Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8438

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-08-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
C-15-215913 - KG ZA 14-365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

‘kort geding in plaats van de verzoekschrift procedure van artikel 3:267 BW

Verstekvonnis waarin de vraag aan de orde komt of in een kort geding procedure gedaagde veroordeeld moet worden in de proceskosten van het kort geding terwijl ook met verzoekschriftprocedure door eiser het beoogde resultaat bereikt had kunnen worden, terwijl het volgen van een verzoekschriftprocedure voor gedaagde lagere proceskosten met zich had gebracht. De omstandigheden van dit geval brengen mee dat het begrijpelijk is dat voor een kort geding procedure is gekozen en het redelijk is om de (extra) kosten voor rekening van gedaagde te laten komen.’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/215913 / KG ZA 14-365

Vonnis in kort geding van 15 augustus 2014

in de zaak van

de naamloze vennootschap

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats 1],

eiseres,

advocaat mr. L.A.L. Westerwoudt te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    het tijdens de behandeling tegen gedaagde verleende verstek.

1.2.

Wat betreft de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen wordt verwezen naar de dagvaarding, die in afschrift aan dit vonnis is gehecht.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Het gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vordering zal worden toegewezen.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan de advocaat van eiseres nog wel de vraag voorgelegd waarom in het onderhavige geschil is gekozen voor een kort gedingprocedure, terwijl eiseres, teneinde het door haar gevorderde te kunnen bereiken, evenzeer had kunnen verzoeken om de in artikel 3:267 Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde machtiging om uitvoering te geven aan het in de hypotheekakte opgenomen beheersbeding. Aan een dergelijke verzoekschriftprocedure zijn voor een gedaagde aanmerkelijk lagere proceskosten verbonden dan aan een kort gedingprocedure. De voorzieningenrechter heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter in de (toenmalige) rechtbank Maastricht van 22 juli 2004 (ECLI:NL:RBMAA:2004:779), waarin om die reden de in die zaak in het ongelijk gestelde gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten, maar dat slechts tot een bedrag gelijk aan de kosten die in een verzoekschriftprocedure zouden worden toegewezen (uitsluitend het door een verzoeker te betalen griffierecht).

2.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een schuldeiser in beginsel gehouden is om in geval hij een procedure tegen zijn schuldenaar instelt daarvoor de voor zijn schuldenaar minst bezwarende procedure te volgen. Onder verwijzing naar voornoemde uitspraak is de voorzieningenrechter evenzeer van oordeel dat wanneer dat niet gebeurt de extra kosten niet voor rekening van de schuldenaar behoren te komen.

Van de kant van eiseres is daar voor de onderhavige situatie tegen ingebracht dat weliswaar met de verzoekschriftprocedure van artikel 3:267 BW ook bereikt kan worden hetgeen eiseres thans vordert, maar dat het door eiseres in beheer nemen van het verhypothekeerde goed wel gepaard zou gaan met aanzienlijke risico’s voor eiseres. Immers bestaat in dat geval het risico dat, in geval van een aanschrijving door de gemeente tot herstel van bouwkundige gebreken aan het verhypothekeerde goed en aan welke aanschrijving gedaagde niet (tijdig) zou voldoen, vervolgens eiseres voor de kosten van het herstel door de gemeente van die gebreken moet opdraaien. Dat het gevaar voor het bestaan van dergelijke gebreken en daarmee samenhangende kosten voor eiseres in het onderhavige geval niet louter illusoir is volgt genoegzaam uit hetgeen eiseres hieromtrent heeft aangevoerd. Gelet ook op - zoals eveneens van de kant van eiseres is aangevoerd - de risico’s die in het algemeen al voor een beheerder aan het beheer van een onroerende zaak zijn verbonden, is de voorzieningenrechter daarom van oordeel dat de keuze van eiseres voor de kort gedingprocedure in plaats van die van artikel 3:267 BW begrijpelijk en daarmee gerechtvaardigd is.

2.4.

Vervolgens resteert de vraag voor wiens rekening de extra kosten verbonden aan het voeren van een kort gedingprocedure in plaats van een verzoekschriftprocedure dienen te komen. Nu de keuze voor de kort gedingprocedure in plaats van een verzoekschriftprocedure, zoals hiervoor overwogen, in het onderhavige geval gerechtvaardigd is en gedaagde het op die procedure heeft laten aankomen, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens gerechtvaardigd dat die extra kosten voor rekening van gedaagde komen. De voorzieningenrechter heeft bij dat oordeel nog betrokken dat gedaagde reeds op basis van (de algemene voorwaarden van) de hypotheekakte verplicht was eiseres toegang tot zijn woning te verlenen en nooit heeft gereageerd op verzoeken van eiseres haar die toegang te verlenen. Gedaagde zal derhalve als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten conform het voor een kort geding geldende tarief.

2.5.

Die kosten worden aan de zijde van eiseres begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 527,00

Totaal € 1.228,80

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

veroordeelt gedaagde de bouwinspecteur/schade-expert, de met verkoop belaste makelaar/taxateur, de veilingnotaris, medewerkers van eiseres en alle geïnteresseerden in aankoop van de woning, op twee werkdagen in de weken 34, 35, 36 en 37 van 2014 telkens tussen 8.00 uur en 17.30 uur, althans op de door de veilingnotaris nader vast te stellen bezichtigingstijden en data, toegang te verlenen tot het onderpand aan [adres] te [woonplaats 2], en hen in de gelegenheid te stellen dat te betreden en te bezichtigen, met machtiging aan eiseres dit vonnis ten uitvoer te doen leggen door een gerechtsdeurwaarder,

3.2.

machtigt eiseres om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien gedaagde in gebreke blijft aan het onder 3.1 van dit vonnis bepaalde te voldoen,

3.3.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 1.228,80,

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk op15 augustus 2014.1

Bij ontstentenis van mr. A.J. van der Meer is dit vonnis ondertekend door mr. Th. S. Röell.

1 type: 1285coll: