Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8262

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
15/073045-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor niet voldoen aan ambtelijk bevel (art. 184 WvSr) (noodbevel). Vrijspraak t.a.v. niet voldoen aan identificatieplicht. Actievoerders hogefluxreactor Petten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/073045-14

Uitspraakdatum: 28 augustus 2014

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 juni 2014 en 14 augustus 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op onbekend te onbekend,

zonder bekende vaste woon- en/of verblijfplaats in Nederland.

De politierechter heeft de zaak naar de meervoudige kamer verwezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. H. Leepel en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. H.M. Feenstra, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

onder feit 1:

zij op of omstreeks 25 maart 2014 te Petten, gemeente Schagen, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens een noodbevel van de burgemeester van Schagen ex artikel 175 van de Gemeentewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan door inspecteur van politie [verbalisant 1], die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar

opzettelijk, nadat deze ambtenaar haar had bevolen, althans van haar had gevorderd zich te verwijderen van de nabijheid van de toegangspoort zuid van het ECN-terrein, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;

onder feit 2:

zij op of omstreeks 25 maart 2014 te Petten, gemeente Schagen en/of Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, niet (op eerste vordering) heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, haar opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht / het Wetboek van Strafvordering / het Wetboek van Strafrecht / de Overleveringswet / de Uitleveringswet / de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen / de Penitentiaire beginselenwet / de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden / de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen / de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Inleiding

De politie heeft op grond van een door de burgemeester uitgevaardigd noodbevel verdachte gesommeerd zich te verwijderen uit de omgeving van het ECN-terrein te Petten. Verdachte heeft hieraan geen gehoor gegeven en weigerde aan de politie haar identiteit prijs te geven.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel en het niet voldoen aan de identificatieplicht.

3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat voor beide ten laste gelegde feiten het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat vrijspraak dient te volgen.

Met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering van de politie niet krachtens wettelijk voorschrift is gedaan, zodat dit bestanddeel niet kan worden bewezen. Het door de burgemeester uitgevaardigde noodbevel op grond waarvan de politie de vordering aan verdachte deed, is niet rechtmatig gegeven. Het noodbevel mag slechts in uitzonderlijke situaties worden ingezet. Hiervan is sprake bij situaties van oproer, wanordelijkheden, rampen, zware ongevallen dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake, aangezien het noodbevel louter is uitgevaardigd op grond van de summiere informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst dat een excursie van de Nuclear Industry Summit naar de hogefluxreactor in Petten mogelijk door een groep actievoerders zou worden verstoord. De burgemeester had minder verstrekkende maatregelen kunnen aanwenden om ongeregeldheden tegen te gaan, zodat – zo begrijpt de rechtbank – niet voldaan is aan het vereiste van subsidiariteit. Voorts is de vordering van de politie niet krachtens wettelijk voorschrift gedaan vanwege het feit dat verdachte het noodbevel niet heeft overtreden. De ratio van het noodbevel was volgens de burgemeester daarin gelegen dat de deelnemers aan de excursie ongehinderd de onderzoekslocatie in Petten zouden kunnen bezoeken. De excursie heeft kennelijk onverstoord doorgang kunnen vinden. Uit het procesdossier blijkt immers niet dat er zich een confrontatie tussen de actievoerders en de deelnemers aan de excursie heeft voorgedaan. Uit het procesdossier blijkt evenmin dat de actievoerders op enigerlei wijze kenbaar hebben gemaakt dat zij van plan waren de excursie te verstoren. Er werd vreedzaam betoogd. De politie heeft daarom ten onrechte van verdachte gevorderd zich van de locatie te verwijderen, aldus steeds de raadsvrouw.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw betoogd dat de burger slechts verplicht is een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, indien hij daartoe daadwerkelijk is gevorderd. Nu daarvan uit de zich in het procesdossier bevindende bewijsmiddelen niet blijkt, dient verdachte te worden vrijgesproken.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde op grond van het volgende.

Op 24 maart 2014 kwam bij de burgemeester van de gemeente Schagen een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) binnen, waarin werd gesteld dat actievoerders van plan waren om op 25 maart 2014 een in het kader van de Nuclear Industry Summit 2014 georganiseerde excursie naar de hogefluxreactor in Petten te verstoren. De actie zou zijn gericht tegen de deelnemers aan voornoemde excursie.2 Op grond van dit ambtsbericht heeft de burgemeester van Schagen een noodbevel krachtens art. 175 Gemeentewet uitgevaardigd, welke werking en rechtskracht had op 25 maart 2014. Dit noodbevel houdt voor zover hier relevant in: “De burgemeester van de gemeente Schagen beveelt: dat de excursie ongehinderd doorgang moet kunnen vinden en in geen enkele vorm mag worden gehinderd, verstoord of anderszins mag worden beïnvloed; dat al degenen die kennelijk door gedrag, kleding, uitrusting of anderszins kenbaar maken en voor, tijdens of na het tijdstip waarop de excursie plaats zal vinden, zich in of nabij Petten, gemeente Schagen bevinden, op één of andere wijze de orde verstoren of dreigen te verstoren, dan wel geen gehoor geven aan het bevel dergelijke gedragingen te staken dan wel niet uit te oefenen, zijn verplicht om zich op eerste aanzegging van de politie te verwijderen en verwijderd te houden uit de nabijheid van Petten en uit een straal van 10 kilometer rondom Petten.” Voorts is vermeld dat de politie is belast met het toezicht op de naleving van het bevel.3

Op 25 maart 2014 bevond [verbalisant 1], inspecteur van politie, zich ter hoogte van de inrit van de ingang van het ECN-terrein te Petten. Op een bepaald moment zag [verbalisant 1] dat een groep van vijftien tot twintig personen naar het terrein kwam rennen. Deze personen hadden ligmatjes bij zich, droegen spandoeken met anti-kernenergieleuzen en riepen soortgelijke teksten. [Verbalisant 1] heeft aan de woordvoerder van de groep aangegeven dat de groep op grond van het noodbevel gevorderd werd zich te verwijderen. [Verbalisant 1] zag dat de woordvoerder daarop met luide stem het noodbevel aan de groep heeft voorgelezen en aan de groep heeft aangegeven dat zij gevorderd waren zich te verwijderen. Vervolgens zag [verbalisant 1] dat er nog tien tot vijftien personen kwamen aangelopen. [Verbalisant 1] heeft aan de woordvoerder verteld dat het noodbevel ook ten aanzien van deze mensen gold. De woordvoerder kreeg vijf minuten tijd om met de groep demonstranten te overleggen over het al dan niet gehoor geven aan het noodbevel.4 De demonstranten die zich niet verwijderd hadden, bleven leuzen roepen en gingen door met demonstreren.5 De groep mensen die niet voldeed aan de vordering zich te verwijderen, werd aangehouden.6 Onder deze groep mensen bevond zich verdachte.7

3.5.

Bewijsoverweging

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde en overweegt daartoe als volgt.

Van een krachtens wettelijk voorschrift gedane vordering of bevel als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als de vordering of het bevel rechtmatig is gegeven krachtens een verbindend wettelijk voorschrift. Daartoe is vereist dat het betreffende voorschrift uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van het bevel of het doen van de vordering.

De vordering in de onderhavige zaak is gedaan krachtens het noodbevel op grond van artikel 175, eerste lid van de Gemeentewet. Op grond van deze wettelijke bepaling is de burgemeester in geval van een ernstige verstoring van de openbare orde of de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bevoegd de bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Artikel 175, eerste lid van de Gemeentewet bevat een ingrijpende openbare ordemaatregel die vanwege het ad hoc karakter principieel moet worden onderscheiden van de reguliere ordebevoegdheden. Het is een bevoegdheid bedoeld om een actueel en concreet gevaar voor de openbare orde direct te beteugelen. Gelet op het discretionaire karakter van deze bevoegdheid, dient de rechtbank slechts marginaal te toetsen of de burgemeester in redelijkheid tot het uitvaardigen van het noodbevel heeft kunnen komen.

Daartoe neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de burgemeester slechts bij uiterste noodzaak gebruik mag maken van zijn bevoegdheid om noodbevelen te geven en dat hij daarbij de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht dient te nemen, hetgeen inhoudt dat voor het geven van het noodbevel geen plaats is indien andere, minder verregaande, maatregelen getroffen kunnen worden.

Op het moment van het uitvaardigen van het noodbevel was sprake van de volgende feiten en omstandigheden:

Nederland was op 24 en 25 maart 2014 gastland van de Nuclear Security Summit 2014 (NSS) en de samen met de NSS georganiseerde Nuclear Industry Summit (NIS). De NSS is een internationale top van regeringsleiders om nucleair terrorisme te voorkomen en de op 24 en 25 maart 2014 te houden top betrof de grootste top die ooit in Nederland was gehouden, waarbij er veiligheidsmaatregelen van ongekende omvang werden ingezet. Tegen deze achtergrond ontving de burgemeester van Schagen op 24 maart 2014 het AIVD-bericht dat er de volgende dag een actie zou plaatsvinden, die zou zijn gericht tegen de deelnemers aan de excursie van de NIS aan de hogefluxreactor in Petten. De actievoerders hadden de (protest)actie kennelijk niet vooraf op grond van de Wet Openbare Manifestaties bij de gemeente Schagen gemeld, zodat de aard en omvang van de eventuele actie niet bekend was. Nu de actie die volgende dag al zou plaats vinden, diende een besluit van de burgemeester met grote spoed te worden genomen.

Gezien voornoemde uitzonderlijke omstandigheden, heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot het uitvaardigen van het noodbevel kunnen beslissen en bij het nemen van zijn beslissing tot het uitvaardigen van een noodbevel voldaan aan voornoemde vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het gegeven dat er achteraf in de gemeenteraad een discussie is gevoerd over het noodbevel en door de burgemeester op dat moment kennelijk (ook) andere argumenten voor het uitvaardigen van het noodbevel zijn genoemd, doet aan dit oordeel niet af.

De rechtbank overweeg voorts dat de politie bij de beoordeling van de situatie ter plaatse, te weten of er sprake was van een (dreigende) verstoring van de openbare orde, tevens een ruime beoordelingsbevoegdheid toekomt. Een marginale toets is daarom op zijn plaats bij de beantwoording van de vraag of de politie zijn vorderingsbevoegdheid ten aanzien van verdachte op rechtmatige wijze heeft aangewend.

Bij beantwoording van deze vraag neemt de rechtbank in aanmerking dat de manifestatie kennelijk niet vooraf bij de gemeente Schagen was gemeld, zodat de gemeente niet in staat was gesteld deze manifestatie te reguleren. De rechtbank overweegt dat aldus van de aanwezigheid van actievoerders nabij de excursielocatie van de NIS-top, zijnde het ECN-terrein te Petten, reeds enige dreiging van een verstoring van de openbare orde uitging. Dit werd versterkt door de uiterlijke kenmerken en gedragingen van de actievoerders. Zij kwamen aanrennen, schreeuwden anti-kernenergieleuzen en droegen spandoeken en matjes bij zich. Verder was de omvang van de groep actievoerders onduidelijk en sloot zich na enige tijd bij de groep nog een groep actievoerders aan, waardoor de manifestatie te meer een ongrijpbaar karakter kreeg. Onder deze omstandigheden heeft de politie in redelijkheid kunnen oordelen dat de groep actievoerders, die op 25 maart 2014 bij het ECN-terrein waren, de openbare orde verstoorden. De vordering door de politie van de verdachte zich van het de nabijheid van het ECN-terrein te verwijderen is om die reden naar het oordeel van de rechtbank rechtmatig gedaan.

3.6.

Vrijspraak feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte wordt verweten dat zij nadat zij was aangehouden niet (op eerste vordering) heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs te tonen, hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Uit artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht volgt dat deze verplichting geldt na een daartoe strekkende vordering van een opsporingsambtenaar. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, maakt artikel 27a juncto artikel 55c van het Wetboek van Strafvordering niet, dat geen voorafgaande vordering nodig is. Uit de stukken van het strafdossier, waaronder het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, volgt alleen dat verdachte zich niet kon identificeren en weigerde persoonsgegevens op te geven. Nu uit de stukken niet blijkt dat bij die gelegenheid of op een later moment aan verdachte een vordering is gedaan om een identiteitsbewijs te tonen, dient verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

3.7.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1

zij op 25 maart 2014 te Petten, gemeente Schagen, opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens een noodbevel van de burgemeester van Schagen ex artikel 175 van de Gemeentewet gedaan door inspecteur van politie [verbalisant 1], die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar van haar had gevorderd zich te verwijderen van de nabijheid van de toegangspoort zuid van het ECN-terrein, geen gevolg gegeven aan die vordering;

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van een bedrag van € 200,- subsidiair 4 dagen hechtenis.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft geen gehoor gegeven aan een op grond van een noodbevel gedane vordering van een ambtenaar van de politie om zich te verwijderen. Verdachte heeft hierdoor bijgedragen aan verstoring van de openbare orde. Een dergelijke gedraging belemmert de politie in haar taakvervulling.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit aan verdachte een geldboete moet worden opgelegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

23, 24c, 184 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.7. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van € 200,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. M.L.M. van der Voet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Wagenaar,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 augustus 2014.

mr. M.L.M. van der Voet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties d.d. 24 maart 2014 (ter terechtzitting overgelegd en los opgenomen in het procesdossier).

3 Noodbevel Gemeente Schagen d.d. 25 maart 2014 (blad 1).

4 Proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 1] opgesteld d.d. 25 maart 2014 (blad 1-3).

5 Proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 2] opgesteld d.d. 25 maart 2014 (blad 1 en 2).

6 Proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 1] opgesteld d.d. 25 maart 2014 (blad 1-3).

7 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 25 maart 2014 (blad 1).