Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8435

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
C-15-206168 - HA ZA 13-433
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadeloosstelling na onteigening. Artikel 3:99 verkrijgende verjaring. Geen bezit te goeder trouw. Artikel 3:105, ook geen bevrijdende verjaring nu geen sprake is van het houden van een goed voor zichzelf.

Uitgebreide overweging met betrekking tot de waarde van het overblijvende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/206168 / HA ZA 13-433

Vonnis van 9 juli 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU),

gevestigd te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. M. Rus-van der Velde,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.P. van Delden.

Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het (tussen)vonnis van 9 oktober 2013 waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken

  • -

    het bij akte depot no. 8/2014 op 7 februari 2014 in de zaak met zaak-/rolnummer C/15/203008 / HA RK 13-47 gedeponeerde voorlopig oordeel ex artikel 54e Onteigeningswet van 6 februari 2014, en de daarin genoemde stukken

  • -

    de brief van [gedaagde] van 6 maart 2014 met als bijlage de brief van [gedaagde] met bijlagen aan de deskundigen van diezelfde datum

  • -

    de brief van de Staat van 10 maart 2014 met als bijlage de brief van de Staat aan de deskundigen van diezelfde datum

  • -

    het bij akte depot no. 11/2014 op 26 maart 2014 ter griffie gedeponeerde deskundigenbericht van 25 maart 2014

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting van 6 juni 2014 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Waarde van het onteigende

2.1.

Het onteigende betreft 15 m² grond van het perceel kadastraal bekend als [gemeente], [sectie], groot 778 m². Tezamen met een gedeelte van het perceel [sectie] ter grootte van 1.062 m² vormt dit het object - woning en bijgebouwen en tuin - [adres] te [plaats] (hierna ook: [het perceel]).

De peildatum is 27 november 2013, zijnde de datum van inschrijving van het onteigeningsvonnis van 9 oktober 2013 in de openbare registers.

Vast staat dat het plan voor het werk waarvoor is onteigend het Tracébesluit “Omlegging A9 Badhoevedorp” is. Met partijen en de deskundigen oordeelt de rechtbank dat dit plan bij de waardering van het onteigende met toepassing van artikel 40c Onteigeningswet (Ow) dient te worden weggedacht.

2.2.

De deskundigen hebben de waarde van het onteigende inclusief de daarop aanwezige beplanting/coniferenhaag getaxeerd op € 350,- per m², derhalve in totaal op € 5.250,-. De Staat is het eens met de door de deskundigen getaxeerde waarde.

2.3.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat beide partijen het ten tijde van de descente eens waren dat het onteigende € 7.500,- waard was, zijnde € 500,- per m². Dit vormt een sterke aanwijzing dat deze waarde in het vrije verkeer tussen een redelijk handelend koper en verkoper tot stand zou zijn gekomen. Ook het feit dat de door hemzelf ingeschakelde makelaar [naam makelaar] (hierna: [de makelaar]) het onteigende heeft gewaardeerd op € 500,- per m² duidt daarop, aldus [gedaagde].

2.4.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat [gedaagde] het door de Staat aangeboden bedrag aan schadeloosstelling van € 7.500,- heeft verworpen. Als gevolg daarvan dient de rechtbank zelfstandig het bedrag van de toe te kennen schadeloosstelling vast te stellen met behulp van deskundigen, onafhankelijk van hetgeen [gedaagde] vordert en de Staat aanbiedt (Hoge Raad 22 januari 1992, LJN: AD1587, NJ 1993/114). De rechtbank is dan ook niet gehouden om de waarde van het onteigende te bepalen op € 7.500,-. Daar komt bij dat het enkele feit dat partijen het tijdens de descente eens waren over dat bedrag onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat dit bedrag als koopprijs in het vrije verkeer tussen een redelijk handelend koper en verkoper tot stand zou zijn gekomen.

2.5.

De deskundigen hebben bij hun waardering het onteigende vergeleken met een aantal vergelijkingsobjecten en deze elk afzonderlijk en vervolgens in samenhang met de onroerende zaak op onder meer ligging, bestemming, grootte en ontsluiting beoordeeld. Ter zitting hebben de deskundigen toegelicht op welke wijze zij dat feitelijk - door het 'uiteenrafelen' van alle beschikbare gegevens - hebben gedaan. Daarbij zijn zij op basis van op (die) kennis en ervaring berustend intuïtief inzicht gekomen tot waardering van het onteigende op € 350,- per m².

[de makelaar] heeft bij zijn taxatie het onteigende gewaardeerd op € 7.500,-, zijnde € 500,- per m². Gelijk de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat deze grondwaarde zich niet juist verhoudt met de waarde van [het perceel] in zijn geheel, zijnde 1.840 m², zonder onteigening, door [de makelaar] gewaardeerd op € 700.000,-, zijnde € 380,- per m², nog daargelaten dat dan geen rekening is gehouden met het feit dat (andere) delen van het perceel wel zijn bebouwd en het onteigende niet. Evenmin is een grondwaarde van € 500,- per m² voor het onteigende verenigbaar met de door [de makelaar] in zijn rapport van 6 oktober 2012 genoemde onbebouwde grondwaarde van € 475.000,-, zijnde gemiddeld € 258,- per m², zoals de deskundigen terecht hebben opgemerkt. De rechtbank ziet dan ook reden om voorbij te gaan aan de taxatie van het onteigende door [de makelaar]. De rechtbank acht de waardering van het onteigende door de deskundigen overigens voldoende onderbouwd en zal daarom, bij gebreke van overige inhoudelijke weerspreking, de deskundigen volgen. De rechtbank stelt de waarde van het onteigende derhalve vast op 15 m² x € 350,- per m² = € 5.250,-.

Perceel [sectie]

2.6.

Tussen [het perceel] en de openbare weg [de weg] ligt een strook grond, die deel is van het perceel [sectie]. Het aan [het perceel] grenzende deel van dit perceel bedraagt ongeveer 35 m² en is door de [gemeente] (hierna: de gemeente) in 1992 gekocht en in eigendom verkregen van de rechtsvoorganger van [gedaagde], [naam rechtsvoorganger] (hierna: [de rechtsvoorganger van gedaagde]), ten behoeve van de aanleg van een fietspad. De gemeente heeft het fietspad nooit gerealiseerd. [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat het desbetreffende deel van perceel [sectie] (hierna: de strook grond) vanaf de verkoop aan de gemeente tot aan de onteigening feitelijk deel heeft uitgemaakt van de tuin van [het perceel].

2.7.

[gedaagde] heeft betoogd dat bij de vaststelling van de bijkomende schade en van de verminderde waarde van het overblijvende meegenomen dient te worden de schade die hij als rechthebbende op de strook grond lijdt door het verlies van het rechtmatig gebruik daarvan, nu dit als onteigeningsgevolg is aan te merken. [gedaagde] beroept zich in dit kader op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2001 (Van der Vegt/Waterschap Groot-Salland), NJ 2001,35. De rechtbank begrijpt het standpunt van [gedaagde] dat hij als rechthebbende op de strook grond moet worden aangemerkt aldus dat hij zich primair beroept op verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), subsidiair op bevrijdende verjaring in de zin van artikel 3:105 lid 1 juncto artikel 3:306 BW en meer subsidiair op een leemte in de wet die ontstaat omdat de strook grond al meer dan twintig jaar in gebruik is bij [de rechtsvoorganger van gedaagde] en [gedaagde] als zijn rechtsopvolger, en de gemeente om die reden niet meer kan revindiceren in de zin van artikel 5:2 BW.

2.8.

De Staat heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde] eigenaar is geworden van de strook grond.

2.9.

De rechtbank oordeelt als volgt. Ten aanzien van verkrijgende verjaring geldt op grond van artikel 3:99 lid 1 BW dat rechten op onroerende zaken door een bezitter te goeder trouw worden verkregen door een onafgebroken bezit van 10 jaren. Op grond van artikel 3:23 BW geldt dat een beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet wordt aanvaard, indien dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [gedaagde] desgevraagd meegedeeld dat hij de openbare registers niet heeft geraadpleegd bij de aankoop van de percelen [sectie] en [sectie] in 2002. Vast staat dat de eigendomsverkrijging door de gemeente van de strook grond in de openbare registers is geregistreerd, en dat [gedaagde] daar dus van op de hoogte had kunnen zijn. Hij kan dan ook niet worden aangemerkt als bezitter te goeder trouw, zodat hij geen eigendomsrechten heeft verkregen door verkrijgende verjaring.

2.10.

Ingevolge artikel 3:105 BW verkrijgt degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit wordt voltooid dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Niet in geschil is dat de gemeente na de aankoop van de strook grond deze feitelijk in gebruik heeft gelaten aan [de rechtsvoorganger van gedaagde]. De gemeente is echter eigenaar gebleven en aangezien [de rechtsvoorganger van gedaagde] daarvan op de hoogte was, is [de rechtsvoorganger van gedaagde] de grond niet voor zichzelf gaan houden en is hij na de verkoop houder geworden en geen bezitter. [de rechtsvoorganger van gedaagde] heeft dan ook niet het bezit van de strook grond aan [gedaagde] kunnen overdragen, zodat [gedaagde] evenmin door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. Voor zover [gedaagde] in dit verband heeft bedoeld aan te voeren dat hij wel zelf de strook grond na zijn aankoop van [het perceel] in 2002 is gaan bezitten, gaat de rechtbank aan die stelling voorbij, omdat [gedaagde] niet (onderbouwd) heeft gesteld dat hij de eigendom van de gemeente van de strook grond daadwerkelijk heeft tegengesproken. Bovendien zou dat bezit te kwader trouw dan nog geen 20 jaren, zijnde de termijn van verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit, hebben geduurd.

2.11.

Nu de gemeente haar eigendom niet heeft verloren en voorts gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] de strook grond onder zich heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht dat hij tegen de gemeente als eigenaar kan inroepen, is de gemeente nog altijd bevoegd de strook grond op te eisen. Daaraan doet niet af dat derden de strook grond meer dan twintig jaar gebruiken. Van een leemte in de wet, zoals door [gedaagde] betoogd, is geen sprake.

2.12.

De conclusie uit het voorgaande luidt dan ook dat [gedaagde] de strook grond gebruikte zonder dat daar een juridische basis voor was. In zoverre kan [gedaagde] dan ook geen rechten ontlenen aan het gebruik van die grond in de onderhavige procedure. Strikt genomen ten overvloede oordeelt de rechtbank nog, dat de onderhavige situatie niet vergelijkbaar is met de situatie die aan de orde was in genoemd arrest De Vegt/Waterschap Groot Salland. In die casus werd immers schadevergoeding toegekend voor verlies van inkomen uit onderneming als gevolg van de onteigening omdat de onteigende door de onteigening (de facto) geen gebruik meer kon maken van een stuk grond waarvoor hij sinds lange tijd een gebruiksrecht had, dat berustte op een uitdrukkelijke (gebruiks)afspraak. Die situatie doet zich hier niet voor.

Bijkomende schade

2.13.

Als gevolg van de onteigening zal de inrichting van de voortuin van [gedaagde] enige aanpassing behoeven. Volgens [gedaagde] bedragen de kosten daarvan conform de door hem aan de deskundigen gezonden (ongedateerde) offerte van Woud en Beek € 12.085,48 inclusief btw.

2.14.

In die offerte zijn onder meer posten opgenomen voor het verplaatsen van de coniferenhaag en voor de aanpassing en het herstel van de bestrating. Ter zitting heeft de Staat desgevraagd toegezegd dat zij in het kader van het werk waarvoor wordt onteigend zorg zal dragen voor de verwijdering van de coniferen die zich op het onteigende bevinden. Ook heeft de Staat toegezegd dat in het kader van het werk de op het onteigende aanwezige verharding op een nette manier zal worden weggehaald en dat de bestaande inrit(verharding) van [gedaagde] vloeiend zal worden aangesloten op het fietspad en de openbare weg. De rechtbank zal in het dictum van dit vonnis bepalen dat de Staat zich dient te houden aan deze toezeggingen. De door [gedaagde] in dat kader opgevoerde kosten komen om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.

2.15.

Verder zijn in de offerte posten opgenomen voor de verplaatsing van het hekwerk op de grens van de strook grond met de [de weg] en van de amandelboom op die strook grond, beiden naar perceel [sectie], en tevens voor het verleggen van elektrische leidingen. De rechtbank stelt vast dat deze door [gedaagde] opgevoerde bijkomende schade zijn oorsprong vindt in de benodigde aanpassing van de strook grond na de onteigening. Gegeven het oordeel in 2.12 dat [gedaagde] geen rechten kan ontlenen aan het gebruik van die grond, komen de desbetreffende kosten niet in aanmerking voor vergoeding als bijkomende schade. De deskundigen hebben echter overwogen dat zij het redelijk achten om een bedrag van € 5.500,- toe te wijzen voor de kosten van de verplaatsing van het hekwerk, de verplaatsing van de amandelboom, aanpassing van de bestaande elektriciteitsleiding en van een deel onvoorziene posten. Reden daarvoor is dat de deskundigen, zo begrijpt de rechtbank, aannemelijk achten dat [gedaagde] zonder de onteigening de strook grond had kunnen blijven gebruiken. De Staat heeft zich, voor wat betreft de omlegging van elektrische leidingen desgevraagd ter zitting, akkoord verklaard met toewijzing van dat bedrag. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om € 5.500,- toe te wijzen als bijkomende schade.

Waardevermindering van het overblijvende

2.16.

Ingevolge artikel 41 Ow wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling rekening gehouden met de mindere waarde, welke voor niet onteigende goederen van de onteigende het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van het verlies van zijn goed is. Deze vergoeding strekt ertoe te voorkomen dat de onteigende als gevolg van de onteigening in zijn vermogenspositie wordt aangetast doordat het overblijvende in waarde vermindert. De onteigende moet daarom ook die schade vergoed krijgen die daarin bestaat dat het complex (het geheel van het onteigende en het overblijvende) voor de onteigening meer waard was dan de som van de aan hem vergoede werkelijke waarde van het onteigende en de waarde van het overblijvende. De te vergoeden waardevermindering van het overblijvende moet dan ook worden begroot op dat verschil. Daarbij moet de waarde van het complex worden bepaald zonder rekening te houden met het werk waarvoor onteigend wordt en de plannen daarvoor. Dit toetsingskader volgt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2008, LJN BF0415, NJ 2009, 303.

2.17.

De deskundigen hebben de waarde van het complex vóór het onteigende bepaald op € 675.000,-. Partijen hebben daartegen geen bezwaar gemaakt en de rechtbank neemt deze waardering over.

2.18.

In het kader van de waardering van het overblijvende heeft [gedaagde] aangevoerd dat artikel 41 Ow conform de systematiek van de Hoge Raad spiegelbeeldige werking heeft ten aanzien van de waardebepaling van het complex vóór onteigening. Volgens [gedaagde] dient bij de waardering van het overblijvende de nadelige invloed van de uitvoering van het werk daarop juist te worden betrokken als bedoeld in artikel 40e Ow. Daarbij moet worden bekeken wat de gevolgen van de onteigening zijn en welke schade ook zonder onteigening zou zijn opgetreden. Bepalend is daarbij wat een redelijk handelend koper in het commerciële verkeer voor het overblijvende zou betalen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [gedaagde] verwezen naar de conclusie van A-G Keus bij voornoemde uitspraak van de Hoge Raad en naar het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004 (Railinfrabeheer/Sweeres), LJN AN7625, NJ 2004, 409, en naar de annotatie bij het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 1973, LJN AB4305, NJ 1973, 238.

In dit geval is, aldus [gedaagde], sprake van ernstige waardevermindering als gevolg van de uitvoering van het werk waarvoor onteigend is. De waardevermindering is in de eerste plaats het gevolg van vormverslechtering van het overblijvende perceel [sectie], die mede wordt beïnvloed door het verlies van de strook grond. In de tweede plaats geldt als schadeoorzaak dat op het onteigende en op de strook grond een fietspad wordt aangelegd waardoor hinder zal ontstaan van de fietsers en bromfietsers die daarvan gebruik zullen maken en waardoor de verkeersveiligheid in het geding komt. Als derde dient bij de waardevermindering ook te worden betrokken de hinder die het gevolg zal zijn van de realisering en ingebruikname van het viaduct dat zal worden aangelegd in de [de weg], hetgeen zal leiden tot achteruitgang van de verkeersveiligheid. Ten slotte geldt als schadeoorzaak de omlegging van de rijksweg A9, die ter plaatse leidt tot toename van hinder van luchtvaartverkeerslawaai, toename van luchtverontreiniging en te verwachten zichthinder. Een redelijk handelend koper zou al deze hindercomponenten tezamen bezien en het overblijvende waarderen op (niet meer dan) € 460.000,-, zoals door [de makelaar] is getaxeerd.

2.19.

De Staat heeft gesteld dat er geen sprake is van waardevermindering van het overblijvende. Weliswaar is sprake van een kleine vormverslechtering maar die is zo gering dat dit niet leidt tot een lagere waarde. De verplaatsing van het fietspad leidt niet tot extra of andere hinder, zodat ook om die reden geen sprake is van waardevermindering van het overblijvende. Met de aanleg, aanwezigheid en het gebruik van het werk buiten het onteigende kan in deze procedure geen rekening worden gehouden, omdat die schade geen rechtstreeks gevolg is van de onteigening, aldus de Staat.

2.20.

De rechtbank verwerpt het betoog van [gedaagde] dat de waarde van het overblijvende moet worden bepaald met inachtneming van het werk waarvoor is onteigend voor zover dat ook het gebruik van het werk buiten het onteigende betreft. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in voornoemd arrest van 21 november 2008 moet bij de waardebepaling van het overblijvende rekening worden gehouden met de toekomstige aanwezigheid van het werk, maar alleen voor zover dat gebruik op het onteigende plaatsvindt. Tevens moet daarbij rekening worden gehouden met het gebruik van het werk overeenkomstig het doel waartoe dat werk strekt, maar zulks alleen indien dat gebruik op het onteigende plaatsvindt. De waardevermindering van het overblijvende als gevolg van de aanwezigheid van het werk buiten het onteigende en van het gebruik daarvan dat niet op het onteigende plaatsvindt, wordt niet vergoed, omdat die waardevermindering geen schade is die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. Indien het gaat om de waardevermindering als gevolg van het gebruik van het werk overeenkomstig het doel waartoe dat werk strekt kan het, zoals in het door [gedaagde] aangehaalde arrest Railinfrabeheer/Sweeres, anders liggen. Indien het gebruik bestaat uit treinverkeer over het onteigende gaat het om een vorm van (geluids- en trillings)hinder die, anders dan hinder door uitzichtbelemmerende werken, naar haar aard niet valt te splitsen in hinder die op het onteigende en hinder die elders veroorzaakt wordt, omdat hinder van treinen die over het onteigende rijden zonder de hinder die die treinen veroorzaken bij het rijden naar en van het op het onteigende liggende gedeelte van de spoorbaan nu eenmaal ondenkbaar is, aldus de Hoge Raad.

2.21.

Vast staat dat ingevolge het Tracébesluit op het onteigende een deel van een fietspad zal worden aangelegd. Dit fietspad zal als onderdeel van een aan te leggen viaduct over de A9 in de te verleggen [de weg] vanaf een talud via de zuidkant van het onteigende naar de noordkant lopen. Daarbij zal het fietspad vanaf het talud in een flauwe bocht naar beneden lopen, welke bocht zal eindigen bij het onteigende, waarbij het fietspad verder zal lopen over het onteigende langs het overblijvende, en daarna langs het naastgelegen perceel. De deskundigen hebben in hun rapport overwogen en ter zitting toegelicht dat in dit geval de aanleg en het gebruik van het fietspad op het onteigende feitelijk leidt tot een andere situatie dan de situatie voor onteigening. Niet alleen komt het fietspad iets dichterbij, maar ook zal als gevolg van de bocht in het fietspad direct naast het onteigende en het overblijvende sprake zijn van - behalve fietsers - afremmend en optrekkend gemotoriseerd verkeer (bromfietsers en scooters) op het fietspad op het onteigende waardoor meer geluidsoverlast wordt ondervonden dan bij dergelijk verkeer dat met een constante snelheid passeert. Door de beplanting op het overblijvende wordt het zicht voor het verkeer op het fietspad in de bocht belemmerd, waardoor men niet door de bocht kan kijken. De deskundigen verwachten dat (brom)fietsers en scooters precies ter hoogte van het onteigende weer vaart zullen maken omdat het zicht daar weer vrij is. Bovendien zullen (brom)fietsers en scooters die van het talud afkomen meer snelheid hebben en ook dat geeft extra hinder voor het overblijvende, aldus de deskundigen.

2.22.

De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over ten aanzien van de hinder die op het overblijvende zal ontstaan als gevolg van de aanleg van het fietspad op het onteigende. Daarbij komt dat [gedaagde] terecht heeft aangevoerd dat er ook hinder zal ontstaan op het overblijvende als gevolg van het gebruik van het fietspad van en naar het onteigende. Indachtig het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 21 november 2008 valt de geluidshinder als gevolg van het optrekken en remmen van het fiets- en bromfietsverkeer naar haar aard immers niet te splitsen in hinder die op het onteigende en hinder die elders wordt veroorzaakt, omdat ook hier hinder van dit verkeer dat over het onteigende rijdt zonder de hinder die dat verkeer veroorzaakt bij het rijden naar en vanaf het op het onteigende gelegen gedeelte van het fietspad ondenkbaar is. Anders dan de deskundigen hebben geadviseerd in hun rapport zal de rechtbank met deze waardeverminderende factor bij de bepaling van de waarde van het overblijvende dus ook rekening houden.

Voorts is de rechtbank, zoals de deskundigen ook adviseren, van oordeel dat ook de vormverslechtering van het overblijvende leidt tot enige waardevermindering. De tuin is immers niet meer recht, omdat aan een zijde een hoek ontbreekt. Het wegvallen van het gebruik van de strook grond leidt niet tot waardevermindering van het overblijvende, omdat [gedaagde] daaraan geen rechten kan ontlenen en er derhalve in zoverre geen sprake is van vermogensschade, zoals hiervoor onder 2.12 reeds is overwogen.

2.23.

Desgevraagd hebben de deskundigen ter zitting meegedeeld dat zij de waardevermindering - dat wil zeggen het verschil in waarde tussen het complex en het overblijvende na onteigening, zoals zij dat ook in hun rapport op pagina 16 weergeven - taxeren op € 15.000,-, wanneer naast de factoren waarmee zij reeds in hun rapport rekening hielden (enige vormverslechtering van het overblijvende, de omstandigheid dat het fietspad iets dichter bij de woning van [gedaagde] komt te liggen en toegenomen hinder ten gevolge van optrekkend en afremmend bromfiets- en scooterverkeer in verband met de bocht op het onteigende), tevens rekening wordt gehouden met (extra) hinder van het aan- en afrijdend verkeer op het fietspad ter linker- en rechterzijde van het onteigende. Deze taxatie is door geen der partijen betwist.

2.24.

De door [gedaagde] genoemde hinder en bijbehorende waardevermindering van het overblijvende als gevolg van de realisering en ingebruikname van het viaduct over de [de weg] en van omlegging van de rijksweg A9, worden niet veroorzaakt door het gebruik van het werk op het onteigende en kunnen dan ook niet worden aangemerkt als oorzaak van te vergoeden waardevermindering. Gegeven het in 2.20 aangehaalde toetsingskader valt de vergoeding van de overige door [gedaagde] ondervonden schade dan ook buiten het bestek van deze procedure. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, is de 'knip' tussen schade die vergoed dient te worden als onteigeningsgevolg (hiervoor onder 2.23 omschreven) en de schade ten aanzien waarvan [gedaagde] een beroep kan doen op planschadevergoeding door de deskundigen juist gezet.

2.25.

De rechtbank volgt de deskundigen in hun waardering en zal de waarde van het overblijvende bepalen op € 660.000,-. De schade als gevolg van deze waardevermindering bedraagt:

  • -

    waarde van het complex vóór onteigening € 675.000,-

  • -

    waarde van het overblijvende na onteigening € 660.000,- -

- waarde van het onteigende € 5.250,- -

Schade door waardevermindering van het overblijvende € 9.750,-

Conclusie

2.26.

Al het voorgaande in aanmerking genomen, bedraagt de te vergoeden schade:

Waarde van het onteigende € 5.250,-

Waardevermindering van het overblijvende € 9.750,-

Bijkomende schade € 5.500,-

Totaal € 20.500,-

2.27.

Nu het voorschot was bepaald op € 8.550,- zal de rechtbank de Staat veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van het verschil tussen de totale schade en het voorschot van € 11.950,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de datum van inschrijving van de vervroegde onteigening, zijnde 27 november 2013, tot de dag van algehele voldoening.

Kosten

2.28.

Gegeven het bepaalde in artikel 50 lid 4 Ow en bij gebreke van bezwaren daartegen van de zijde van de Staat zal voor juridische bijstand een bedrag van € 26.304,43 + € 4.500,- en voor andere deskundige bijstand een bedrag van € 4.014,25 + € 907,50, zijnde in totaal € 35.726,18 inclusief btw worden toegewezen als door de Staat aan [gedaagde] te vergoeden kosten. Daarenboven zal ook het griffierecht ad € 842,- als door de Staat aan [gedaagde] te vergoeden kosten worden toegewezen.

2.29.

De Staat zal tevens worden veroordeeld in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen. Bij brief van 3 juni 2014, met aanvulling bij brief van 12 juni 2014 heeft de voorzitter van de deskundigencommissie de rechtbank een opgave gezonden van de door deskundigen bestede tijd en uurtarieven en van hun kantoor- en reiskosten. De totale kosten bedragen € 22.791,- inclusief btw. De Staat heeft geen bezwaar kenbaar gemaakt tegen deze kosten. De rechtbank acht de voorgestelde bedragen redelijk en niet bovenmatig en zal de kosten van de deskundigen op € 22.791,- begroten.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt de schadeloosstelling voor [gedaagde] op € 20.500,-;

3.2.

veroordeelt de Staat na verrekening met het door haar reeds betaalde voorschot van € 8.550,- om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 11.950,-, te vermeerderen met de samengestelde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2013 tot de dag van algehele voldoening;

3.3.

bepaalt dat de Staat haar belofte ten aanzien van de coniferen en de verharding gestand moet doen zoals weergegeven in 2.14 van dit vonnis;

3.4.

veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 842,- aan verschotten en € 35.726,18 inclusief btw aan kosten deskundige bijstand;

3.5.

veroordeelt de Staat in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen voor hun in deze zaak verrichte werkzaamheden, tot aan deze uitspraak begroot op € 22.791,- inclusief btw;

3.6.

wijst het in de gemeente Haarlemmermeer verschijnende Haarlems Dagblad aan als het nieuwsblad waarin dit vonnis binnen acht dagen nadat het gezag van gewijsde heeft gekregen door de griffier bij uittreksel zal worden geplaatst;

3.7.

verklaart dit vonnis wat de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem, mr. R.H.M. Bruin en mr. M.M. Kruithof en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.1

1 conc: 797