Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8561

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
AWB-14_925
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afschrijven van verlof van arbeidsongeschikte politieambtenaar; Politie-eenheid is gebonden aan Beleidsregel ziekte en afwezigheidsvormen van Minister van Veiligheid en Justitie;

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-09-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 14/925

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. K. Kromhout),

en

De korpschef van de politie, verweerder,

vertegenwoordigd door de politiechef van de eenheid Amsterdam,

(gemachtigde: mr. S. Fransen-Rabbering).

Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft verweerder het verlof van eiser over het jaar 2013 herberekend, waarbij 24 verlofuren in mindering zijn gebracht op het tegoed van eiser. Bij besluit van 5 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Eiser is sinds 29 november 2011 volledig arbeidsongeschikt. Tijdens zijn arbeidsongeschiktheid heeft eiser vakantie genoten. In 2013 is dit verlof ondanks de arbeidsongeschiktheid van eiser door verweerder afgeschreven van het totale verloftegoed. Verweerder stelt dat de herberekening heeft plaatsgevonden conform het uitvoeringsbeleid van de artikelen 19, vierde en vijfde lid, en 20 van het Besluit Algemene Rechtspositie politie (Barp) en de recente jurisprudentie op dit punt van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Centrale Raad van Beroep.

1.2. Eiser kan zich er niet mee verenigen dat na herberekening voor de verlofdagen 16, 17, 18, 23, 24 en 25 april 2013 100% verlof (dat wil zeggen 24 verlofuren) is afgeschreven. Daaraan legt eiser ten grondslag dat verweerder in strijd met de “Beleidsregel ziekte en afwezigheidsvormen” heeft gehandeld, omdat op basis van die regel tijdens ziekte geen verlof mag worden afgeschreven, hetgeen toch is gebeurd.

3.1. In geschil is de vraag of verweerder bevoegd was tot het afboeken van vakantieverlof tijdens het ziekteverlof van eiser.

3.2. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat, mede in verband met uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie over arbeidsongeschiktheid en vakantieverlof, in 2012 na overleg tussen de Minister van Veiligheid en Justitie (de Minister) en de Nederlandse politiebonden, de door eiser genoemde “Beleidsregel ziekte en afwezigheidsvormen” (de Beleidsregel) van 17 januari 2012 tot stand is gekomen.

Daarin wordt onder “9. Samenloop ziekteverlof en vakantieverlof” het volgende uiteengezet:

“De ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten heeft ziekteverlof (zie artikel 29 Barp). Het is niet mogelijk om (...) ziekteverlof en vakantieverlof tegelijkertijd te genieten. De ambtenaar mag, indien het bevoegd gezag daarmee instemt, gedurende het ziekteverlof elders verblijven (dan de gewoonlijke verblijfplaats), bijvoorbeeld voor een vakantie of een bezoek aan familieleden in het buitenland. Het ziekteverlof loopt in een dergelijke situatie door en wordt dus niet stopgezet of opgeschort. Het afboeken van vakantieverlof gedurende volledig ziekteverlof is niet mogelijk; bij gedeeltelijke ziekte is dat uiteraard wel mogelijk.

De ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is gedeeltelijk dienst te verrichten geniet gedeeltelijk ziekteverlof (zie artikel 29 Barp). Ook in deze situatie is het niet mogelijk om deze twee soorten verlof tegelijkertijd te genieten. Wil deze ambtenaar een week naar het buitenland (bijvoorbeeld voor bezoekfamilie) dan dient hij voor de uren waarop hij in de betreffende week is ingeroosterd om gedeeltelijk arbeid te verrichten zijn vakantieverlof aan te spreken. Voor de overige uren is (en blijft) sprake van ziekteverlof.

Indien de ambtenaar voor 15 uur aan gedeeltelijke arbeid is ingeroosterd en zijn

dienstverband is 36 uur, dan dient hij 15 uur vakantieverlof aan te vragen.

De overige 21 uur is de ambtenaar immers met ziekteverlof.”

3.3. Verweerder erkent dat het besluit tot het afboeken van vakantieverlof tijdens het ziekteverlof van eiser in strijd is met hetgeen daarover in (paragraaf 9 van) de Beleidsregel staat vermeld, maar stelt dat hij daaraan niet is gebonden. Volgens verweerder betreft de Beleidsregel geen beleidsregel in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, maar gaat het slechts om een richtlijn van het ministerie. Verweerder kan zich op het punt van de samenloop tussen ziekte- en vakantieverlof inhoudelijk niet met de Beleidsregel verenigen, omdat deze volgens verweerder niet strookt met de (Europese) jurisprudentie over artikel 7 van de Richtlijn 2003/888/EG (de Richtlijn). De politie-eenheid Amsterdam heeft de Minister daarom reeds in februari 2012 laten weten afstand te nemen van de Beleidsregel op dit punt. De Minister heeft daarin berust, aldus verweerder.

4.1. De rechtbank stelt voorop dat de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 18 juni 2014 (HAA 14/454) reeds heeft geoordeeld over het voorliggende geschilpunt. In die uitspraak heeft de rechtbank - samengevat - geoordeeld dat verweerder (in die zaak de politiechef Noord-Holland) zich dient te houden aan de afspraken tussen de Minister en de Nederlandse politiebonden, zoals vastgelegd in de Beleidsregel. Tijdens ziekteverlof dient daarom geen vakantieverlof te worden afgeboekt, aldus de rechtbank in deze uitspraak.

4.2. De rechtbank ziet in hetgeen verweerder heeft aangedragen geen grond om anders te oordelen dan de rechtbank in voorgenoemde uitspraak. Dat verweerder niet zou zijn gebonden aan de afspraken, zoals neergelegd in de Beleidsregel, volgt de rechtbank niet. Daargelaten het juridische karakter van de Beleidsregel, staat vast dat het - gelet op artikel 47 van de Politiewet 2012, in samenhang met artikel 125 van de Ambtenarenwet - tot de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van de Minister behoort om het arbeidsvoorwaardenbeleid (waartoe het onderwerp “ziekte en verlof” behoren) en de daaruit voortvloeiende rechtspositieregelgeving vast te stellen. Onder de Politiewet 1993 was dat, gelet op artikel 50 van deze wet, in beginsel niet anders. Ook onder die wet behoorde het arbeidsvoorwaardenbeleid van de politieambtenaren tot de verantwoordelijkheid van de Minister. De Minister is in dit verband derhalve bevoegd tot het voeren van onderhandelingen met de vakbonden en het maken van afspraken over de arbeidsvoorwaarden. Daaraan ligt het waarborgen van de uniformiteit in de arbeidsvoorwaarden voor alle politieambtenaren ten grondslag.

4.3. Het staat de Minister dan ook vrij om - in het kader van de hem toekomende bevoegdheid - in overleg met de vakbonden beleid te formuleren, ook als dat in voor de politieambtenaar gunstige zin van de jurisprudentie over de Richtlijn afwijkt, zoals deze rechtbank ook heeft overwogen in de uitspraak van 18 juni 2014. Met de Beleidsregel is beoogd een tijdelijke maatregel te treffen, totdat de rechtspositieregeling in overeenstemming is gebracht met de (Europese) jurisprudentie ten aanzien van arbeidsongeschiktheid en verlof. Zolang daarover geen andere afspraken zijn gemaakt of de regelgeving niet is aangepast, is verweerder daar als overheidswerkgever aan gebonden.

4.4. In de brief van 17 januari 2012, waarmee de Beleidsregel is bekendgemaakt, is uitdrukkelijk door de Directeur Politie, namens de Minister, opdracht gegeven de Beleidsregel met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2012 toe te passen. Duidelijk is dat Minister de politie-eenheden op dit punt heeft willen binden. Verweerders inhoudelijke kritiek op de Beleidsregel en de argumenten die daaraan ten grondslag liggen, dienen zo nodig aan de orde te komen in de interne discussie tussen de Minister en de politie-eenheden en het overleg tussen de Minister en de bonden, en zullen dan ook in de onderhavige procedure buiten beschouwing blijven.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat de afspraken die de Minister met de Nederlandse politiebonden heeft gemaakt en die in de Beleidsregel zijn opgenomen voor verweerder onverkort gelden. Die afspraken zijn niet gewijzigd of achterhaald door aangepaste regelgeving. Verweerder dient zich bij de beoordeling van eisers verlofaanvragen dan ook aan de Beleidsregel te houden. Nu blijkens de Beleidsregel het afboeken van vakantieverlof tijdens volledig ziekteverlof niet mogelijk is, kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de Beleidsregel.

5.

Bij deze uitkomst is er aanleiding om verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 974,-

(1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Voorts dient verweerder aan eiser het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in aanwezigheid van C.H. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.