Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8522

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-09-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
15/860041-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Doodslag op 2 maart 2014 te Oostzaan.

Verwerping beroep op noodweer(exces). Wel noodweersituatie aangenomen. Het slachtoffer trachtte binnen te dringen in de woning waar verdachte verbleef. Verdachte mocht zich dus verdedigen, maar heeft daarbij de eisen van proportionaliteit overschreden. Niet gebleken van een hevige gemoedsbeweging.

Beroep op psychische overmacht verworpen.

Gevangenisstraf 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Vorderingen benadeelde partijen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/860041-14 (P)

Uitspraakdatum: 5 september 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 augustus 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan (De Geniepoort).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.F. van Kooij en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 maart 2014 te Oostzaan, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes, althans met een (steek)voorwerp, in de (linkerkant van de) borstkas, althans in het lichaam, van die [slachtoffer] gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Op 2 maart 2014 om 21.35 uur komt bij de politie Noord-Holland de melding binnen dat op de [adres] een persoon de ramen van de woning aan het vernielen is. Het zou gaan om de ex-partner van de melder. De melder betreft [betrokkene 1] en haar ex-partner is [slachtoffer]. De politie gaat ter plaatse, maar krijgt vervolgens via de ambulancedienst de melding dat er op [adres] een persoon, naar later blijkt [slachtoffer], is aangetroffen die is neergestoken. Na reanimatie en onderzoek van het ter plaatse zijnde Mobiel Medisch Team blijkt het slachtoffer te zijn overleden.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting, waaronder de verklaring van verdachte, staat vast dat verdachte in de woning aan de [adres] aanwezig was ten tijde van de melding door [betrokkene 1] en dat een confrontatie tussen verdachte en het slachtoffer heeft plaatsgevonden.

Verdachte wordt nu verweten dat hij [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat op grond van de vierde verklaring van verdachte, de getuigenverklaring van [betrokkene 2] en de forensische bevindingen vast staat dat verdachte [slachtoffer] eenmaal met een mes heeft gestoken waarna hij is overleden. De officier van justitie heeft de verklaring van verdachte, inhoudende dat [slachtoffer] in het mes zou zijn gevallen of dat verdachte slechts een duwende beweging heeft gemaakt, niet aannemelijk geacht.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van opzet. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat sprake was van vol opzet bij verdachte op de dood van [slachtoffer]. Ook van voorwaardelijk opzet is naar de mening van de raadsman geen sprake. De raadsman heeft gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer] en voorts dat het letsel kan worden verklaard door de omstandigheid dat [slachtoffer] zich op het mes gestort heeft. De raadsman komt vervolgens tot de conclusie dat verdachte geen actieve handeling heeft verricht en dat hij dus ook niet bewust de kans, welke volgens de raadsman niet aanmerkelijk was, heeft aanvaard dat [slachtoffer] het leven zou verliezen.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

I. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 2 maart 2014 arriveert [betrokkene 2] rond 21.30 uur met haar vriend [slachtoffer] bij de woning aan de [adres], waar de ex-vrouw van [slachtoffer] [betrokkene 1], hun kinderen en verdachte op dat moment verblijven. [betrokkene 2] parkeert de auto en [slachtoffer] stapt uit en loopt naar de woning. [betrokkene 2] ziet vanuit de auto dat [slachtoffer] met zijn vuisten tegen de voordeur van de woning slaat.2

[betrokkene 1], [betrokkene 3] en verdachte zijn op dat moment in de woonkamer. Zij horen geklepper van de brievenbus en [betrokkene 1] loopt als eerste naar de hal bij de voordeur. Verdachte loopt achter haar aan. In de voordeur van de woning zitten negen kleine glazen raampjes. [slachtoffer] slaat twee van deze raampjes kapot. [betrokkene 1] ziet dit gebeuren. Het gezicht van [slachtoffer] was verwrongen van woede. Ongeveer gelijktijdig loopt [betrokkene 3] naar de keuken en hij komt terug met in ieder geval één mes. [betrokkene 3] zegt dan: ‘Ga weg papa, hou op papa.’ Terwijl [betrokkene 1] het alarmnummer 112 belt neemt zij [betrokkene 3] mee naar de slaapkamer van verdachte waar zij hen beiden opsluit door de klinken aan binnen- en buitenkant van de deur te halen.3 Het laatste wat zij zag was: verdachte aan de ene kant van de voordeur, binnen, en [slachtoffer] aan de andere kant, buiten, en de arm van [slachtoffer] die door de kapotte voordeur stak. [betrokkene 3] verklaart dat hij op enig moment heeft gezien dat zijn vader zijn arm door het kapotte raam steekt.4

Om 21.35 komt de melding van [betrokkene 1] bij het alarmnummer 112 binnen. Zij geeft aan dat haar ex-man [slachtoffer] de ruiten inslaat van de woning aan de [adres]. [betrokkene 1] vertelt de medewerker van het alarmnummer dat zij zich met haar zoon heeft opgesloten in een kamer en dat verder haar dochter en een huisvriend in de woning aanwezig zijn. Over die huisvriend verklaart [betrokkene 1]: ‘die houdt, hield ‘m tegen’. Na ongeveer 5 minuten en 16 seconden geeft [betrokkene 1] aan dat [slachtoffer] volgens haar weer weg is gegaan.5

Verdachte hoort op 2 maart 2014 gebonk op de deur. Wanneer verdachte glas hoort breken loopt hij achter [betrokkene 1] naar de woonkamerdeur. Via de deuropening ziet verdachte [slachtoffer] bij de voordeur staan. Eén van de raampjes in de voordeur is dan al kapot. Vervolgens slaat [slachtoffer] het tweede raampje stuk. [slachtoffer] steekt een arm door één van de kapot geslagen raampjes en pakt de huissleutels van de woning. Verdachte ziet dat [slachtoffer] zijn hand met daarin de sleutels weer terug trekt en dat hij tracht de deur open te doen. Verdachte staat dan in de hal.6 Verdachte pakt daarop een mes uit zijn jas die op de kapstok in de hal hangt. Verdachte klapt het mes open en houdt het voor zich. De voordeur gaat open en [slachtoffer] tracht binnen te komen. Verdachte duwt [slachtoffer] weg, hij heeft het mes dan nog in zijn hand. [slachtoffer] loopt daarop weg.7 Dat verdachte zelf het mes heeft gepakt heeft hij ter terechtzitting bevestigd. Het mes heeft verdachte op een eerder moment uit de auto van [slachtoffer] gepakt.8

[betrokkene 2] verklaart dat [slachtoffer] niet in de woning is geweest. Zij verklaart dat zij constant zicht heeft gehouden op de voordeur en slechts een fractie van een seconde tijdens het parkeren niet heeft gekeken.9 [betrokkene 2] ziet [slachtoffer] van de woning terug naar de auto rennen en verdachte in de deuropening staan. [slachtoffer] houdt zijn trui omhoog en zijn buik zit onder het bloed. [slachtoffer] houdt zijn hand tegen zijn borst. Hij stapt in de auto en [betrokkene 2] rijdt weg. [slachtoffer] zegt niets meer in de auto en hij laat al snel de wond op zijn borst los.10

[betrokkene 2] rijdt naar het ziekenhuis. Onderweg ziet zij een ambulance aan komen rijden en zij toetert en knippert met autolichten. De ambulance stopt.11 [ambulancemedewerker] rijdt in deze ambulance met zijn collega [ambulancemedewerker] als zij op [adres] stoppen voor [betrokkene 2]. De ambulancemedewerkers tillen [slachtoffer] uit de auto. [ambulancemedewerker] ziet dat [slachtoffer] een brede wond heeft links onder zijn borstkas. Er komt veel bloed uit de wond. [ambulancemedewerker] begint samen met zijn collega met het reanimeren van [slachtoffer]. Kort daarop komen de politie en een traumateam ter plaatse.12 Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] komen om 21.44 uur ter plaatse en nemen de reanimatie over. Een arts van het Mobiel Medisch Team snijdt de linker flank onder de oksel van het slachtoffer open en hier komt veel bloed uit. De arts zegt tegen de verbalisanten dat het slachtoffer is overleden en dat zij mogen stoppen met reanimeren.13 Schouwarts [schouwarts] constateert dat het slachtoffer op 2 maart 2014 rond 21.50 uur is overleden.14

Verdachte ziet, nadat [slachtoffer] is weggerend bij de woning, dat er bloed op het mes zit. Hij weet eerst niet wat hij moet doen en loopt dan naar de keuken en wast het mes af. Daarna legt verdachte het mes op de afzuigkap.15 [betrokkene 1] en [betrokkene 3] komen, kort nadat [slachtoffer] is weggegaan, weer uit de slaapkamer van verdachte. [betrokkene 1] ziet verdachte staan tussen het glas in het halletje van de woning. Hij heeft bloed op zijn been en zegt niet veel.16

Verbalisanten [verbalisant], [verbalisant] en [verbalisant] zijn als eerste ter plaatse op de [adres]. Er liggen glasscherven op de grond bij de voordeur. Twee ruitjes van de voordeur zijn kapot. Tussen de glasscherven op de grond zien verbalisanten een op bloed gelijkende substantie. [betrokkene 1] en verdachte melden zich bij de verbalisanten. Verdachte wordt aangehouden.17

Op 6 maart 2014 wordt op de afzuigkap een inklapbaar mes aangetroffen. Op de snijzijde wordt een op bloed gelijkende substantie aangetroffen.18 Het mes wordt bemonsterd. Van het DNA in de bemonstering van het heft van het mes is een DNA-mengprofiel verkregen met daarin DNA-kenmerken van (minimaal) twee mannen. Het DNA-mengprofiel is vergeleken met DNA-profielen uit twee andere bemonsteringen die zijn gekoppeld aan het slachtoffer

[slachtoffer] en deze matchen met het DNA-profiel op het heft van het mes. Vervolgens is het DNA-profiel van de tweede mannelijke cel donor afgeleid en het DNA-profiel van verdachte matcht met dit afgeleide DNA-profiel.19

Later wordt bij de woning aan de [adres] sporenonderzoek verricht. De buitenzijde van de voordeur was bebloed. Op de tegels bij en op de buitendeurmat en op de onderdorpel van het deurkozijn zaten passieve bloeddruppels. Op de lekdorpels van de voordeur zaten bloeddruppels en bloedspatten. Op de panelen van de voordeur, het deurkozijn en de buitenmuur zaten bloedspatten en op de voordeurknop aan de buitenzijde zat een bloedveeg. Op de deurmat in de gang zaten bloeddruppels en bloedvegen. Op het gedeelte van de onderdorpel dat door de gesloten deur wordt afgedekt zaten bloeddruppels. De kopse kant en de binnenkant van de voordeur waren bebloed. Op het paneel onder het slot zat een bloedspatje en boven de kierstandhouder zaten bloedvegen, passend bij een greep gezet in bloed. Op de tegelvloer in de hal lagen enkele passieve bloeddruppels en contactsporen gezet in bloed. Door de verbalisanten wordt geconcludeerd dat de bebloede/bloedende persoon, gezien het bloedbeeld op de deurmat en het in die mate ontbreken daarvan op de tegelvloer, niet verder de woning in gegaan is dan de deurmat in de hal.20

Op 4 maart 2014 wordt de familie van [slachtoffer] in de gelegenheid gesteld afscheid van hem te nemen. Tijdens dit afscheid bevestigt [betrokkene 4] dat het slachtoffer zijn broer [slachtoffer] is.21 Arts en forensisch patholoog [forensisch patholoog] verricht sectie op het lichaam van [slachtoffer]. Hieruit volgt dat aan de borstkas links een schuin verlopende scherprandige huidperforatie van 3 centimeter lengte met aan het ene uiteinde een visstaart-aspect en aan het andere uiteinde een puntig aspect (letsel A). Vanuit het visstaart uiteinde verloopt een krasvormige oppervlakkige huidbeschadiging van 4,2 centimeter lengte met onderhuidse bloeduitstorting. Vanuit letsel A verloopt een steekkanaal van voren naar achteren iets omhoog, met een minimale steekkanaal lengte van 9 centimeter. De patholoog constateert perforatie van de huid, de voorste rompwandspieren links, de vijfde rib (kraakbenig gedeelte), het hartzakje en het hart. De patholoog concludeert dat letsel A bij leven is ontstaan door ingewerkt uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld, zoals opgeleverd kan worden door een mes. Het letsel heeft geleid tot bloedophoping in het hartzakje en substantieel bloedverlies, met harttamponnade en algehele weefselschade door bloedverlies tot gevolg waarmee het intreden van de dood wordt verklaard.22

II. Voorwaardelijk opzet en conclusie

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat [slachtoffer] de woning binnen is gekomen, dat verdachte zelf het mes toen al vast had en dat [slachtoffer] vervolgens op hem en derhalve ook in het mes is gesprongen. Dit alles zou hebben plaatsgevonden bij de wc-deur in het halletje van de woning. De rechtbank acht dit deel van de verklaring van verdachte niet aannemelijk. Op grond van de verklaring van [betrokkene 2] en bovengenoemde conclusies van de verbalisanten ten aanzien van het bloedbeeld staat het voor de rechtbank vast dat [slachtoffer] niet zo ver als tot aan de wc-deur in de woning kan zijn geweest. Daarbij komt dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij met een mes in zijn hand [slachtoffer] heeft geduwd. Uit – onder meer – het rapport van de forensisch patholoog blijkt dat verdachte het mes ter hoogte van de borsttreek hield. De rechtbank stelt vast dat verdachte door te duwen met een mes in zijn hand een stekende beweging heeft gemaakt. De rechtbank concludeert dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken in diens borststreek, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Weliswaar is de rechtbank er van overtuigd, dat verdachte niet de bedoeling had [slachtoffer] te doden, maar het opzet van verdachte in voorwaardelijke vorm was wel aanwezig. Verdachte heeft door de hierboven beschreven gedraging bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gevolg, het overlijden van [slachtoffer], zou intreden.
Immers, de aard van verdachtes gedraging, te weten het steken met een – gezien de uitwerking op het lichaam van [slachtoffer] scherp – mes in de borststreek, zijnde een plek waar vitale organen met fatale gevolgen geraakt kunnen worden en ook zijn geraakt, en de omstandigheden waaronder dit is verricht, reeds naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op en geschikt tot de levensberoving van [slachtoffer], dat hieruit valt af te leiden dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg welbewust heeft aanvaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank doodslag op [slachtoffer] bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 2 maart 2014 te Oostzaan, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de linkerkant van de borstkas van die [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

5.1.

Beroep op (putatief) noodweer

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich gerechtvaardigd heeft verdedigd. [slachtoffer] vernielde de voordeur en trachtte binnen te komen, gedragingen waartegen verdachte zich mocht verdedigen. De raadsman stelt daarbij dat bij verdachte de angst bestond dat de aanranding veel erger zou zijn. Verdachte vermoedde dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had. De raadsman heeft gesteld dat de door verdachte gekozen verdedigingshandeling, te weten het pakken van een mes ter voorkoming van een gevecht, geboden was en daarbij ook voldeed aan de eisen van subsidiariteit.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is met de raadsman van mening dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer [slachtoffer] en dus van een noodweersituatie waartegen verdachte zich mocht verdedigen. De officier van justitie stelt zich echter op het standpunt dat de door verdachte gekozen handelwijze, het steken met een mes, niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit zodat het beroep op noodweer dient te worden verworpen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van iemands eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Verdediging hiertegen moet noodzakelijk en ook geboden zijn door de omstandigheden.

De rechtbank stelt voorop dat het handelen van het slachtoffer, zoals hiervoor onder de redengevende feiten en omstandigheden beschreven, een ogenblikkelijke en ook wederrechtelijke aanranding van verdachte oplevert waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Immers, de aanranding werd gekenmerkt door het vernielen van ruiten van de voordeur van de woning waar verdachte verbleef, waarbij het doel van [slachtoffer] blijkens verschillende hierboven aangehaalde bewijsmiddelen gericht was op binnendringen.

De rechtbank is van oordeel dat van verdachte niet gevergd kon worden dat hij zou vluchten.
Weliswaar stond aan verdachte een vluchtweg via de achterdeur ter beschikking maar de keuze daarvoor zou met zich brengen dat verdachte de woning moest verlaten die hem als verblijfsadres was aangeboden door de bewoonster die zich met haar zoon in een kamer in veiligheid had gebracht. Nu verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze aanranding had moeten onttrekken, is sprake van noodzakelijke verdediging door verdachte van eigen of eens anders lijf of goed. Hiermee is voldaan aan de subsidiariteitseis in de zin van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773 met de uitspraken die worden genoemd in dat arrest, in de voorafgaande conclusie van A.G Aben en in de noot van

B.F. Keulen achter NJ 2014/277.

Vervolgens komt aan de orde de vraag of verdachte mocht handelen zoals hij heeft gehandeld. Daarbij staat voorop dat de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken met een mes. Door aldus te handelen is verdachte naar het oordeel van de rechtbank verder gegaan dan hetgeen geboden was ter afwering van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Het slachtoffer was weliswaar agressief en had net twee ruitjes ingeslagen, maar verdachte was goed op de hoogte van de voorgaande omstandigheden van het geval.
Verdachte was langere tijd goed bevriend met [slachtoffer], indertijd tevens zijn werkgever en huisgenoot, en hij kende zijn persoon en zijn omstandigheden. Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting was verdachte niet bekend met gewelddadig optreden van [slachtoffer]. Indien sprake was van een vermoeden van aanwezigheid van een wapen in de achter de rug niet zichtbare linkerhand van het slachtoffer werd dit vermoeden gelogenstraft toen [slachtoffer] met die hand een beweging maakte in de richting van verdachte. Bovendien was verdachte even tevoren door [betrokkene 3] op de hoogte gesteld dat zijn vader contact met hem zocht en dat deze vermoedde dat zijn vader nu onderweg was naar de woning, aangezien de pogingen tot contact langs andere weg waren mislukt.
Verdachte heeft zich na het pakken van het mes niet beperkt tot een poging tot afschrikking door het tonen daarvan maar hij heeft het mes vastgehouden en daarmee een stekende beweging gemaakt in de borststreek van [slachtoffer]. Hieraan doet niet af dat de laatste tevens een beweging met zijn hand en met zijn gehele lichaam maakte richting verdachte.
Naar het oordeel van de rechtbank stond dit steken op die kwetsbare plaats van het lichaam en onder die omstandigheden niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.
Aldus heeft verdachte gehandeld in strijd met de voor hem geldende proportionaliteitseis.


De rechtbank verwerpt om die reden het beroep op (putatief) noodweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

6 Strafbaarheid van verdachte

6.1.1. Beroep op noodweerexces

De raadsman is van mening dat, indien het beroep op noodweer niet wordt gehonoreerd, sprake was van noodweerexces. De raadsman heeft gesteld dat alle eerdere voorvallen tussen verdachte, [betrokkene 1], de kinderen en het slachtoffer bij verdachte hebben gezorgd voor een dusdanige angst en vrees waardoor verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging.

6.1.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweerexces dient te worden verworpen. De officier van justitie heeft daarvoor gewezen op de verklaringen van getuigen over het gedrag van verdachte na het incident. Verdachte werd omschreven als rustig. Voorts acht de officier van justitie van belang dat verdachte zelf niet heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft gestoken onder invloed van een hevige gemoedsbeweging.

6.1.3. Oordeel van de rechtbank

De overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, zoals hiervoor door de rechtbank onder 5.3. geconstateerd, kan verontschuldigbaar zijn indien verdachte verder is gegaan dan geboden in zijn noodzakelijke verdediging tegen de hiervoor ook onder 5.3. vastgestelde ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, indien dit het onmiddellijk gevolg is van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.
De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat de hierboven geconstateerde overschrijding het gevolg was van een bij verdachte door de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Dat de omstandigheid dat [slachtoffer] twee ruitjes van de voordeur insloeg en trachtte binnen te komen bij verdachte enige angst heeft opgewekt is goed voorstelbaar maar de verdediging heeft niet concreet onderbouwd dat en op grond waarvan deze angst zodanig was dat verdachte als onmiddellijk gevolg hiervan verder is gegaan in zijn verdediging dan geboden. Verdachte heeft zulks zelf ook niet verklaard.
De rechtbank honoreert het beroep op noodweerexces daarom evenmin.

6.2.1. Beroep op psychische overmacht

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat bij verdachte, doordat hij in de woning waar hij verbleef werd geconfronteerd met een dreiging van agressie vanuit [slachtoffer] die volgens verdachte mogelijk een wapen bij zich zou hebben, de paniek toe sloeg. Daarom, aldus de raadsman, werd verdachte bevangen door angst en een daaruit voortvloeiende onbedwingbare drang om de aanrander zo snel mogelijk weg te jagen, tegen te houden of misschien zelfs uit te schakelen. Om die reden heeft verdachte het eerste gepakt wat voorhanden was, het mes, en dat voor zich gehouden om zich te beschermen.

6.2.2. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte zich niet kan beroepen op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht. Een dergelijk beroep wordt slechts in zeer uitzonderlijke situaties gehonoreerd.

6.2.3. Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat op het moment van handelen van verdachte sprake was van een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Er moet allereerst sprake zijn van een de verdachte verontschuldigende extreme en acute vorm van een stresssituatie maar daarbij dient – onder meer – het de verdachte verweten gedrag tevens de proportionaliteitstoets te kunnen doorstaan. In het onderhavige geval heeft de rechtbank aangenomen dat verdachte angstig werd door het handelen van het slachtoffer.
Niet is gebleken dat bij verdachte sprake was van een zodanige psychische drang dat van hem niet verwacht mocht worden dat hij hier weerstand tegen bood. Daarnaast zou, indien dat wel het geval was, het handelen van verdachte de proportionaliteitstoets niet kunnen doorstaan op grond van de omstandigheden die de rechtbank onder 5.3. aanleiding gaven het beroep op noodweer te verwerpen.
De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op psychische overmacht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. De officier van justitie heeft bij de bepaling van haar eis gelet op de ernst van het feit en het leed dat hierdoor bij de nabestaanden is veroorzaakt, maar ook op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en op de omstandigheid dat er sprake was van een noodweersituatie.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken en subsidiair dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om ten aanzien van de strafmaat rekening te houden met de navolgende omstandigheden. Verdachte heeft de confrontatie met het slachtoffer niet opgezocht. Het slachtoffer heeft diens ex-vrouw, de kinderen en ook verdachte angst aan heeft gejaagd in hun eigen huis en dit is ook al voor 2 maart 2014 het geval geweest. Tot slot heeft de raadsman gewezen op de omstandigheid dat verdachte geen documentatie heeft.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 2 maart 2014 [slachtoffer] van het leven beroofd door hem te steken met een mes, waarna hij is overleden. Verdachte heeft het slachtoffer hiermee het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt ontnomen: het recht op leven. Door de dood van [slachtoffer] en de wijze waarop dat is gebeurd, heeft verdachte de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. De zoon en het dochtertje van het slachtoffer waren in de woning aanwezig ten tijde van het feit. Door het handelen van verdachte hebben zij geen vader meer. Welk leed de nabestaanden is aangedaan blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de broers van het slachtoffer. Uit voornoemde verklaringen blijkt hoezeer zij rouwen om het verlies van hun broer. Naast de ingrijpende gevolgen voor alle nabestaanden brengt een dergelijk feit angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid in de samenleving te weeg. Dit alles is verdachte zeer kwalijk te nemen.

De rechtbank kan echter, bij haar overwegingen ten aanzien van de strafmaat, de voorgeschiedenis tussen verdachte, het slachtoffer en de ex-vrouw van het slachtoffer niet buiten beschouwing laten. Vast staat dat tussen het slachtoffer en diens ex-vrouw op enig moment na de aanvankelijk in harmonie verlopende scheiding onenigheid is ontstaan en dat dit tevens heeft gezorgd voor onenigheid tussen verdachte en het slachtoffer. Dit heeft geleid tot aangiftes over en weer en het eindigt met de dramatische confrontatie op 2 maart 2014.

Hoe moeilijk dit voor de nabestaanden ook zal zijn, de rechtbank kan niet anders dan vaststellen dat het slachtoffer een aanzienlijke rol heeft gehad bij deze confrontatie. Ten eerste heeft het slachtoffer voornoemde confrontatie opgezocht. Hij is laat op de avond in emotionele toestand naar de woning gegaan en heeft twee ruitjes van de voordeur ingeslagen. De rechtbank heeft het handelen van het slachtoffer gekwalificeerd als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waarop verdachte disproportioneel heeft gereageerd.


Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 13 mei 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 20 mei 2014 van [reclasseringswerker] als reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland.

Voornoemd reclasseringsrapport houdt onder meer in dat verdachte contact heeft met de psycholoog van de penitentiaire inrichting wegens traumatische klachten. De reclassering heeft geen advies gegeven wat betreft eventuele mogelijke interventies. Indien verdachte schuldig wordt bevonden dan is een reclasseringstraject mogelijk via detentiefasering.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank ten slotte het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft de dood van [slachtoffer] nimmer heeft gewild. Hij toont berouw en spijt richting het slachtoffer en diens nabestaanden. Hij beseft ten volle dat hij de kinderen van het slachtoffer hun vader heeft ontnomen.

Gelet op de ernst van het feit en het leed dat de nabestaanden door dit feit is aangedaan acht de rechtbank de oplegging van een vrijheidsstraf passend. In de hiervoor besproken omstandigheden van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank echter aanleiding tot matiging van de gevangenisstraf. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vijf (5) jaren moet worden opgelegd.

8 Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

1.00 STK Pistool Kl:zwart

alarm

230202

1.00 STK Mes

A.4.1.1. betreft een inklapbaar mes

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot het onder 2. genoemde voorwerp is gepleegd en dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Het onder 1. genoemde voorwerp behoort verdachte toe en is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit. Het ongecontroleerde bezit van voormeld in beslag genomen voorwerp is in strijd met de wet en het algemeen belang.

9 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft gemachtigde mr. R. Korver een vordering tot schadevergoeding van € 4.372,04 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die

[benadeelde partij 1] als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit de kosten van de uitvaart van [slachtoffer] (€ 4.000, -), de kosten voor vliegtickets van en naar Marokko (€ 272,04) voor de uitvaart en uit overige reiskosten (€ 100, -).

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De kosten voor de uitvaart en de vliegtickets zijn voldoende onderbouwd en derhalve toewijsbaar. Het bedrag dat wordt gevorderd met betrekking tot overige reiskosten acht de rechtbank niet onredelijk en derhalve ook toewijsbaar.
De vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank ziet geen rechtens te funderen grond om de gevorderde materiële schade, waarvan vast staat dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden, te matigen wegens het door de verdediging gestelde eigen aandeel van het slachtoffer.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte [kort gezegd: doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft gemachtigde mr. R. Korver een vordering tot schadevergoeding van € 397,04 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die

[benadeelde partij 2] als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit de kosten voor vliegtickets van en naar Marokko (€ 297,04) voor de begrafenis van [slachtoffer] en uit overige reiskosten (€ 100, -).

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De kosten voor de vliegtickets zijn voldoende onderbouwd en derhalve toewijsbaar. Het bedrag dat wordt gevorderd met betrekking tot overige reiskosten acht de rechtbank niet onredelijk en derhalve ook toewijsbaar. De vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank ziet geen rechtens te funderen grond om de gevorderde materiële schade, waarvan vast staat dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden, te matigen wegens het door de verdediging gestelde eigen aandeel van het slachtoffer.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte [kort gezegd: doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5.3. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Onttrekt aan het verkeer:

1. 1.00 STK Pistool Kl:zwart

alarm

230202

2. 1.00 STK Mes

A.4.1.1. betreft een inklapbaar mes

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 4.372,04 (vierduizenddriehonderdtweeënzeventig euro en vier cent), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de nabestaande

[benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.372,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door drieënvijftig (53) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 397,04 (driehonderdzevenennegentig euro en vier cent), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de nabestaande

[benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 397,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zeven (7) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. T. Fuchs, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. F. van den Brink,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 september 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL11CR-2014013797-8, inhoudende de op 2 maart 2014 door getuige [betrokkene 2] tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 2, pagina 328.

3 Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20140302.1222.3271, inhoudende de op 3 maart 2014 door [betrokkene 1] als verdachte tegenover verbalisanten[verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 2, pagina 288.

4 Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20140303.1745.2082.3872, inhoudende de op 3 maart 2014 door getuige [betrokkene 3] tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 2, pagina 360.

5 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 20140307 0903 5800, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 6 maart 2014, map 1, pagina’s 59 tot en met 61.

6 Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20140304 1320 5800, inhoudende de op 4 maart 2014 door verdachte tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 3, pagina 37.

7 Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20140407 1528 1758, inhoudende de op 27 maart 2014 door verdachte tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 3, pagina’s 125 en 128.

8 De door verdachte ter terechtzitting van 22 augustus 2014 afgelegde verklaring.

9 Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20140305.0942.3271, inhoudende de op 5 maart 2014 door getuige [betrokkene 2] tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 2, pagina 349.

10 Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL11CR-2014013797-8, inhoudende de op 2 maart 2014 door getuige [betrokkene 2] tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 2, pagina 329.

11 Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20140305.0942.3271, inhoudende de op 5 maart 2014 door getuige [betrokkene 2] tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 2, pagina 348.

12 Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20140313.1342.3271, inhoudende de op 11 maart 2014 door getuige [ambulancemedewerker] tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 2, pagina’s 381 en 382.

13 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL11ZN-2014013797-6, inhoudende bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant], map 1, pagina 24.

14 Een geschrift, te weten een schouwverslag opgemaakt door forensisch arts drs. [schouwarts] d.d. 3 maart 2014, map 4, pagina 70.

15 Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20140407 1528 1758, inhoudende de op 27 maart 2014 door verdachte tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 3, pagina’s 129 en 130.

16 Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20140313.1524.3271, inhoudende de op 26 maart 2014 door getuige [betrokkene 1] tegenover verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] afgelegde verklaring, map 2, pagina 303.

17 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL11ZN-2014013797-9, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant], [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 3 maart 2014, map 1, pagina’s 26 en 27.

18 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL11FO-2014013797-44, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 12 maart 2014, map 4, pagina 141.

19 Een geschrift, te weten een NFI-rapport opgemaakt door [rapporteur] d.d. 18 april 2014.

20 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL11FO-2014013797-35, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 14 maart 2014, map 4, pagina’s 92 en 93.

21 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 201403101500-7210, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 10 maart 2014, map 1, pagina’s 39 en 40.

22 Een geschrift, te weten een rapport van het NFI, opgemaakt door [forensisch patholoog] d.d. 6 maart 2014, map 4, pagina’s 267 en 268.