Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:839

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
C/14/141488/HA ZA 12-373
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eigenaar perceel grond waarop met toestemming van vorige eigenaar en met vergunning afval is gestort, vordert ontruiming van dat perceel door de vuilverwerker wegens onrechtmatig gebruik door die vuilverwerker. Vordering wordt afgewezen. Vordering tot ontruiming met medeneming van het gestorte afval is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/179 met annotatie van H.J. Bos
JM 2014/115 met annotatie van H.J. Bos

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/14/141488 / HA ZA 12-373

Vonnis van 5 februari 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAIL SIDE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaten mrs. A. van der Hilst en G. Aarts te Amsterdam,

tegen

naamloze vennootschap N.V. HVC,

gevestigd te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. S. Hartog te Alkmaar.

Partijen zullen hierna Rail Side en HVC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 oktober 2012 met producties

  • -

    het vonnis van 19 juni 2013

  • -

    de conclusie van antwoord met producties

  • -

    het tussenvonnis van 14 augustus 2013

  • -

    de met het oog op de comparitie bij brief van 26 november 2013 door HVC overgelegde producties

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 december 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Rail Side is eigenaar van een perceel grond kadastraal bekend als gemeente Dordrecht, sectie R, nummer 6590, groot 1 hectare, 29 are en 69 centiare (hierna: het perceel grond). In het verleden behoorde het perceel grond toe aan, eerst, N.V. Nederlandse Spoorwegen (NS) en, daarna, aan NS Vastgoed B.V. (NS Vastgoed).

2.2.

Gevudo is een mede door de gemeente Dordrecht opgerichte gemeenschappelijke regeling ten behoeve van vuilverwerking in de regio. Vanaf 1984 was het perceel grond, tezamen met het daarnaast gelegen aan de gemeente Dordrecht toebehorende perceel grond, bij Gevudo in gebruik als vuilstortplaats (genaamd Crayestein-West).

2.3.

Het perceel grond is gelegen naast een treinspoorbaan. Ten behoeve van het gebruik van het perceel grond als vuilstortplaats heeft NS op 26 april 1984 aan Gevudo een vergunning afgegeven. Deze vergunning bepaalt, voor zover hier van belang:

De Hoofddirectie van de N.V. Nederlandse Spoorwegen, …, verleent hierbij namens de Minister van Verkeer en Waterstaat aan Gemeenschappelijke Vuilverbranding Dordrecht en Omstreken ‘GEVUDO’… (verder aangeduid als “de vergunninghouder” tot wederopzegging vergunning als bedoeld in artikel 15 Reglement Dienst Hoofd- en Lokaalspoorwegen tot:

  1. Het inrichten van een vuilstortplaats tussen km. 87.605 en km. 88.025

  2. het ophogen en verbreden van een bestaande dijk tussen km. 87.662 en km. 87.673

  3. het maken van een nieuwe dijk tussen km. 87.849 en km. 87.867

  4. het maken en gebruiken van een verharding ter verbreding van de inrit naar de vuilstortplaats ter hoogte van km. 88.050.

en het daarna in gebruik nemen van ± 11.500 m² spoorwegterrein t.b.v. een vuilstort …

De vergunning wordt verleend onder de volgende algemene voorwaarden:

1e van de vergunning mag geen gebruik worden gemaakt dan nadat tussen de vergunninghouder en de N.V. Nederlandse Spoorwegen (…) overeenstemming is bereikt over een regeling inzake het voor het werk gebruiken van de spoorweg.

2e het werk moet door de vergunninghouder in overleg met en tot genoegen van NS worden gemaakt en onderhouden.

3e Wanneer de vergunning wordt opgezegd, is de vergunninghouder verplicht binnen de termijn, waartegen de opzegging is geschied, het werk op te ruimen en de spoorweg te herstellen, een en ander volgens aanwijzing en tot genoegen van NS…

2.4.

Daarnaast zijn NS en Gevudo (ook aangeduid als “wederpartij”) op 26 april 1984 een overeenkomst aangegaan betreffende het gebruik van het perceel grond. Zij zijn daarbij “behoudens rechten van derden voor de duur van genoemde publiekrechtelijke vergunning,” voor zover hier van belang het volgende overeengekomen:

“1e Het maken, onderhouden, eventueel wijzigen, vernieuwen of opruimen van het werk geschiedt voor rekening van de wederpartij.

7) Na het op hoogte brengen van de vuilnisstort dient deze te worden afgedekt met een laag teelaarde van ± 1.- m’.

8) Door en voor rekening van de wederpartij moet na voltooing van de vuilstort, op de NS grens, een deugdelijke afrastering worden geplaatst en daarna worden onderhouden en in stand gehouden, e.e.a. in overleg met en tot genoegen van NS.

10) Na het voltooien van de grondstorting is de wederpartij verplicht het in gebruik geven spoorwegterrein, nadat de vuilnisstort is voltooid en is afgedekt met de in voorwaarde 7 genoemde teelaarde, in overleg met en tot genoegen van NS in te richten.

18) Tussen de vuilstort en de spoorbaan dient door en voor rekening van de wederpartij een afsluitende laag aangebracht te worden teneinde vervuiling van het baanlichaam te voorkomen. Deze afsluitende laag dient te bestaan uiteen door NS goed te keuren folie, afgedekt met 50 cm. klei (…).

24) De wederpartij verbindt zich op voorhand tot het voor haar rekening nemen van alle kosten:

- indien te zijner tijd ingevolge enig wettelijk voorschrift de eigenaar van de grond in de dan onstane situatie ten gevolge van de vuilstort, betalingen moet verrichten c.q. werkzaamheden ter verandering/verbetering moet uitvoeren.

- indien NS geheel of gedeeltelijk over het vergunde terrein dient te beschikken voor eigen of neven bedrijfsvoorzieningen, moet de vuilstort op het vergunde terrein op eerste aanzegging van NS worden beëindigd.

De staat waarin het betreffende terrein alsdan moet worden opgeleverd zal in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.

2.5.

Afvalstortplaats Crayestein-West wordt sinds 1991 feitelijk geëxploiteerd door HVC.

2.6.

Op 30 december 2004 heeft Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een nieuwe vergunning in het kader van de Wet Milieubeheer verleend voor het gebruik van (mede) het perceel grond als vuilstortplaats. Deze vergunning is verleend aan Gevudo.

2.7.

In verband met de voorgenomen sluiting van de vuilstortplaats Crayestein-West, heeft HVC een nazorgplan ingediend bij Gedeputeerde Staten van Zuid Holland. Gedeputeerde Staten heeft dit nazorgplan bij beschikking van 22 april 2008 (grotendeels) goedgekeurd.

2.8.

Bij beschikking van 21 augustus 2012 heeft Prorail (namens de minister) de tenaamstelling van de vergunning van 26 april 1984 gewijzigd van Gevudo in HVC.

2.9.

Op 15 december 2010 heeft NS Vastgoed het perceel grond verkocht en geleverd aan Waalstede Vastgoed B.V. (Waalstede). Op dezelfde dag heeft Waalstede het perceel grond verkocht en geleverd aan Rail Side.

3 Het geschil

3.1.

Rail Side vordert, samengevat, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van HVC:

1. het perceel grond binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hare en de haren, mogelijke onderhuurders of gebruikers inbegrepen, zonder vuilstort, leeg en ontruimd en vrij van enige bodem- en/of grondwaterverontreiniging en vrij van gebruiksrechten en andere verplichtingen jegens derden of aanspraken van derden, aan Rail Side ter beschikking te stellen, althans het perceel grond op een door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen staat aan Rail Side ter beschikking te stellen, zulks op straffe van verbeurte van een jegens Rail Side direct opeisbare dwangsom van € 12.500,-- per dag of gedeelte daarvan dat HVC niet of niet geheel aan deze veroordeling zullen voldoen, zulks met machtiging aan Rail Side om bij gebreke van voldoening aan deze veroordeling de ontruiming zelf te (laten) bewerkstelligen op kosten van HVC;

2. tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en - te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Rail Side voert daartoe, verkort en zakelijk weergegeven, aan dat zij als eigenaresse exclusief gerechtigd is tot het perceel grond en dat HVC door het gebruik van het perceel grond inbreuk maakt op dat eigendomsrecht en aldus onrechtmatig jegens haar handelt. Rail Side heeft daarom recht het stuk grond terug te eisen. Door de overname van de activiteiten van Gevudo door HVC in 1991 maakt HVC sinds die tijd zonder recht of titel gebruik van het perceel grond. Indien HVC wel gerechtigd was het perceel grond te gebruiken, is dat recht in ieder geval geëindigd op 15 december 2010, de dag van levering van het perceel door NS Vastgoed, en is het gebruik daarna onrechtmatig. HVC dient de op het perceel grond aangebrachte vervuiling en afvalstoffen te verwijderen. Voor het geval de gebruiksovereenkomst na 15 december 2010 voortduurde, heeft Rail Side deze op 5 juli 2012 opgezegd tegen 14 augustus 2012. Bij brief d.d. 22 oktober 2012 heeft Rail Side voor de zekerheid nogmaals de gebruiksovereenkomst opgezegd en wel tegen 30 april 2013. HVC is krachtens de vergunning van NS en de gebruiksovereenkomst met NS gehouden het perceel grond aan het einde van de overeenkomst ontruimd en vrij van enige bodem-/grondwaterverontreiniging op te leveren.

3.3.

HVC voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat Rail Side met haar vordering kennelijk beoogt dat HVC het gebruik van het perceel grond binnen afzienbare termijn eindigt met medeneming van het daar gestorte afval en dat HVC er zorg voor draagt dat het perceel grond vrij is van verplichtingen jegens derden. De rechtbank zal deze vordering afwijzen en overweegt daartoe als volgt.

4.2.

Vast staat dat Gevudo in 1984 van NS vergunning heeft gekregen afval te storten op het perceel grond. Die vergunning is gebaseerd op, destijds artikel 15 Reglement Dienst Hoofd- en Lokaalspoorwegen. NS en Gevudo hebben in verband met de wijze waarop de (publiekrechtelijke) vergunning zou worden uitgevoerd, privaatrechtelijke afspraken gemaakt. Die afspraken zijn vastgelegd in de overeenkomst hiervoor onder 2.4 aangehaalde overeenkomst. Deze vergunning staat thans op naam van HVC (productie G zijdens HVC). Vast staat verder dat Gevudo, in ieder geval vanaf 2004 (zie hiervoor onder 2.6), ook beschikte over een door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland afgegeven vergunning krachtens de Wet Milieubeheer. Aan Rail Side kan worden toegegeven dat niet is gebleken dat die vergunning thans op naam van HVC staat. Echter, uit de beschikking van Gedeputeerde Staten d.d. 22 april 2008 op de aanvraag van HVC, blijkt dat Gedeputeerde Staten HVC als gebruiker van de stortplaats ziet. Immers zij beschouwt HVC als degene die de stortplaats drijft en krachtens artikel 8:49 derde lid van de Wet milieubeheer een nazorgplan moet indienen. Aldus mag worden aangenomen dat eerst Gevudo (zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk) en later HVC (in ieder geval publiekrechtelijk) gerechtigd waren afval te storten op de vuilstortplaats Crayestein-West. Onvoldoende heeft Rail Side aangevoerd om aan te nemen dat HVC niet ook privaatrechtelijk bevoegd was van het perceel grond gebruik te maken. Immers, zelfs als aangenomen zou worden dat NS de verbintenis tot het laten gebruiken van het perceel niet schriftelijk aan NS Vastgoed had overgedragen, ligt het, gelet op de aard en omvang van het gebruik door HVC en de publiekrechtelijke verwikkelingen betreffende het perceel, in de normale lijn van verwachtingen dat NS Vastgoed van dit gebruik door HVC op de hoogte was en daarmee instemde. Gesteld noch gebleken is dat dit anders is. In dat licht bezien, heeft Rail Side onvoldoende aangevoerd om aan te kunnen nemen dat HVC tot het moment van levering door NS Vastgoed geen recht had het perceel grond te gebruiken.

4.3.

De volgende vraag is of het gebruiksrecht door HVC door de levering van het perceel op 15 december 2010 aan Rail Side is geëindigd. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het gebruik door HVC niet is te kwalificeren als een huurovereenkomst. Gevudo en later HVC hebben immers nooit een tegenprestatie voor het gebruik hoeven leveren. Dat Gevudo of HVC eventuele uit het gebruik voortvloeiende extra kosten van NS of NS Vastgoed voor haar rekening moest nemen, is geen tegenprestatie in de hier bedoelde zin.

4.4.

Dat maakt dat het (privaatrechtelijke) gebruiksrecht van HVC voor het perceel grond in beginsel is geëindigd door de overdracht van de grond door NS Vastgoed aan Waalstede. Daarop zijn uitzonderingen denkbaar, maar de rechtbank laat die, gelet op het navolgende, buiten beschouwing.

4.5.

Zelfs als het gebruiksrecht is geëindigd (hetgeen HVC dus betwist), leidt dat niet tot de conclusie dat HVC het perceel grond thans dient te ontruimen op de door Rail Side gevorderde wijze. Immers, eerst Gevudo en later HVC hebben met toestemming van de toenmalige eigenaar/eigenaren van het perceel grond, NS en NS Vastgoed, afval op het perceel gestort. Ook op naastgelegen perceel grond van de gemeente Dordrecht, is in de loop van de jaren een grote hoeveelheid afval gestort. Gelet op de aard van de stort en de hoeveelheid afvalstoffen, mag ervan worden uitgegaan dat het de bedoeling van de destijds betrokken partijen was dat dit afval daar zou blijven liggen en tezijnertijd zou worden weggewerkt onder een laag grond. Gelet hierop valt niet in te zien waarom HVC onrechtmatig jegens Rail Side heeft gehandeld en dat afval nu weer zou moeten verwijderen. Rail Side heeft daarvoor ook onvoldoende aangevoerd.

4.6.

Zelfs indien, uitgaande van de optiek van Rail Side, HVC het perceel thans zonder recht of titel gebruikt en HVC geacht zou moeten worden het perceel grond zonder vuilstort op te leveren, is het gelet op de aard en omvang van het gebruik, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar haar daartoe te verplichten op de door Rail Side voorgestane wijze. Daarbij komt dat publiekrechtelijke regelgeving er aan in de weg staat dat HVC het perceel grond aan Rail Side oplevert vrij van gebruiksrechten en andere verplichtingen jegens derden of aanspraken van derden. Uit de artikelen 8:47 e.v. Wet milieubeheer vloeit immers dwingend voort dat de provincie ook na ontruiming van het perceel toezicht houdt en maatregelen kan eisen. Daar komt bij dat Rail Side wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat het perceel grond in gebruik was als vuilstort. De omvang van de inrichting en de aard daarvan is zodanig dat daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan. Ter comparitie is bovendien gebleken dat de bestuurders van Rail Side ter plaatse bekend zijn.

4.7.

Als een soort meer subsidiair heeft Rail Side gevorderd dat HVC het perceel grond ontruimt en in een door de rechtbank te bepalen staat aan Rail Side ter beschikking stelt. Die vordering is te onbepaald om te kunnen toewijzen. Enerzijds, omdat Rail Side onvoldoende inzicht heeft gegeven van de huidige staat van het perceel grond en, anderzijds, zij onvoldoende inzicht heeft gegeven welke publiekrechtelijke eisen er thans op het perceel grond rusten.

4.8.

Rail Side zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HVC worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.479,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Rail Side in de proceskosten, aan de zijde van HVC tot op heden begroot op € 1.479,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Rail Side in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Rail Side niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.