Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8370

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
haa 14-2432
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter verwijst allereerst naar de rechtsoverwegingen welke hij in zijn uitspraak van 16 januari 2014 (HAA 13/5169) heeft gewijd aan de rechtsgrondslag van het bevel tot afgifte en de inbeslagname met als doel het afnemen van een gedragstest. Deze zaak verschilt in zoverre met voornoemde nu met het thans aan verzoeker gegeven bevel afstand te doen van (hond) en daarop volgende inbeslagname wordt beoogd verzoeker (hond) definitief af te nemen. Dat verschil is als het gaat om de rechtsgrondslag -anders dan de gemachtigde van verzoeker lijkt te betogen- niet van belang. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook het onderhavige bevel aan verzoeker om afstand te doen van (hond) (en de daarop volgende inbeslagname) kan worden gebaseerd op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Aan het onmiddellijkheidsvereiste is voldaan nu verweerder het bevel heeft gegeven du moment dat bleek dat aan de inbeslagname op 23 mei 2014 door het OM een einde zou komen doordat deze rechtbank bij beschikking van 16 juni 2014 had bepaald dat (hond) aan verzoeker moest worden teruggegeven. Aan het op 16 juni 2014 gegeven bevel om(hond)definitief af te staan, heeft verweerder niet alleen het bijtincident op 23 mei 2014 maar ook het incident van 20 maart 2014 (het opjagen en bijten van schapen) en het meermaals negeren van het aanlijn- en muilkorfgebod ten grondslag gelegd. Deze feiten en de daardoor in de woonomgeving ontstane onrust liggen niet alleen ten grondslag aan haar aldus begrepen standpunt dat er sprake is van verstoringen van de openbare orde, maar rechtvaardigen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook haar vrees dat in de toekomst nog meer (bijt)incidenten en daarmee verstoringen van de openbare orde zullen plaatsvinden. Anders dan gemachtigde van verzoeker heeft betoogd, staat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam vast dat (hond) de hond is geweest die op 20 maart schapen heeft opgejaagd en gebeten. Verzoeker heeft dit incident -zoals uit het vorenstaande blijkt- in een telefoongesprek aan Kuppens bevestigd. Ter zitting heeft verzoeker de betrokkenheid van (hond) bij dat incident wederom erkend. Verder bestaat er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen twijfel aan het feit dat (hond) de hond is geweest die de krantenbezorgster op 23 mei 2014 in de vroege ochtend in haar bil heeft gebeten. Daartoe verwijst de voorzieningenrechter naar het proces-verbaal verhoor getuige (naam)van 23 juni 2014. Resumerend is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat in het verleden sprake is geweest van verstoringen van de openbare orde als gevolg van bijtincidenten en dat er gegronde vrees bestaat voor herhaling daarvan, waardoor het belang van verzoeker bij het kunnen houden van (hond) dient te wijken voor het algemeen belang bij het bevel tot afgifte van (hond), de inbeslagname en de herplaatsing van (hond). Gelet op de eerdere incidenten met (hond) het feit dat bij een eerder incident een kind was betrokken en verzoeker kennelijk in een kinderrijke buurt woonde, bestaat er vooralsnog geen grond voor het oordeel dat dit standpunt van verweerder onjuist is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-09-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/2432

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Biemond, advocaat te ’s-Gravenhage,

en

de burgemeester van Zeevang, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2014 heeft verweerder verzoeker bevolen afstand te doen van zijn hond [hond] en besloten om over te gaan tot inbeslagname van [hond] alsmede herplaatsing bij een door het ministerie van Economische Zaken erkende opslaghouder.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2014. Verzoeker is verschenen. Hij werd vergezeld door zijn gemachtigde. Verder is verschenen H.C. Heerschop, burgemeester van Zeevang. Zij werd vergezeld door W. Kuppens en mr. M.P.J. Kuin, beiden werkzaam bij de gemeente Zeevang.

Overwegingen

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

[hond], een reu, is een kruising tussen een Duitse en een Anatolische herder. Hij is ongeveer 3 jaar oud en weegt 33 kilo.

Naar aanleiding van twee bijtincidenten op respectievelijk 18 oktober 2013 en 8 november 2013, waarbij kinderen door [hond] in de arm zijn gebeten, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeevang aan verzoeker een aanlijngebod (besluit van 31 oktober 2013) en een muilkorfgebod (besluit van 28 november 2013) opgelegd. Na de oplegging van het aanlijn- en muilkorfgebod hebben zich twee incidenten voorgedaan die aanleiding zijn geweest voor de inbeslagname van [hond] en het hem laten ondergaan van een gedragstest. Het ene incident betreft de constatering door een agent dat [hond] zich op 7 december 2013 op een openbare plaats bevond zonder muilkorf; derhalve het door verzoeker niet naleven van het muilkorf-gebod. Het andere incident vond plaats op 13 december 2013. Daarbij heeft [hond] een met een rollator lopende bejaarde vrouw omver gesprongen, waardoor zij ten val is gekomen met als resultaat een kapotte bril en een kapot kunstgebit.

Op 16 december 2013 ontving de gemeente een melding dat verzoeker [hond] op 7 december 2013 zonder muilkorf uitliet. In deze periode ontving het klantcontactcentrum van de gemeente regelmatig meldingen van verontruste burgers die verklaarden dat zij zich niet veilig voelden in de buurt van [hond] omdat zij zagen dat hij aangelijnd noch gemuilkorfd rondliep.

Bij besluit van 17 december 2013 heeft verweerder [hond] in beslag doen nemen voor de duur van acht weken en bepaald dat [hond] aan een gedragstest onderworpen dient te worden. Deze gedragstest is afgenomen door dr. [naam 1] (verder: [naam 1]), gedragsdeskundige bij de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. [hond] is beoordeeld op agressie, angst en (afwijkend) sociaal gedrag.

Op 3 februari 2014 ontving de gemeente het adviesrapport van 30 januari 2014. De conclusie van [naam 1] is dat [hond] een matig risico vormt voor de maatschappij. De kans op bijtincidenten is zeker bij de huidige eigenaar reëel. Incidenten kunnen optreden bij onvoldoende controle in voor [hond] bedreigende situaties en bij plotse gebeurtenissen op korte afstand. Het probleem lijkt [naam 1] niet zozeer te zitten bij [hond], maar bij diens eigenaar, die immers heeft getoond een al opgelegde aanlijn- en muilkorfgebod (soms) te negeren en ook al eerder (ook in de vorige woonplaats) voor overlast heeft gezorgd met [hond]. De eigenaar heeft zich in stukken bereid getoond alsnog zich te gaan houden aan de geboden en te gaan trainen bij trainster [naam 2]. Een aanlijngebod lijkt sowieso op zijn plaats. [naam 1] ‘neigt ertoe te adviseren de eigenaar via gerichte training alsnog een kans te geven zijn gedrag, en daarmee het gedrag van [hond], te verbeteren, met inachtneming van de gegeven aanwijzingen. Als er opnieuw een overtreding of incident optreedt, wordt het gemeentebestuur geadviseerd de hond meteen in beslag te nemen, verbeurd te laten verklaren en te laten herplaatsen. Herplaatsing van [hond] is heel goed mogelijk.’ [naam 1] acht een teruggave slechts verantwoord onder voorwaarden waaronder een aanlijn- en muilkorfgebod, het volgen van een cursus waarbij de controle van de eigenaar over [hond] moet worden verbeterd en aandachtstraining. Op 5 februari 2014 heeft [naam 1] verweerder nog geïnformeerd dat de opslaghouder (asiel) waar [hond] verbleef aangaf dat het gedrag van [hond] richting het personeel verslechtert. Naar nu blijkt, is het des te belangrijker dat er een heel goede controle over [hond] is. Hij geeft aan dat het risico, in elk geval tijdelijk, hoger is dan in de rapportage is vermeld.

Op 11 februari 2014 heeft verweerder besloten tot teruggave van [hond] onder voorwaarden. De voorwaarden zijn dat [hond] kort aangelijnd en gemuilkorfd is in de openbare ruimte conform de reeds opgelegde aanlijn- en muilkorfplicht, verzoeker een algemeen erkende cursus volgt waarbij de controle over [hond] wordt verbeterd, een aandachtstraining wordt gevolgd, waardoor [hond] minder gevoelig wordt voor onverwachte bewegingen van personen en [hond] minder de neiging krijgt tegen personen op te springen en dat verzoeker [hond] zal laten castreten indien dat nodig blijkt te zijn, teneinde zijn testosteron en daar mee de kans op agressief gedrag te verminderen.

Verzoeker heeft verklaard dat hij zich aan de voorwaarden zal houden.

Op 21 maart 2014 verneemt de gemeente dat [hond] op 20 maart 2014 in de naburige gemeente [gemeente] op de [locatie] schapen heeft opgejaagd en gebeten. In een telefoongesprek op 1 april 2014 met behandelend ambtenaar Kuppens heeft verzoeker dit bevestigd en aangegeven dit incident te betreuren en [hond] in het vervolg kort aan te lijnen in de nabijheid van schapen. Op 2 en 5 april 2014 is door agent Zwiers geconstateerd dat [hond] op de [locatie 2] en [locatie 3] rondliep zonder te zijn aangelijnd, zonder muilkorf en zonder toezicht van zijn baas. In de periode 28 maart 2014 tot en met 6 april 2014 zijn er bij de politie vier meldingen binnengekomen van omwonenden dat [hond] los liep zonder te zijn aangelijnd, zonder muilkorf en zonder toezicht van verzoeker. Op 8 april 2014 heeft Kuppens verzoeker om uitleg gevraagd waarom [hond] zonder lijn en muilkorf door de wijk liep. Verzoeker verklaarde dat [hond] enkele malen uit huis was ontsnapt omdat het hek rondom de achtertuin niet deugdelijk is. Op 18 april 2014 bereikte de gemeente het bericht dat op 17 april 2014 twee schapen op de [locatie] in gemeente [gemeente] zijn doodgebeten.

Op 25 april 2014 heeft verweerder schriftelijk bij verzoeker er op aangedrongen [hond] niet meer onaangelijnd en zonder muilkorf in de openbare ruimte te laten lopen en dat hij zijn achtertuin deugdelijk afschermt met een hek. Verder is in de brief opgenomen dat bij herhaling van genoemde geboden of bij herhaling van een bijtincident definitieve inbeslagname kan volgen.

Verzoeker heeft na de teruggave een aantal keer met [hond] een cursus bij een hondentrainster gevolgd. De hondentrainster, [naam 2], geeft aan dat met [hond] best te werken is, maar dat verzoeker onvoldoende verantwoordelijkheid toont in de opvoeding en training van zijn hond. [naam 2] schrijft: “[hond] is geen hond die als je met je vingers knipt gaat luisteren; dit moeten we ook niet willen van dit type hond, maar dan moet je bepaalde situaties gewoon uitsluiten.” en: “De heer[verzoeker] denkt vooral aan het trainen van [hond], wij denken vooral aan het trainen van de heer[verzoeker].”. Verzoeker kwam niet altijd opdagen. Hij heeft circa vier trainingen gevolgd.

Op 23 mei 2014 bereikte de gemeente het bericht dat op diezelfde ochtend wederom een bijtincident heeft voorgedaan. Deze keer was een krantenbezorgster in haar bil gebeten door [hond]. Voor verweerder was de maat vol. Zij wilde overgaan tot inbeslagname van de hond. Even later ontving verweerder evenwel het bericht dat de officier van Justitie al had besloten [hond] in beslag te nemen, waardoor er voor verweerder geen reden meer bestond om tot inbeslagname over te gaan.

Op 16 juni 2014 werd Kuppens door wijkagent Van Santen geïnformeerd dat de strafrechtelijke inbeslagname op korte termijn zou eindigen en dat [hond] binnen één â twee dagen zou terugkeren naar verzoeker. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 16 juni 2014 op basis van artikel 172, derde lid, Gemeentewet verzoeker bevolen afstand te doen van [hond] en besloten om over te gaan tot inbeslagname alsmede herplaatsing van [hond]. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd de meldingen bij de gemeente van ongeruste buurtbewoners, het ernstige vermoeden dat [hond] verantwoordelijk is voor het verwonden en doden van schapen, herhaalde overtredingen van het aanlijn- en muilkorfgebod en de hieruit voortvloeiende schending van de afspraken over de teruggave van [hond] na de eerste inbeslagname en het bijten door [hond] van een krantenbezorgster. Verweerder vreest dat de aanstaande terugkomst van [hond] zal leiden tot nieuwe bijtincidenten en verstoringen van de openbare orde.

De gemachtigde van verzoeker heeft -kort zakelijk weergegeven- aangevoerd dat verweerder [hond] niet op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet in beslag had mogen nemen nu niet is voldaan aan het onmiddellijkheidsvereiste. Verder betwist de gemachtigde van verzoeker iedere betrokkenheid van [hond] bij de ‘schaapincidenten’ van 20 maart en 17 april en het bijtincident van 23 mei 2014.

Ingevolge artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd bij versto-ring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

Uit deze bepaling moet worden afgeleid dat de burgemeester beoordelingsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. De rechter kan dit oordeel slechts terughoudend toetsen. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet heeft deze bepaling betrekking op situaties waarin enerzijds geen overtreding van wettelijke openbare orde voorschriften plaatsvindt, terwijl anderzijds sprake is van een zodanige inbreuk op orde en rust dat niet meer van een aanvaardbaar niveau daarvan gesproken kan worden. Daartegen moet kunnen worden opgetreden. De bepaling dient er toe de burgemeester ook in dergelijke gevallen bevoegd te verklaren tot handelen. De burgemeester kan echter op basis van deze bepaling niet naar willekeur openbare ordemaatregelen nemen. Er moet sprake zijn van een verstoring van de openbare orde of van ernstige vrees daarvoor en de bevelen moeten noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Voorts mogen de bevelen niet van wettelijke voorschriften afwijken en moeten ze proportioneel en subsidiair zijn (Kamerstukken I 1990/91, 19 403, nr. 64b, blz. 16/17).

De voorzieningenrechter verwijst allereerst naar de rechtsoverwegingen welke hij in zijn uitspraak van 16 januari 2014 (HAA 13/5169) heeft gewijd aan de rechtsgrondslag van het bevel tot afgifte en de inbeslagname met als doel het afnemen van een gedragstest. Deze zaak verschilt in zoverre met voornoemde nu met het thans aan verzoeker gegeven bevel afstand te doen van [hond] en daarop volgende inbeslagname wordt beoogd verzoeker [hond] definitief af te nemen. Dat verschil is als het gaat om de rechtsgrondslag -anders dan de gemachtigde van verzoeker lijkt te betogen- niet van belang. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook het onderhavige bevel aan verzoeker om afstand te doen van [hond] (en de daarop volgende inbeslagname) kan worden gebaseerd op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Aan het onmiddellijkheidsvereiste is voldaan nu verweerder het bevel heeft gegeven du moment dat bleek dat aan de inbeslagname op 23 mei 2014 door het OM een einde zou komen doordat deze rechtbank bij beschikking van 16 juni 2014 had bepaald dat [hond] aan verzoeker moest worden teruggegeven.

Aan het op 16 juni 2014 gegeven bevel om [hond] definitief af te staan, heeft verweerder niet alleen het bijtincident op 23 mei 2014 maar ook het incident van 20 maart 2014 (het opjagen en bijten van schapen) en het meermaals negeren van het aanlijn- en muilkorfgebod ten grondslag gelegd. Deze feiten en de daardoor in de woonomgeving ontstane onrust liggen niet alleen ten grondslag aan haar aldus begrepen standpunt dat er sprake is van verstoringen van de openbare orde, maar rechtvaardigen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook haar vrees dat in de toekomst nog meer (bijt)incidenten en daarmee verstoringen van de openbare orde zullen plaatsvinden. Anders dan gemachtigde van verzoeker heeft betoogd, staat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam vast dat [hond] de hond is geweest die op 20 maart schapen heeft opgejaagd en gebeten. Verzoeker heeft dit incident -zoals uit het vorenstaande blijkt- in een telefoongesprek aan Kuppens bevestigd. Ter zitting heeft verzoeker de betrokkenheid van [hond] bij dat incident wederom erkend. Verder bestaat er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen twijfel aan het feit dat [hond] de hond is geweest die de krantenbezorgster op 23 mei 2014 in de vroege ochtend in haar derriere heeft gebeten. Daartoe verwijst de voorzieningenrechter naar het proces-verbaal verhoor getuige[naam 3] van 23 juni 2014.

Resumerend is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat in het verleden sprake is geweest van verstoringen van de openbare orde als gevolg van bijtincidenten en dat er gegronde vrees bestaat voor herhaling daarvan, waardoor het belang van verzoeker bij het kunnen houden van [hond] dient te wijken voor het algemeen belang bij het bevel tot afgifte van [hond], de inbeslagname en de herplaatsing van [hond]. Gelet op de eerdere incidenten met [hond], het feit dat bij een eerder incident een kind was betrokken en verzoeker kennelijk in een kinderrijke buurt woonde, bestaat er vooralsnog geen grond voor het oordeel dat dit standpunt van verweerder onjuist is.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.