Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8521

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
AWB-14_3201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Afwijzing verzoek urgentieverklaring.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een levensbedreigende situatie, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de huisvestingsverordening door de aanwezigheid van een medische of psychosociale klacht in relatie met de huidige woning waaruit een dringende noodzaak tot (her)huisvesting op korte termijn voortvloeit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-09-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/3201

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers], te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. D.H.J. Krouwel),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort, verweerder

(gemachtigde: P. Bakker).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van verzoekers om een urgentieverklaring afgewezen.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2014. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Artikel 14, tweede lid, van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland 2011 (hierna: de huisvestingsverordening) luidt:

‘Woningzoekende die zelf verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de ontstane woonproblematiek of die onvoldoende pogingen hebben gedaan om zelf een oplossing te vinden, komen niet in aanmerking voor een verklaring.’

Artikel 15, eerste lid, van de huisvestingsverordening luidt:

‘De in artikel 14 eerste lid bedoelde urgentie kan worden verleend indien er sprake is van een medische of psychosociale klacht in relatie met de huidige woning, waaruit een dringende noodzaak tot (her)huisvesting op korte termijn voortvloeit. Deze noodzaak is alleen aanwezig als er sprake is van een levensbedreigende of maatschappelijk onaanvaardbare situatie.’

Volgens Bijlage II, behorende bij de huisvestingsverordening, wordt onder maatschappelijk onaanvaardbaar verstaan de situatie waarin een ingezetene zich bevindt waarbij, - het jongste kind minderjarig is en – er zeer ernstige medische of psychische problemen zijn bij een van de gezinsleden, die door de huidige woonsituatie worden versterkt dan wel de huidige situatie onhoudbaar maken en – verhuizen de enige oplossing is.

Artikel 29 van de huisvestingsverordening bepaalt dat het college één of meer artikelen uit de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van het in gebruik nemen of geven van woonruimte of het wijzigen van de woonruimte voorraad leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

3.

Verweerder heeft de aanvraag van verzoekers afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt in een levensbedreigende of maatschappelijk onaanvaardbare situatie te verkeren, als bedoeld in de huisvestingsverordening. Daarbij is volgens verweerder in het geval van verzoekers ook niet gebleken van een medische of psychologische klacht in relatie met de huidige woning, waaruit een dringende noodzaak tot huisvesting op korte termijn voortvloeit. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verzoekers onvoldoende pogingen hebben gedaan om zelf hun woonprobleem op te lossen, nu verzoekers al sinds 20 september 2010 staan ingeschreven en zij gelet hierop via de reguliere weg binnen redelijke termijn in aanmerking kunnen komen voor een seniorenwoning en voorts is gebleken dat verzoekers al vier woningen die aan hen zijn aangeboden hebben geweigerd. Ook om deze reden komen verzoekers niet in aanmerking komen voor een urgentieverklaring.

4.

Verzoekers kunnen zich hiermee niet verenigen. Ze stellen dat wel degelijk sprake is van een levensbedreigende situatie en van medische- en psychologische klachten welke direct zijn gerelateerd aan de woonsituatie. De onzekerheid over de woonsituatie levert stress op bij verzoekers wat leidt tot verergering van medische klachten. De heer [verzoeker] heeft last van migraineaanvallen en mevrouw [verzoekster] heeft een hernia en hoge bloeddruk.

Verzoekers achten het voorts maatschappelijk onaanvaardbaar dat zij, gelet op hun leeftijd en medische situatie, dakloos dreigen te worden. Te meer nu het feit dat zij hun woning uit moeten hun niet te verwijten is. Het tijdelijke huurcontract van hun huidige woning loopt per 6 oktober 2014 af en al hun inspanningen om een andere woning te vinden hebben tot nu toe nog niets opgeleverd. Verzoekers hebben behoefte aan een woning waar zij voor langere tijd kunnen wonen. Zij stellen zich op het standpunt dat het voor hen alleen mogelijk is om op korte termijn over een andere woning te beschikken als zij in het bezit worden gesteld van een urgentieverklaring. Zij bestrijden voorts dat aan hen vier woningen zijn aangebonden die vervolgens door hen zijn geweigerd. Verzoekers doen tevens een beroep op de hardheidsclausule.

Met oog op het feit dat zij al op korte termijn dakloos dreigen te worden, hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen in die zin dat aan hen een urgentieverklaring wordt verleend.

5.

Zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van de situatie waarin verzoekers zich bevinden, heeft naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een levensbedreigende situatie, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de huisvestingsverordening door de aanwezigheid van een medische of psychosociale klacht in relatie met de huidige woning waaruit een dringende noodzaak tot (her)huisvesting op korte termijn voortvloeit.

Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat het ondervinden van stress als gevolg van een onzekere woonsituatie niet kan worden gelijkgesteld aan medische of psychosociale klachten in relatie met de huidige woning als bedoeld in artikel 15 van de huisvestingsverordening. Dat verzoekers ondanks pogingen daartoe er in de afgelopen jaren niet in zijn geslaagd verandering te brengen in deze onzekere situatie, doet daaraan niet af.

6.

Verzoekers hebben ter zitting aangegeven bij het zoeken naar een woning en in het kader daarvan reageren op door Woonservice aangeboden woningen, op diverse onduidelijkheden te stuiten. Desgevraagd hebben zij aangegeven graag een gesprek te willen met Woonservice om hun mogelijkheden te bespreken.

De voorzieningenrechter acht een dergelijk gesprek met oog op het zo spoedig mogelijk verkrijgen van een woning via de reguliere weg, zeer wenselijk en heeft nota genomen van de toezegging van de gemachtigde van verweerder om zich in te spannen een dergelijk gesprek te faciliteren. In dit verband is ook van belang dat de gemachtigde van verweerder de zieke behandelend ambtenaar verving en op inhoudelijke vragen het antwoord schuldig moest blijven.

7.

Gelet op de situatie waar verzoekers zich in bevinden en de psychische druk die zij daarbij ondervinden, verzoekt de voorzieningenrechter verweerder voorts te onderzoeken of er binnen de gemeente Zandvoort mogelijkheden zijn om verzoekers bij te staan met maatschappelijk werk.

8.

Met betrekking tot het beroep op de hardheidsclausule overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ter zitting is van de zijde van verzoekers aangegeven dat als zij per 6 oktober 2014 op straat staan en geen nieuwe woning hebben, hun bijstandsuitkering zal worden beëindigd en omgezet in een zogeheten daklozenuitkering. Met deze uitkering wordt het voor hen onmogelijk om aan hun verplichtingen op grond van de Wet Schulphulpverlening Natuurlijke Personen te voldoen, hetgeen tot gevolg zal kunnen hebben dat dit traject voortijdig zal moeten worden beëindigd. Dit is zeer onwenselijk te meer nu verzoekers nog één jaar te gaan hebben, aldus verzoekers.

Dit punt is eerst, zonder nadere onderbouwing, ter zitting aangevoerd zodat de voorzieningenrechter zich hier in dit stadium van de procedure geen oordeel over kan vormen. Verzoekers dienen hun standpunt nader onderbouwd aan te voeren in de bezwaarprocedure, zodat naast verweerder ook Woonservice zich hierover uit kan laten. Verweerder zal hier in het kader van de behandeling van het bezwaar van verzoekers op in dienen te gaan. In dit kader merkt de voorzieningenrechter op dat de gemachtigde van verweerder heeft toegezegd de hoorzitting zo spoedig mogelijk te agenderen.

9.

De voorzieningenrechter ziet gelet op al het voorstaande geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra - van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.