Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8572

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
AWB-13_4303
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2016:3109
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Correctie douanewaarde. Dubbele facturen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 13/4303

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 augustus 2014 in de zaak tussen

[x], wonende te [z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 14 juni 2013 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor € 14.846,45 aan douanerechten.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 september 2013 het bezwaar gegrond verklaard en de utb verminderd met € 3.734,66 tot € 11.111,79.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2014 te Haarlem.

Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. W.A.M. Uhlenbroek en
mr. J.J. Birkhoff.

Feiten

Tussen 9 juli 2008 en 27 februari 2009 heeft [A-bedrijf] in eigen naam en voor eigen rekening zeven aangiften ten invoer gedaan voor voedingssupplementen afkomstig uit de Verenigde Staten van Amerika. Als importeur van de zeven zendingen is vermeld [B-bedrijf] gevestigd te [plaatsnaam 1], Nederland.

[B-bedrijf] is een van de handelsnamen van [C-bedrijf]. [D-bedrijf] houdt 50% van de aandelen in [C-bedrijf]. Eiser houdt 100% van de aandelen in [D-bedrijf], die de enige bestuurder is van [C-bedrijf]. De activiteiten van [C-bedrijf] zijn per 1 juni 2010 gestaakt. [C-bedrijf] is op 8 februari 2011 failliet verklaard.

De utb is uitgereikt naar aanleiding van een onderzoek van de Politie [plaatsnaam 2]. De politie heeft in de administratie van [C-bedrijf] dubbele facturen aangetroffen van de leverancier van de voedingssupplementen, [E-bedrijf] gevestigd te [plaatsnaam 3], Verenigde Staten van Amerika. De twee soorten facturen vertonen verschillen wat betreft de lay-out. Op sommige als ‘hogewaarde-factuur’ beschouwde documenten staat de aanduiding ‘sales order’. De ‘lagewaarde-factuur’ vermeldt de helft van het bedrag van de ‘hogewaarde-factuur’. De ‘lagewaarde-factuur’ van iedere zending is aangetroffen bij [A-bedrijf] en gebruikt voor het doen van de invoeraangifte. Uit de bankafschriften blijkt dat [C-bedrijf] de bedragen vermeld op de ‘hogewaarde-facturen’ aan de leverancier heeft betaald.

In een proces-verbaal van verhoor van eiser van 2 november 2012 is onder meer het volgende opgenomen:

“- De aangiften zijn volgens mijn informatie verzorgd door [A-bedrijf] Op welke manier heeft u [A-bedrijf] opdracht gegeven om de aangiften op te maken?

Geen idee hoe ik bij deze firma terecht ben gekomen. Vroeger had ik een compagnon die de kantoor werkzaamheden verzorgde. Hij regelde de administratieve zaken, zoals het zoeken van een bedrijf voor het inklaren of voor het regelen van het vervoer. Volgens mij heette het bedrijf vroeger “[F-bedrijf]”.

- Welke gegevens heeft u aan [A-bedrijf] overlegd om de aangiften op te maken?

De gegevens die [F-bedrijf] nodig had werd door de compagnon en de secretaresse verstrekt denk ik. Ik ben daar nooit bij geweest.

(…)

- Herkent u deze factuur en wat kunt u hierover vertellen?

Natuurlijk ken ik deze facturen. Ze zijn van de Amerikaanse leverancier. De leveringen vanuit de USA klopten vaak niet. Je kreeg vaak te weinig. Dus ja, ik ken de facturen, maar ik weet niet of ze kloppen.

(…)

- Welke waarde moet er bij de aangiften aangegeven worden?

Wij betaalden in het begin 41/2 dollar per potje. Toen ik meer ging inkopen gingen de marges omlaag. De compagnon trok aan de bel.

Op een gegeven moment gaat de leverancier (bijna) failliet, door claims in de USA. Door dit faillissement werd ik betrokken bij de rechtszaak in USA. Daar zag ik dat de potjes voor 80 dollar cent ingekocht werden. Toen heb ik de leverancier gevraagd om 2 facturen. Ik hoefde ten slotte niet mee te betalen aan de ontwikkelingskosten van de produkten.

De oplossing was om de Belastingdienst minder te gaan betalen. Dit werd opgelost door 1 factuur met de helft van de waarde van de goederen en 1 factuur met marketingkosten van de producten. Volgens mij hoef ik over de reclamekosten, die inbegrepen zijn in de marketingsmosten, geen douanerecht te betalen.

(…)

- Waarom zijn de ‘hoge-waarde facturen’ bij u in de administratie opgenomen?

Ik begrijp ook niet hoe er facturen in de boekhouding zijn terecht gekomen met die hoge waarde. Dit was natuurlijk niet de bedoeling. Mijn boekhouder had natuurlijk aan de bel moeten trekken.”

In de uitspraak op bezwaar is de utb verminderd omdat verweerder het bewijs voor de laatste twee aangiften niet sluitend achtte. Dit betekent dat in beroep vijf aangiften in geschil zijn.

Geschil en beoordeling

1.

In geschil is of de utb terecht en tot het juiste bedrag aan eiser is uitgereikt.

2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de utb ten onrechte aan hem is uitgereikt. De utb heeft betrekking op vijf facturen, terwijl tientallen facturen niet in het onderzoek zijn betrokken. De administratie van de Amerikaanse leverancier was chaotisch en het aantal daadwerkelijk ontvangen producten verschilde altijd van het aantal dat was besteld en in rekening gebracht. Eiser geeft toe dat de administratie van [C-bedrijf] niet op orde was en dat hij daarop beter had moeten toezien. Eiser besefte een aantal jaren geleden dat de Amerikaanse leverancier teveel voor de producten rekende en wilde een korting bedingen. Hierbij speelde een rol dat de Amerikaanse leverancier met grote bedragen twee sporten sponsorde die in Europa niet populair zijn, namelijk worstelen en stock car racing. Eiser wilde hieraan niet meebetalen. De Amerikaanse leverancier wilde geen korting geven, maar uiteindelijk kreeg hij een korting van 10% op sommige producten. De vijf facturen die verweerder bij de douanewaarde van de voedingssupplementen heeft geteld, hebben betrekking op de marketing van deze producten. Voorts reikte de Amerikaanse leverancier een verzamelfactuur uit per maand. De vijf facturen die verweerder bedoelt, hebben betrekking op meer producten en niet uitsluitend op de producten waarvoor de aangifte is gedaan. Eiser kan aantonen dat er geen verband bestond tussen de marketing en de invoer van de voedingssupplementen. Een deel van de marketingvergoeding heeft betrekking op de goederen die binnen de Europese Unie, namelijk in België en Nederland, zijn geproduceerd. Deze kosten behoren niet tot de douanewaarde. Eiser wist niets van het bestaan van de ‘hogewaarde-facturen’ die verweerder als grondslag voor de utb heeft gebruikt. Eiser was niet de contactpersoon van [A-bedrijf] en was niet op de hoogte van het verschil tussen de ‘lagewaarde-facturen’ en de ‘hogewaarde-facturen’. Eiser heeft geen gegevens aan [A-bedrijf] verstrekt. Eiser was slechts voor 50% aandeelhouder van [C-bedrijf], zodat hij niet voor de gehele utb als schuldenaar kan worden aangemerkt.

3.

Verweerder bestrijdt het standpunt van eiser. De douanewaarde bestaat uit het totale bedrag dat [C-bedrijf] aan de leverancier heeft betaald. Niet in geschil is dat [C-bedrijf] meer voor de voedingssupplementen heeft betaald dan in de aangiften ten invoer is vermeld. Welk argument eiser ook aanvoert, de betalingen aan de leverancier hebben plaatsgevonden als voorwaarde voor de transacties. De totale betaling aan de leverancier vormt de douanewaarde van de ingevoerde voedingssupplementen. Eiser heeft de afspraken met de leverancier niet op papier gezet. Hij kan dus niet aantonen dat en in hoeverre de marketingvergoeding voor andere producten is betaald. Eiser is schuldenaar, omdat hij gegevens heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze verkeerd waren. Het is eiser die de leverancier heeft verzocht om met dubbele facturen te werken. Dat eiser slechts 50% van de aandelen in [C-bedrijf] houdt, is niet van belang. Bovendien is sprake van een strafrechtelijk vervolgbare handeling, zodat de verlengde navorderingstermijn van toepassing is.

4.

De rechtbank zal eerst de correctie van de douanewaarde beoordelen. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW), voor zover hier van belang, is de douanewaarde van ingevoerde goederen de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33 van het CDW. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en sub c, van het CDW wordt, voor zover hier van belang, voor de vaststelling van de douanewaarde met toepassing van artikel 29 van het CDW de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met royalty’s en licentierechten met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, die de koper, als voorwaarde voor de verkoop van deze goederen, hetzij direct, hetzij indirect moet betalen, voor zover deze royalty’s en licentierechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen. Verweerder draagt de bewijslast.

5.

Vaststaat dat [C-bedrijf] aan de leverancier de bedragen heeft betaald die staan vermeld op de ‘hogewaarde-facturen’. Onder welke noemer de bedragen zijn betaald, is niet van belang. Gelet op de sterke relatie tussen de per ingevoerde zending voedingssupplementen aangetroffen documenten (aangifte ten invoer, dubbele facturen en bankafschrift) en de verklaring van eiser van 2 november 2012, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de douanewaarde terecht heeft gecorrigeerd. De verklaring die eiser voor de splitsing van het te betalen bedrag in een bedrag voor de goederen en een bedrag voor marketing heeft gegeven, namelijk dat hij de inkoopprijs (gelet op de kostprijs voor de leverancier) te hoog vond en niet wilde meebetalen aan de sponsoring van twee in de Verenigde Staten populaire sporten, doet hier niet aan af. De subjectieve opvattingen van de koper over de hoogte en de samenstelling van de voor de ingevoerde goederen te betalen vergoeding zijn niet van belang.

6.

Uitsluitend van belang is de hoogte van het bedrag dat uiteindelijk in totaal als voorwaarde voor de verkoop is betaald. Gelet op de verklaring van eiser ter zitting over de onderhandelingen met de Amerikaanse leverancier is niet aannemelijk dat [C-bedrijf] de voedingssupplementen voor een lagere prijs had kunnen kopen dan vermeld op de ‘hogewaarde-facturen’. De verklaring over de sponsoring is ook onbegrijpelijk, omdat [C-bedrijf] via de vergoeding voor de marketing uiteindelijk toch heeft meebetaald aan deze sponsoring. Het enige kostenvoordeel dat de splitsing heeft opgeleverd, is de halvering van het bedrag dat na het doen van iedere aangifte aan douanerechten is betaald. Eiser heeft zijn stellingen dat de dubbele betalingen later zijn verrekend met de levering van andere producten, dat de marketingvergoeding (deels) ziet op in de Europese Unie geproduceerde producten of dat de ‘hogewaarde-facturen’ als verzamelfacturen betrekking hebben op meerdere zendingen en niet alleen op de via de desbetreffende aangifte ingevoerde producten, niet onderbouwd. Deze stellingen verdragen zich niet met de stelling over de marketingkosten. Dit geldt te meer als deze stellingen in combinatie worden gezien. De verklaringen zijn ook deels tegenstrijdig. Een gefactureerd bedrag kan niet èn een marketingvergoeding zijn èn een voorschot op toekomstige leveringen. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de ‘hogewaarde-facturen’ later zijn gecrediteerd. Dat dit volgens eiser had moeten gebeuren, is niet relevant.

7.

De rechtbank heeft wel vastgesteld dat de hoeveelheid en de omschrijving van de goederen op de ‘hogewaarde-facturen’ afwijken van die op de ‘lagewaarde-facturen’. Het is, zo heeft eiser desgevraagd bevestigd, niet mogelijk om met behulp van de gegevens op de vrachtbrieven en de aangiften vast te stellen welke producten precies zijn ingevoerd. Aangezien eiser geen enkele onderbouwing heeft gegeven van zijn stelling dat de ‘hogewaarde-facturen’ mede betrekking hebben op andere producten en uit ieder aangiftedossier kan worden afgeleid dat [C-bedrijf] – conform de kennelijk met de Amerikaanse leverancier mondeling gemaakte afspraak – twee facturen heeft ontvangen voor dezelfde zending, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij. Hierbij heeft een belangrijke rol gespeeld dat de ‘lagewaarde-factuur’ telkens de helft van de ‘hogewaarde-factuur’ bedraagt en dat uit de op 2 november 2012 afgelegde verklaring kan worden afgeleid dat voor iedere ingevoerde zending twee facturen zouden worden opgemaakt. Welke van de twee facturen juist is wat betreft de omschrijving en de hoeveelheid van de producten kan in het midden blijven. Eventuele verschillen zijn niet relevant aangezien vaststaat dat [C-bedrijf] de bedragen op de ‘hogewaarde-facturen’ aan de Amerikaanse leverancier heeft betaald. Eiser heeft zichzelf met de gekozen werkwijze en het falende toezicht op de naleving van de afspraken met de Amerikaanse leverancier in bewijsnood gebracht. De daarmee samenhangende problemen dienen voor rekening en risico van eiser te komen.

8.

De rechtbank zal de twee overige geschilpunten, namelijk of eiser terecht als schuldenaar is aangemerkt en of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is, hierna gezamenlijk beoordelen.

9.

Uit artikel 201, derde lid, van het CDW volgt dat wanneer een douaneaangifte voor een van de in het eerste lid bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar kunnen worden beschouwd. De bewijslast rust op verweerder.

10.

Artikel 221, vierde lid, van het CDW bepaalt dat de mededeling van het verschuldigde bedrag aan rechten overeenkomstig de in de geldende bepalingen gestelde voorwaarden ook nog na het verstrijken van de termijn van drie jaar mag worden gedaan, wanneer de douaneschuld is ontstaan als gevolg van een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was. De termijn wordt op grond van artikel 22e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (periode tot 1 augustus 2008) c.q. artikel 7:7 van de Algemene douanewet (periode met ingang van 1 augustus 2008) verlengd tot vijf jaar. Deze verlengde navorderingstermijn van vijf jaar is ingevolge het tweede lid van de hiervoor genoemde bepalingen echter alleen van toepassing ten aanzien van personen wier handelen of nalaten gericht was op ontduiking van rechten bij invoer. Daarvan is sprake indien de betrokkene zich ervan bewust moet zijn geweest dat door zijn handelen of nalaten rechten bij invoer zouden worden ontdoken of dat er een aanmerkelijke kans bestond dat door zijn handelen of nalaten rechten bij invoer zouden worden ontdoken (vgl. Hoge Raad 12 september 2008, nr. 41.846, ECLI:NL:HR:2008:AZ6888).

11.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een strafrechtelijk vervolgbare handeling en dat het handelen van eiser was gericht op het ontduiken van de douanerechten. Het ontduiken van douanerechten via het valselijk doen van aangiften ten invoer, is strafrechtelijk vervolgbaar. Eiser heeft met de Amerikaanse leverancier afgesproken om met dubbele facturen te gaan werken om de douanewaarde van de ingevoerde goederen op papier met de helft te verlagen en op deze manier 12,8% douanerechten te besparen. Dat eiser niet strafrechtelijk is vervolgd voor de onderhavige aangiften ten invoer, is niet van belang. Uitsluitend van belang is of het handelen of nalaten van eiser was gericht op ontduiking. Dit was het geval. De rechtbank verwijst naar de verklaring die eiser op 2 november 2012 heeft afgelegd. Eiser heeft zelf verklaard dat hij bij de leverancier een korting wilde bedingen, en dat de oplossing was ‘om de Belastingdienst minder te gaan betalen’. Eiser wist dus dat door de splitsing van de te betalen prijs veel minder douanerechten zouden worden betaald. Als gevolg van de beslissing van eiser persoonlijk zijn verkeerde gegevens (een factuur, speciaal opgesteld voor het doen van de aangifte ten invoer) verstrekt. De rechtbank rekent de verstrekking van de verkeerde gegevens aan eiser toe, te meer omdat eiser niets heeft gedaan om het gebruik van de dubbele facturen te voorkomen. Dat eiser de op 2 november 2012 afgelegde verklaring later heeft gewijzigd, doet aan het voorgaande niet af. Eiser heeft de latere verklaringen afgelegd nadat verweerder hem de utb had uitgereikt. Deze latere verklaringen hebben kennelijk tot doel gehad om de halvering van de douanewaarde van de ingevoerde goederen achteraf van een geloofwaardige en douanerechtelijk aanvaardbare onderbouwing te voorzien. De bescheiden in de aangiftedossiers sporen op een dusdanige wijze met de verklaring die eiser op 2 november 2012 heeft afgelegd, dat de rechtbank het ervoor houdt dat eiser op laatstgenoemde datum de waarheid heeft verteld.

12.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en
mr. M.C.A. Onderwater, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.