Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8481

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_275
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2108, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeken om nadeelcompensatie in verband met geleden bedrijfsschade en waardevermindering van een woning ten gevolge van een dijkversterking terecht afgewezen.

Het uitvoeren van de dijkversterkingswerkzaamheden lag in de lijn der verwachting en is daarmee te beschouwen als een normale maatschappelijke ontwikkeling. De relatieve omvang van de waardevermindering van het pand is van een zo geringe omvang dat dit onvoldoende is voor het oordeel dat de schade als gevolg van een normale maatschappelijke ontwikkeling niet voor rekening van eiser zou mogen blijven.

Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de gestelde schade in de vorm van omzetderving en het verkeersbesluit en/of de feitelijke werkzaamheden die ten behoeve van de dijkversterking zijn uitgevoerd. Verweerder heeft het verzoek in zoverre dan ook terecht afgewezen op de grond dat geen sprake is van causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: ALK 13/275 en 13/332

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 augustus 2014 in de zaken tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigden: mr. F.A. Bijlenga (13/275) en mr. G.G. Kranendonk (13/332)),

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verweerder (gemachtigde: H.J. Bakker).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verzoeken van eiser om nadeelcompensatie in verband met geleden bedrijfsschade en waardevermindering van zijn woning ten gevolge van een dijkversterking van de [locatie] te Drechterland afgewezen.

Eiser heeft een tweetal bezwaarschriften ingediend tegen het bestreden besluit. Bij brieven van 19 maart 2013 en 28 maart 2013 heeft hij de gronden van zijn bezwaar aangevuld en verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Verweerder heeft met dat verzoek ingestemd en de bezwaarschriften ter behandeling als beroepschriften met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank. Bij brief van
16 mei 2013 heeft de rechtbank het verzoek om in te stemmen met rechtstreeks beroep ingewilligd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door P.A.M. van der Vliet.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser is sinds 1988 eigenaar van het pand aan de [adres] (hierna: het pand). In 1998 heeft eiser een aanbouw gerealiseerd met een loggia en dakterras met uitzicht op het Markermeer. In 2000 is eiser gestart met een fysiotherapiepraktijk aan huis, naast zijn voltijdbaan als LD-functionaris bij de [A].

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft verweerder aan zichzelf een keurontheffing verleend voor het versterken van de [locatie] tussen Enkhuizen en Hoorn en het uitvoeren van werkzaamheden die onder meer bestaan uit het herprofileren en verhogen van de dijk.

Ten behoeve van de dijkversterkingswerkzaamheden heeft verweerder bij besluit van 22 februari 2008 een verkeersbesluit (hierna: het verkeersbesluit) genomen waarbij de [locatie] tussen Hoorn en Bovenkarspel is afgesloten voor al het verkeer, behalve bestemmingsverkeer. De afsluiting is ingegaan per oktober 2007 en heeft geduurd tot en met het einde van 2012.

Voor de uitvoering van de werkzaamheden is de dijk opgedeeld in secties. Het pand van eiser is gelegen binnen sectie 5. Bij deze sectie is buitendijks een voorland gecreëerd. Met de uitvoering van deze werkzaamheden is, naar ter zitting is komen vast te staan, in november 2007 begonnen. Het merendeel van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden vanaf 2008. De grootschalige werkzaamheden zijn afgerond aan het einde van 2012.

Bij brief van 25 oktober 2010 heeft eiser een verzoek om nadeelcompensatie bij verweerder ingediend in verband met omzetschade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de dijkversterking.

Bij brief van 22 februari 2011 heeft eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het verhogen van de dijk, onder meer bestaand uit waardevermindering van het pand ten gevolge van vermindering van uitzicht. Bij brief van 2 september 2011 heeft eiser aan verweerder meegedeeld dat hij zijn aansprakelijkstelling voort wenst te zetten in de vorm van een verzoek om nadeelcompensatie.

Verweerder heeft de verzoeken om nadeelcompensatie in handen gesteld van de Adviescommissie nadeelcompensatie (hierna: de commissie). De commissie heeft op
8 november 2012 advies uitgebracht. De commissie heeft geadviseerd het verzoek van
25 oktober 2010 af te wijzen en het verzoek van 22 februari 2011 toe te wijzen en aan eiser een schadevergoeding uit te keren.

Verweerder heeft vervolgens, deels in afwijking van het advies van de commissie, het bestreden besluit genomen.

2.

Voor de beoordeling is de volgende regelgeving van belang.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening nadeelcompensatie Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2010 (hierna: de Verordening) kent het algemeen bestuur aan degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens het hoogheemraadschap van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak, op verzoek een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen vergoeding toe, indien en voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voor zover de schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Verordening wordt bij het nemen van een beslissing omtrent schadevergoeding, als bedoeld in het eerste lid, het bepaalde in de artikelen 7 tot en met 15 in aanmerking genomen.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening is deze verordening van toepassing op verzoeken om vergoeding van schade als gevolg van:

a. het nemen, intrekken of wijzigen van besluiten door het hoogheemraadschap;

b. het door of onder verantwoordelijkheid van het hoogheemraadschap aanleggen, wijzigen of onderhouden van waterstaatswerken;

c. de uitvoering van andere werken of werkzaamheden door of onder verantwoordelijkheid van het hoogheemraadschap.

Op grond van artikel 7 van de Verordening komt schade vallende binnen het normale maatschappelijk risico of het normale ondernemersrisico niet voor vergoeding in aanmerking.

Op grond van artikel 8 van de Verordening komt schade als gevolg van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, alleen voor vergoeding in aanmerking wanneer deze in belangrijke mate afwijkt van de schade die dientengevolge op een ieder drukt, dan wel wanneer deze schade drukt op een naar verhouding gering aantal natuurlijke of rechtspersonen die in dezelfde of een vergelijkbare positie verkeren.

Waardedaling van het pand (ALK 13/275)

3.

Niet in geschil is dat het pand van eiser als gevolg van de dijkversterkingswerkzaamheden in waarde is gedaald vanwege vermindering van uitzicht.

4.

Verweerder heeft, naar hij ter zitting heeft bevestigd, het verzoek om nadeelcompensatie van eiser in verband met de waardevermindering van zijn pand afgewezen op de grond dat het uitvoeren van dijkversterkingswerkzaamheden in de lijn der verwachting lag en daarmee is te beschouwen als een normale maatschappelijke ontwikkeling.

5.1

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:163, volgt dat de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van een goede en veilige kustverdediging als een normale maatschappelijke ontwikkeling in het algemeen belang moet worden beschouwd. Dat geldt ook als er geen concreet zicht bestond op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop kustverdedigingswerkzaamheden zich zouden concretiseren. Dat eiser, naar hij stelt, ten tijde van de realisatie van de aanbouw in 1998 niet kon voorzien dat een dijk met een hoogte als hier aan de orde zou worden aangelegd, staat derhalve niet in de weg aan het oordeel dat de uitvoering van de kustversterkingswerkzaamheden als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd. Eiser heeft dit ter zitting ook erkend.

5.2

De vraag of de gevolgen van een overheidshandeling al dan niet buiten het normale maatschappelijke risico vallen, moet, zo volgt eveneens uit de voornoemde uitspraak, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de schade. Van een boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgend nadeel kan sprake zijn als een maatregel weliswaar als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, maar een individueel belang ten gevolge van een zodanig maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van de betrokkenen dient te blijven.

5.3

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn verzoek een taxatierapport van 22 februari 2010 van Vidra Vastgoed Makelaars/Taxateurs o.g. (hierna: Vidra) overgelegd. Hierin is geconcludeerd dat ten gevolge van de vermindering van uitzicht sprake is van een waardevermindering van het pand van € 105.000,00.

Verweerder heeft vervolgens aan Van Overbeek Makelaars & taxateurs o/g (hierna: Van Overbeek) opdracht verstrekt de waarde van de woning te taxateren. In het taxatieverslag van Van Overbeek van 28 november 2011 is geconcludeerd dat de waardevermindering van het pand ten gevolge van de vermindering van uitzicht € 13.500,00 bedraagt.

De commissie heeft, gelet op de sterk uiteenlopende conclusies van de rapporten, zelf nog een taxateur ingeschakeld. Ir. R.A. Toornend (hierna: Toornend) heeft in diens rapport van 31 juli 2012 geconcludeerd dat de waardevermindering van het pand vanwege het uitzichtverlies € 15.000,00 bedraagt.

5.4

De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat hij, naar hij ter zitting ook heeft bevestigd, voor de omvang van de schade aansluit bij de elkaar – wat betreft de getrokken conclusies – weinig ontlopende rapporten van Van Overbeek en Toornend.

De rechtbank is van oordeel dat met de rapporten van Van Overbeek en Toornend het rapport van Vidra dat door eiser is ingebracht, gemotiveerd is bestreden. Eiser heeft op zijn beurt de conclusies van de rapporten van Van Overbeek en Toornend niet gemotiveerd bestreden, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de in die rapporten getrokken conclusies.

De relatieve omvang van de waardevermindering van het pand bedraagt, uitgaande van die rapporten, respectievelijk 2,5% dan wel 2,44%. Uit de uitspraak van de Afdeling van

3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:164 volgt dat een waardevermindering van zo een geringe omvang onvoldoende is voor het oordeel dat de schade als gevolg van een normale maatschappelijke ontwikkeling niet voor rekening van eiser zou mogen blijven.

5.5

Het voorgaande betekent dat verweerder het verzoek van eiser om nadeelcompensatie voor zover dit ziet op de gestelde waardevermindering van zijn pand terecht heeft afgewezen.

6.

Het beroep is ongegrond.

Bedrijfsschade (ALK 13/332)

7.

Verweerder heeft het verzoek om nadeelcompensatie in verband met gestelde omzetschade, onder verwijzing naar het advies van de commissie, afgewezen op de grond dat een causaal verband ontbreekt tussen de fluctuaties in de omzet van eisers bedrijf en het verkeersbesluit en de uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de dijkversterking.

De commissie is van mening dat uit de door eiser ter beschikking gestelde jaarcijfers niet kan worden afgeleid dat de omzet van eiser significant is beïnvloed door de dijkverzwaringswerkzaamheden. De commissie stelt vast dat de kwaliteit van de weg in de jaren 2008, 2009 en 2010 nagenoeg hetzelfde is geweest, terwijl de omzet in deze jaren wel fluctueerde. Tevens blijkt volgens de commissie uit de cijfers dat de omzet in het jaar 2007 is gedaald ten opzichte van die in 2006, terwijl de werkzaamheden pas in de laatste maanden van 2007 zijn aangevangen en de weg toen in goede staat verkeerde. Voorts constateert de commissie dat tussen de omzetcijfers van de jaren voor en na 2006 geen significant verschil zit. Verder stelt de commissie vast dat eiser gedurende het jaar 2006 kennelijk het hele jaar werkzaamheden heeft verricht, terwijl gedurende de jaren 2004 en 2005 alsmede de jaren 2007 tot 2011 geen sprake is geweest van een continue praktijkvoering. Uit de jaarcijfers blijkt immers dat eiser in de laatstgenoemde jaren gedurende enkele maanden weinig of geen rekeningen heeft verstuurd. Eiser heeft niet aangegeven dat deze wijze van praktijkvoering enig verband hield met de dijkwerkzaamheden. De fluctuaties in de omzet van eiser zijn naar de mening van de commissie dan ook niet rechtstreeks toe te wijzen aan de uitvoering van de werkzaamheden, maar lijken eerder het gevolg te zijn van een verschillende intensiteit van de praktijkvoering in de diverse jaren.

8.

Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen causaal verband heeft aangenomen.

Eiser voert daartoe aan dat sommige rekeningen over voorgaande jaren pas later zijn geïnd. De vervuiling in de jaarcijfers die daardoor is ontstaan, is ten onrechte niet meegenomen in de vergelijking van de jaarcijfers. Daarnaast behelst de terugval in inkomsten volgens eiser tevens de gederfde inkomsten die zouden zijn behaald door een gestage omzetgroei. Dit is evenwel achteraf lastig aan te tonen door de lange periode van werkzaamheden. De commissie heeft dit aspect ten onrechte niet beoordeeld.

9.

Om voor vergoeding van de gestelde schade in de vorm van omzetderving in aanmerking te kunnen komen, dient onder meer een rechtstreeks oorzakelijk verband te bestaan tussen die schade en het verkeersbesluit en/of de feitelijke werkzaamheden die ten behoeve van de dijkversterking zijn uitgevoerd. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van zo een causaal verband.

Eiser is daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiser heeft het concreet onderbouwde standpunt van de commissie zoals weergegeven onder 7. niet met concrete, objectieve en verifieerbare gegevens bestreden. De commissie is bij haar advisering, anders dan eiser stelt, uitgegaan van de door eiser geleverde, ‘geschoonde’ jaarcijfers. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het standpunt van de commissie niet te onderschrijven.

10.

Het voorgaande betekent dat verweerder het verzoek van eiser om nadeelcompensatie ook voor zover dit ziet op de gestelde omzetschade terecht heeft afgewezen.

11.

Ook dit beroep is ongegrond.

In beide zaken

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, mr. J.M. Janse van Mantgem en

mr. E.G. van Roest, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.

griffier voorzitter

Afschriften verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.