoon 1]. Naar het oordeel van de rechtbank is het antwoord op die vraag niet van doorslaggevend belang bij het oordeel of sprake is van eigen schuld aan de zijde van eiser. Duidelijk is dat er een conflict was ontstaan tussen [persoon 4]en [gedaagde 2] dat zeer wel mogelijk niet door middel van woorden ging worden beslecht. Voorts staat vast dat [naam eiser]op verzoek van zijn broer – die naar [naam eiser]wist in een vechtpartij verwikkeld was geraakt – op de bewuste avond op het plein aanwezig was, waarbij [naam eiser]moet hebben begrepen dat dit verzoek (mede) kon zijn ingegeven door het feit dat hij een geoefend en uitmuntend bokser was.

In zoverre is er zeker enig causaal verband te construeren tussen Uysal’s eigen handelen en zijn letsel. Echter staat ook vast dat de uitbarsting van geweld die gedaagden hebben ontketend niet is gevolgd op enige (noemenswaardige) provocatie door Uysal. Het geweld van gedaagden was dus onuitgelokt en zodanig buitenproportioneel, dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van gedaagden geheel in stand blijft.

verlies arbeidsvermogen

2.8.

De vordering van [naam eiser]ter zake verlies van arbeidsvermogen moet worden afgewezen. De vraag of een door een ongeval getroffene als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval. Bij zulk een vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen (ECLI:NL:HR:1998:ZC2654). [naam eiser]stelt een carrière als profbokser te hebben misgelopen. Hij vordert in dat kader een som (zie onder 2.3 a) die een optelling is van 9 jaren profboksen, waarbij 6 wedstrijden per jaar worden gebokst. De rechtbank kan niet uitsluiten dat [naam eiser]inderdaad na zijn studie Orthopedagogiek aan de UvA als profbokser verder wilde. De rechtbank sluit ook niet uit dat hem dit zou zijn gelukt. De vraag of schade wordt geleden wordt echter beantwoord door een vergelijking te maken tussen de ten gevolge van het ongeval gemiste inkomsten met de na het ongeval wel genoten inkomsten. Over dit laatste heeft [naam eiser]niets gesteld, zodat hij de rechtbank niet in staat heeft gesteld de bedoelde vergelijking te maken. Hij heeft daarbij niet aannemelijk gemaakt dat en hoe hij wél een volledige baan had gecombineerd met een profcarrière, nu hij blijkens de verklaring van zijn beoogde trainer [persoon 3] (in tegenstelling tot wat [naam eiser]zelf verklaart1) ook zijn studie aan de UvA niet met een profcarrière wilde/kon combineren. De enkele stelling dat hij ‘naast een volledige baan’ wel inkomsten zou verwerven uit zijn bokscarrière is in dat licht onvoldoende.

studievertraging

2.9.

[naam eiser]stelt een studievertraging te hebben opgelopen van vier jaar en vordert daarvoor een schadevergoeding overeenkomstig de richtlijnen die zijn ontwikkeld door de Letselschaderaad. Hij heeft een verklaring overgelegd van hoogleraar dr.[naam persoon 1] bij wie hij zijn eindscriptie schreef. [naam persoon 1] verklaart dat [naam eiser]alleen nog zijn scriptie moest schrijven maar dat dit door ‘concentratieproblemen en lichamelijke klachten’ een vertraging heeft opgelopen van drie jaar. Gedaagden stellen daartegenover dat deze post (daarmee) onvoldoende feitelijk is onderbouwd.

2.10.

Gedaagden betwisten op zich niet dat een eventuele studievertraging kan worden begroot langs de lijnen zoals die door de Letselschaderaad zijn getrokken. De rechtbank acht het aannemelijk dat [naam eiser]ten gevolge van de beschieting een studievertraging heeft opgelopen waardoor hij later de arbeidsmarkt heeft (kunnen) betreden. Achteraf valt nooit meer met zekerheid vast te stellen wanneer [naam eiser]zonder mishandeling zijn scriptie zou hebben afgerond. Deze onzekerheid moet in beginsel voor rekening van gedaagden blijven. De rechtbank deelt echter het standpunt van gedaagden dat [naam eiser]onvoldoende heeft aangevoerd voor het oordeel dat een studievertraging van meer dan een jaar moet worden toegerekend aan de mishandeling. De niet nader geconcretiseerde ‘concentratieproblemen en lichamelijke klachten’ geven daarvoor onvoldoende handvatten. De rechtbank zal daarom uitgaan van één jaar studievertraging. Nu het de bedoeling was van [naam eiser]om per 1 september 2008 af te studeren, zal de rechtbank het normbedrag van 2009 hanteren. Bij het opleidingsniveau van [naam eiser]hoort dan een bedrag van EUR 18.018,-. Tegen de vordering tot betaling van de extra kosten collegegeld van EUR 1.565,- is geen verweer gevoerd, zodat ook deze zal worden toegewezen.

smartengeld

2.11.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit geschilpunt voorop dat haar een grote mate van vrijheid toekomt bij het bepalen van de omvang van - kort gezegd - het smartengeld. Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade (vgl. artikel 6:106 BW) voor lichamelijk letsel moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden, waarbij voor de omvang van de smartengeldvergoeding in het bijzonder bepalend is de aard van het letsel, de duur en de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. De rechter dient de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn en het gemis aan levensvreugde af te leiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen, zoals de aard van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Bij de begroting mag de rechter daarnaast ook meewegen de aard van de aansprakelijkheid en de zwaarte van het aan de aansprakelijke gemaakte verwijt. De rechter dient bij zijn begroting tevens te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, rekening houdend met een eventueel opgetreden geldontwaarding (vgl. onder meer HR 8 juli 1992, NJ 1992/714 en HR 27 april 2001, NJ 2002/91).

[naam eiser]is van zeer nabij beschoten. Hij heeft ten gevolge daarvan de in rechtsoverweging 2.8 van het tussenvonnis van 26 juni 2013 beschreven ernstige verwondingen opgelopen. Na 49 dagen is hij uit het ziekenhuis ontslagen. Vaststaat dat in het ziekenhuis aan het zogenaamde pijnteam speciaal consult is gevraagd in verband met de forse pijnen die [naam eiser]leed. [naam eiser]was voorts als bokser van 2002 t/m 2004 Nederlands kampioen halfzwaargewicht in de A klasse. Door een blijvende functiebeperking aan de linkervoet heeft hij zijn passie, de bokssport, moeten prijsgeven. De rechtbank houdt rekening met vergelijkbare gevallen, maar merkt daarbij meteen op dat de jurisprudentie niet veel door een kogelregen gevelde topsporters kent. Daarnaast is de rechtbank niet doof voor signalen uit de rechtswetenschap dat de vergoeding voor immateriële schadevergoeding in Nederland ten opzichte van het buitenland de afgelopen decennia uit de pas is gaan lopen en dat, ware geldontwaarding volledig verdisconteerd, zelfs sprake is van een achteruitgang in de hoogte ervan2. De rechtbank meent, al het voorgaande in acht genomen, dat een immateriële schadevergoeding van EUR 25.000,- billijk is.

medische kosten/herstelkosten

2.12.

[naam eiser]vordert gemotiveerd EUR 7.026,05 in verband met ziekenhuisverblijf, aanschaf aangepast schoeisel, kosten medicatie, aanpassingen motorfiets, reiskosten en een aantal ‘eigen-risico’ posten. Deze posten komen de rechtbank aannemelijk en redelijk voor. Gedaagden hebben deze schadeposten slechts in algemene bewoordingen betwist, zodat de rechtbank ook deze zal toewijzen.

verhuiskosten

2.13.

[naam eiser]heeft aangevoerd dat hij zijn leven niet meer zeker was in Hoorn en dat hij zich op verzoek van de burgemeester van Hoorn elders heeft gevestigd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij een brief overgelegd van de coördinator publiekscontacten van de gemeente Hoorn van 19 december 2008. Deze brief is gericht aan mw.[persoon 5], de woningcoördinator van het Amsterdams Platform Onderwijsarbeidsmarkt. In deze brief onder meer is opgenomen:

“Namens onze burgemeester vraag ik uw medewerking bij het verkrijgen van een woning voor[naam eiser] Betrokkene is slachtoffer van een ernstig geweldsmisdrijf. Het betreft hier een probleem tussen twee rivaliserende bevolkingsgroepen in Hoorn. Voor het welzijn van betrokkene en de rust in onze gemeenschap is het van eminent belang dat dhr. [naam eiser]buiten Hoorn gehuisvest wordt. Gezien zijn werk als docent op een amsterdamse school ligt het voor de hand dat hij huisvesting zoekt in Amsterdam. In Hoorn loopt hij het risico om dagelijks geconfronteerd te worden met een van de leden van de andere groep. Dit geeft grote problemen zowel in de privé-sfeer van dhr. [naam eiser]als ook in het publieke domein.”

2.14.

Gedaagden betwisten de noodzaak van de verhuizing en het causaal verband met de mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is echter mede met de hiervoor geciteerde brief van de gemeente Hoorn de noodzaak en causaliteit voldoende aannemelijk gemaakt. Feitelijk onjuist is de stelling dat uit de brief blijkt dat [naam eiser]in een ‘bende’ zat. Dat de daders enige tijd vast hebben gezeten maakt de psychische last van een eventuele confrontatie daarna niet minder. Nu de hoogte van vordering door geen der gedaagden is betwist, zal deze – hoewel het een niet onderbouwde schatting betreft – worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van EUR 4.033,-.

Reiskosten, kleding, telefoon, porto en huishoudelijke hulp

2.15.

Gedaagden hebben deze posten, die uitkomen op een totaal van EUR 1.292,77 (welk bedrag de rechtbank aannemelijk en redelijk voorkomt), niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat ook deze schadepost zal worden toegewezen.

2.16.

Het totaal van de toegewezen schadeposten exclusief wettelijke rente beloopt EUR 56.934,82. Gedaagden zijn voor dit bedrag en voor de hierna berekende wettelijke rente hoofdelijk aansprakelijk, dit met inachtneming van het feit dat iedere gedaagde uit hoofde van zijn strafrechtelijke veroordeling echter reeds tot betaling van schadevergoeding is veroordeeld. Niet gebleken is dat aan die veroordelingen (deels) al is voldaan.

De wettelijke rente

2.17.

[naam eiser]heeft EUR 25.000,- aan immateriële schade geleden. De immateriële schadevergoedingsvordering is opeisbaar per datum mishandeling, zodat de wettelijke rente daarover overeenkomstig de primaire vordering ingaat per 20 februari 2007. De door het Schadefonds Geweldmisdrijven reeds aan [naam eiser]ten titel van immateriële schade betaalde uitkeringen van EUR 3.112,50 op 1 december 2007 en EUR 1.037,50 op 1 november 2008 zullen met inachtneming van artikel 6:44 BW eerst op de verschenen rente en vervolgens op de immateriële schadevergoeding in mindering worden gebracht.

De wettelijke rente over EUR 25.000,00 in de periode 20 februari 2007 t/m 1 december 2007 beloopt EUR 1.171,23, zodat de totale vordering op die datum EUR 26.171,23 bedroeg. Het op die dag door het Schadefonds betaalde bedrag van EUR 3.112,50 wordt eerst op de rente en vervolgens op de hoofdsom in mindering gebracht. De wettelijke rente over het restant van de hoofdsom van EUR 23.058,73 in de periode 1 december 2007 t/m 1 november 2008, was EUR 1.274,22, zodat de totale vordering op 1 november 2008 EUR 24.332,95 beliep. Het op die dag betaalde bedrag van EUR 1.037,50 wordt eerst op rente en vervolgens op de hoofdsom in mindering gebracht. Derhalve resteert een bedrag aan immateriële schade van EUR 23.295,45 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2008.

2.18.

De wettelijke rente over de toegewezen materiële schadeposten zal – enerzijds bij gebreke aan specificaties wanneer deze kosten zijn gemaakt, anderzijds uit proceseconomische overwegingen – worden toegekend vanaf datum dagvaarding. [naam eiser]heeft EUR 31.934,82 aan materiële schade geleden. De door het Schadefonds Geweldmisdrijven reeds aan [naam eiser]ten titel van materiële schade betaalde uitkeringen van EUR 15.495,75 op 1 december 2007 en EUR 5.165,25 op 1 november 2008 zullen hierop in mindering worden gebracht. Derhalve resteert een bedrag aan materiële schade van EUR 11.273,82 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 2012.

2.19.

[gedaagde 2]beroept zich op matiging van de aan [naam eiser]toe te kennen schadevergoeding. Hij wenst dat rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat hij, als gevolg van een ernstig ongeval, altijd afhankelijk zal zijn van een uitkering. Dit beroep faalt. Gelet op de wijze waarop de schade aan [naam eiser]is toegebracht, leidt het toerekenen van een volledige schadevergoeding, ook indien [gedaagde 2] afhankelijk blijft van een uitkering, niet tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen.

2.20.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [naam eiser] Gedaagden hebben ervoor gekozen zich ieder door een eigen advocaat te laten bijstaan. Dit heeft ertoe geleid dat [naam eiser]vier verschillende conclusies van antwoord heeft moeten nemen. De kosten aan de zijde van [naam eiser]worden daarom begroot op:

- explootkosten EUR 189,61 (waarvan 75% = EUR 142,20 in debet gesteld)

- betaald griffierecht 73,00

- salaris advocaat 15.480,00 (6,0 punten × factor 1,0 × tarief € 2.580,00)

Totaal EUR 15.742,61

Aangezien aan [naam eiser]een toevoeging is verleend, dienen de in debet gestelde explootkosten te worden voldaan aan de griffier, aangezien deze kosten door de rechtbank aan de deurwaarder zijn of worden voldaan.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk – des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd – om aan [eiser]te betalen een bedrag van EUR 56.934,82 (zegge: zesenvijftigduizend negenhonderdvierendertig euro en tweeëntachtig cent), met dien verstande dat indien en voor zover een hunner reeds aan de tegen hem in de strafrechtelijke procedure uitgesproken civiele veroordeling heeft voldaan, dit in mindering komt op het hierboven genoemde bedrag;

3.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk – des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd – tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van EUR 23.295,45 vanaf 1 november 2008 en de wettelijke rente over een bedrag van EUR 11.273,82 vanaf 23 januari 2012;

3.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk – des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd – in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser]tot op heden begroot op EUR 15.742,61, waarvan een bedrag van EUR 142,20 na ontvangst van een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer NL83RBOS0569991293 ten name van Griffie LDCR onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

3.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, mr. I.A.M. Tel en mr. H.E. van Erp-van Harten en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2014.

1 CvR Reiziger, §14

2 Zie Verkeersrecht 7/8 - 2013