Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8434

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
14/263 en 15/710324-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Vergoedingsregeling ex artikel 591a Sv niet van overeenkomstige toepassing op de bezwaarschriftprocedure ex artikel 7 Wet DNA-veroordeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 14/263

Parketnummer: 15/710324-12

Uitspraakdatum: 17 april 2014

beschikking (art. 591a Sv.)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 10 februari 2014 is ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een door mr. A. Oass, advocaat, ingediend verzoekschrift, gedateerd 5 februari 2014, van

[verzoeker], verzoeker,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

domicilie kiezende te [adres], ten kantore van mr. Oass, voornoemd.

Het door verzoeker (mede)ondertekende verzoekschrift strekt tot toekenning aan verzoeker van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 3.215,55, wegens de door deze gemaakte kosten van een raadsman met betrekking tot het in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer ingediende bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (registratienummer 13/2126), de kosten van bijstand van een raadsman met betrekking tot de indiening en behandeling van het onderhavige verzoekschrift daarin begrepen, althans zodanige vergoeding als zal worden vermeend te behoren.

Op 3 april 2014 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.

Voor verzoeker is verschenen mr. E.M. Bosscher, advocaat te Haarlem.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M. van Oosten.

Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag.

2. Ontvankelijkheid

Alvorens de rechtbank toe kan komen aan de beantwoording van de vraag, of – en zo ja in hoeverre – er ten aanzien van verzoeker gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van de verzochte vergoeding, dient de vraag te worden beantwoord, of verzoeker in zijn verzoekschrift kan worden ontvangen.

In dat kader is het volgende van belang.

Op de voet van het bepaalde in de artikelen 90 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten van een raadsman, zo daartoe althans, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Blijkens het toepasselijke vijfde lid van artikel 591 Sv. is de regeling van overeenkomstige toepassing verklaard op:

het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen,

de behandeling van vorderingen als bedoeld in de artikelen 509j en 509o of het beroep als bedoeld in artikel 509v en

de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b.

Vooropgesteld wordt dat verzoeker in de strafzaak op basis waarvan het bevel tot afname van DNA-materiaal van 16 oktober 2013 is gegeven bij vonnis van deze rechtbank van 18 september 2013 tot straf is veroordeeld, zodat er geen sprake is van een strafzaak die is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

In het bepaalde in artikel 591a Wetboek van Strafvordering kan daarom geen basis worden gevonden voor toekenning van de verzochte vergoeding.

Uit de omstandigheid dat de wetgever in artikel 591, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering de regeling van vergoeding van proceskosten voorzien in de artikelen 591 en 591a van overeenkomstige toepassing heeft verklaard op een aantal bijzondere procedures, maar in die als limitatief op te vatten opsomming de bezwaarschriftprocedure ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden niet heeft vermeld, valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden, dat de wetgever van een regeling van kosten- c.q. schadevergoeding door de overheid bij deze laatste procedure niet heeft willen weten.

De aan de uitspraken van het Hof Leeuwarden van 28 april 2004 en 17 november 2010 (LJN: BO8582 respectievelijk BO4804) contraire beslissing van de Rechtbank Noord-Nederland (locatie Assen) van 21 maart 2013 maakt dat niet anders.

Op grond van het voorgaande behoort met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoekschrift.

4. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E.A. Toeter, rechter,

in tegenwoordigheid van A.B. van Velzen, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2014.