Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8494

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
C/14/147909 / FA RK 13-1613
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nihilstelling kinderalimentatie i.v.m. WSNP (met terugwerkende kracht, vóór indiening verzoekschrift); geen vaststelling minimumbijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/14/147909 / FA RK 13-1613

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 3 september 2014

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.M. Blom, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.F.M. Deijkers, kantoorhoudende te Hoorn.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man met bijlagen, ingekomen op 6 augustus 2013;

- het verweerschrift van de vrouw van 3 oktober 2013;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 17 juni 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 19 juni 2014.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 juli 2014 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. A.M. Blom en de vrouw bijgestaan door mr. P.F.M. Deijkers.

2 Feiten en omstandigheden

2.1.

Partijen hebben tot december 2004 een affectieve relatie gehad.

2.2.

Uit deze relatie is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] de minderjarige [minderjarige] geboren. De man heeft de minderjarige erkend. De minderjarige heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Er vindt thans geen omgang tussen de man en de minderjarige plaats.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 3 augustus 2011 is – onder wijziging van de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 27 april 2010 – bepaald dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 12 augustus 2010 nader wordt vastgesteld op nihil, en met ingang van

6 oktober 2010 op € 98,- per maand.

2.4.

Bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 27 juli 2012 is ten aanzien van de man de schuldsaneringsregeling (WSNP) uitgesproken.

3 Verzoek

3.1

De man heeft verzocht voormelde beschikking te wijzigen in die zin, dat de kinderbijdrage op nihil wordt gesteld met ingang van 1 juni 2013. Hij stelt hiertoe dat de hierboven genoemde beschikking door een wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. De man is op 27 juli 2012 toegelaten tot de WSNP. Hij heeft steeds geprobeerd de bijdrage voor [minderjarige] te voldoen, maar hij kan dit niet meer opbrengen. De man heeft de rechter-commissaris verzocht om het vrij te laten bedrag (VTLB) te verhogen, zodat de man alimentatie voor [minderjarige] kon blijven betalen. Dit verzoek is echter met een beroep op de geldende jurisprudentie hieromtrent afgewezen, waarbij de man verwijst naar HR 14 november 2008 (LJN BD 7589) en HR 18 november 2011 (LJN BU 4937).

4 Verweer

4.1

De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek van de man. Primair stelt de vrouw zich op het standpunt dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Feitelijk ligt niet de reden tot opname in de WSNP aan het verzoek ten grondslag, maar het feit dat zijn contract afloopt en hij een WW-uitkering krijgt. Subsidiair, indien de rechtbank de man wel ontvangt in zijn verzoek, stelt de vrouw dat de man in ieder geval geacht wordt om minimaal € 25,- per maand als onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] te betalen op basis van de gewijzigde regels voor kinderalimentatie per 1 april 2013. De man heeft geen enkele poging gedaan om zijn verzoek het VTLB te verhogen nader te motiveren, terwijl daartoe wel de ruimte is geboden. Voorts is niet gebleken dat de man naast het werken voor het uitzendbureau enige activiteiten onderneemt om zijn inkomenspositie te verbeteren. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw – meer subsidiair – aangegeven dat de beschikking van 3 augustus 2011 weer kan herleven na beëindiging van de WSNP.

4.2.

De vrouw verzet zich tot slot tegen de verzochte terugwerkende kracht, nu een wijziging volgens vaste jurisprudentie niet eerder kan ingaan dan de datum waarop het verzoek aan de rechtbank is gericht, tenzij sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden. De wijziging kan dan ook niet eerder ingaan dan per datum indiening verzoekschrift,

5 augustus 2013, waarbij reeds geïnde alimentatie wordt geacht verteerd te zijn.

5 Beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1.

Reeds in de WSNP die per 27 juli 2012 op de man van toepassing is verklaard, ziet de rechtbank een voldoende relevante wijziging van omstandigheden, als gevolg waarvan opnieuw beoordeeld dient te worden in hoeverre de bij beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 3 augustus 2011 vastgestelde bijdrage nog aan de wettelijke maatstaven voldoet. Bovendien is het inkomen van de man in 2013 drastisch gedaald. De rechtbank zal derhalve in het hiernavolgende beoordelen in hoeverre de man geacht kan worden een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te (blijven) voldoen.

Behoefte

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige] behoefte heeft aan een bijdrage in haar kosten van verzorging en opvoeding.

Draagkracht man

5.3.

Uit de bij het verzoekschrift gevoegde berekening van het zogenaamde VTLB, geldig van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012, blijkt dat de rechter-commissaris geen rekening heeft gehouden met de door de man te betalen kinderbijdrage. Dit blijkt eveneens uit het verslag van de bewindvoerder van 18 december 2012, waarin tevens staat vermeld dat de man per ommegaande nihilstelling van de kinderbijdrage dient aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (extra kosten bij kind en ex-partner). Hoewel door de man geen bewijsstuk is overgelegd waaruit blijkt dat hij getracht heeft aanpassing van het VTLB te vragen, acht de rechtbank het – nu de vrouw inkomen uit arbeid heeft en niet is gebleken van zeer bijzondere, behoefte verhogende kosten van [minderjarige] – niet aannemelijk dat de rechter-commissaris voor het jaar 2013 het VTLB zou aanpassen of zou hebben aangepast.

5.4.

In een geval als het onderhavige, waarbij de rechter-commissaris bij het VTLB geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting, beveelt het Rapport Expertgroep Alimentatienormen (het zogenaamde Tremarapport, artikel 7.4) aan om de te betalen kinderbijdrage op nihil te stellen althans te verlagen. Voor verlaging van de bijdrage door vaststelling van een minimumbijdrage acht de rechtbank onvoldoende draagkrachtruimte aanwezig. Gelet op na te melden ingangsdatum gaat de rechtbank hierbij uit van de gegevens over 2013. In dit jaar is het inkomen van de man, ten opzichte van het inkomen waarmee in de berekening van het VTLB is gerekend (€ 1.534,- per maand exclusief vakantiegeld), substantieel gedaald. Het netto besteedbaar inkomen van de man kan in 2013 gesteld worden op € 1.113,- per maand, uitgaande van de gegevens zoals opgenomen in de aangifte IB 2013 (inkomen uit loondienst € 14.909,- en uitkering € 1.040,-). Met betaling van de minimumbijdrage van € 25,- per maand zou de man onder 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande komen. De rechtbank zal de door de man te betalen kinderbijdrage dan ook op nihil stellen. Hierbij zij overigens opgemerkt dat voor zover de inkomsten van de man (zullen) toenemen, dit geen invloed zal hebben op het VTLB en de ruimte aan de zijde van de man voor betaling van een kinderbijdrage. Wanneer de man hogere inkomsten geniet dienen deze te worden afgedragen aan de schuldeisers.

5.5.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding de kinderbijdrage op nihil te stellen voor de duur van de WSNP, waarna de beschikking van 3 augustus 2011 weer zou herleven. Dit nu onduidelijk is wat de inkomenssituatie van de man ten tijde van de beëindiging van de WSNP zal zijn.

Ingangsdatum

5.6.

Door de man is op 6 augustus 2013 een verzoek tot nihilstelling per 1 juni 2013 van de door hem te betalen kinderbijdrage verzocht. Hoewel de vrouw zich verzet tegen een wijziging van de kinderbijdrage met terugwerkende kracht, acht de rechtbank het onder de gegeven omstandigheden redelijk en billijk de kinderbijdrage met ingang van 1 juni 2013 op nihil te stellen. De man heeft, ondanks het feit dat zijn VTLB niet is gecorrigeerd met de te betalen kinderbijdrage, toch geprobeerd (al dan niet met tussenkomst van het LBIO) zolang mogelijk de kinderbijdrage aan de vrouw door te betalen. Per 1 juni 2013 was sprake van een substantiële inkomensdaling, als gevolg waarvan – in onderlinge samenhang bezien met de WSNP – de man volstrekt niet meer in staat was de vastgestelde kinderbijdrage te voldoen. Nu het de man binnen de WSNP niet is toegestaan nieuwe schulden te maken, is het belang van de man bij nihilstelling van de kinderbijdrage per 1 juni 2013 groot. De rechtbank zal de door de man te betalen kinderbijdrage derhalve met ingang van 1 juni 2013 op nihil stellen. Nu een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige in beginsel wordt verteerd in de maand waarin deze wordt uitgekeerd, kan echter van de vrouw in redelijkheid niet gevergd worden dat zij hetgeen de man mogelijk na datum van wijziging heeft betaald, zal terugbetalen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1.

Bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 3 augustus 2011, dat de door de man aan de vrouw te betalen

kinderbijdrage ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], met ingang van 1 juni 2013 op nihil wordt gesteld, in die zin dat voor zover sedert 1 juni 2013 tot nu toe méér is betaald en of op de man is verhaald de rechtbank de bijdrage voor die periode vaststelt op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

6.2.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. van der Heijden, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Broek-Hartenberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.