Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8166

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
AWB-14_549
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. In geschil is of de uitnodiging tot betaling terecht is uitgereikt. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel faalt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-10-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 14/549

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2014 in de zaak tussen

[X]B.V., gevestigd te[Z], eiseres

(gemachtigde: mr. E.J. van den Brink),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 september 2013 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor een bedrag van € 22.984,86 aan douanerechten.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de utb gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stuken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2014 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen [A], bijgestaan door gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. R.F. van ‘t Loo.

Overwegingen

Feiten

1.

Eiseres drijft een groothandel in consumentenartikelen. Het goederenassortiment bestaat uit onder meer tassen, koffers en diverse winterartikelen, die voornamelijk worden ingevoerd vanuit China en Italië.

2.

In 2010 zijn door eiseres 29 aangiften voor het brengen in het vrije verkeer gedaan. De aangiften zijn door douane-expediteur [B] te Rotterdam gedaan met toepassing van de regeling van directe vertegenwoordiging.

3.

In 2013 heeft verweerder over het jaar 2010 een controle na de invoer bij eiseres ingesteld. In het controlerapport van 22 augustus 2013 staat onder andere het volgende vermeld:

“Bij de goederen die zijn aangegeven onder nummer 12 met tariccode 4202129190 en die op de facturen onder andere zijn omschreven als PU-bags, hardscale trolleys, polyester trolleys en shoppers is gebleken dat de aangegeven indeling in de gecombineerde nomenclatuur onjuist is.

(…)

Voor de trolleys geldt dat er 3 soorten te onderscheiden zijn. Trolleys met een buitenzijde van polyesterweefsel, trolleys met een buitenzijde van polycarbon en trolleys met een buitenzijde van ABS. De trolleys gemaakt van polycarbon en ABS zijn van zogeheten gevormde kunststof, dit geldt niet voor die van polyesterweefsel.

Deze trolleys van gevormde kunststof dienen te worden ingedeeld onder tariccode 4202125000 met een tarief voor douanerecht van 5,2%.

De trolleys van polyesterweefsel dienen te worden ingedeeld onder tariccode 4202129190 met een tarief voor douanerecht van 3,7%.

(…)

Daarnaast zijn er tassen aangegeven voor het brengen in het vrije verkeer. Dit betreffen zogeheten retrotassen voornamelijk sporttassen, reis- of schoudertassen en toilettassen voor divers gebruik op de facturen omschreven als PU-bags. Bij tassen is datgene wat aan de buitenzijde van de tas met het blote oog zichtbaar is leidend voor de indeling in de gecombineerde nomenclatuur. Het betroffen in alle gevallen tassen gemaakt van PU-rubber. Dit PU-rubber betrof kunststof in vellen, de drager waarop dit is aangebracht doet voor de indeling van de tassen niet ter zake.

(…)

Uit de voornoemde monsteronderzoeken en analyseresultaten volgde het onderstaande indelingsadvies. Alle bevonden tassen dienen te worden ingedeeld onder tariccode 4202921900 met een tarief voor douanerecht van 9,7%. Voor de toilettassen geldt dat deze dienen te worden ingedeeld onder tariccode 4202921100 met een douanetarief voor douanerecht van 9,7%.

(…).”

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de utb uitgereikt die ziet op de 20 aangiften die vanaf 6 september 2010 zijn aanvaard.

Geschil
1. In geschil is of de utb terecht is opgelegd.

2.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat niet tot boeking achteraf kan worden overgegaan omdat de rechten niet zijn geboekt als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten. Eiseres voert daarvoor aan dat de douane bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat de gebruikte goederencodes juist zijn omdat er in 2012 en 2013 een aantal fysieke controles heeft plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat de gehanteerde goederencodes juist zijn. Subsidiair stelt eiseres dat sprake is van een passieve vergissing omdat verweerder gedurende een langere periode met een groot aantal invoertransacties geen bezwaar heeft gemaakt tegen de tariefindeling terwijl bij een vergelijking van de aangegeven tariefpost met de omschrijving van de goederen volgens de specificaties van de nomenclatuur had moeten blijken dat de opgegeven tariefpost niet juist was. Eiseres heeft de vergissing redelijkerwijs niet kunnen ontdekken, zij heeft te goeder trouw gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen voldaan. Tot slot stelt eiseres dat zij zich bij het doen van aangifte heeft laten bijstaan door een erkende douane-expediteur, waardoor zij thans ten onrechte wordt geconfronteerd met een navordering.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb.

3.

Verweerder stelt dat niet aan de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) is voldaan. De fysieke controles waarnaar eiseres verwijst zijn van een latere datum dan de onderhavige aangiften, er kan met die controles derhalve geen vertrouwen bij eiseres zijn gewekt. De aangiften in kwestie zijn administratief afgedaan, evenmin zijn bij de aangiften bescheiden overgelegd aan de hand waarvan de douane de goederen had kunnen indelen in de nomenclatuur. Van een vereiste actieve gedraging van de kant van de douane ten aanzien van de aangiften in 2010 is geen sprake, zodat eiseres daaraan geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

1.

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) beoogt artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW de bescherming van gewettigd vertrouwen van de douaneschuldenaar (in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot boeking achteraf van douanerechten over te gaan). Op grond van deze bepaling wordt niet overgegaan tot boeking achteraf van douanerechten indien de volgende cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: het niet heffen van de rechten is te wijten aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf; de vergissing is van dien aard dat zij redelijkerwijze niet kon worden ontdekt; de douaneschuldenaar is te goeder trouw en de douaneschuldenaar heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte voldaan.

2.

Op eiseres rust de bewijslast haar stelling aannemelijk te maken dat de voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel zijn vervuld. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aan haar bewijslast heeft voldaan.

3.

De verwijzing van eiseres naar de controleresultaten van fysieke controles van aangiften uit 2012 en 2013 kan haar reeds niet baten nu deze controles in een latere periode zijn verricht dan die waarin de litigieuze aangiften zijn gedaan. Bij het ontbreken van gegevens hierover kan bovendien, voor zover nog van belang, niet worden vastgesteld of sprake is van een vergissing. Dat sprake zou zijn van dezelfde goederen is gelet op de in de uitspraak op bezwaar geciteerde tekst van een e-mail van de controlerend ambtenaar de heer [C], die, zo begrijpt de rechtbank, betrekking zou hebben op één van de fysieke controles waarop eiseres zich beroept, in elk geval niet aannemelijk geworden.

4.

Eiseres meent evenwel dat zich naast voornoemde fysieke controles nog een tweede actieve gedraging heeft voorgedaan, omdat verweerder al jarenlang een groot aantal aangiften met dezelfde goederencode als vermeld in de onderhavige aangiften heeft aanvaard terwijl de douaneaangiften alle voor de toepassing van de regeling vereiste feitelijke gegevens bevatten en verweerder dus had kunnen constateren dat bij de aangiften een onjuiste goederencode was vermeld.

5.

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 1 april 1993 met nummer C-250/91 (Hewlett Packard France) onder meer het volgende overwogen:

“(…)

19

Wat de omstandigheid betreft dat de bevoegde autoriteiten geen bezwaar hebben gemaakt tegen de tariefindeling van de goederen door de belastingschuldige in zijn douaneaangifte, volgt uit het arrest Foto-Frost (reeds aangehaald, r.o. 24) [22 oktober 1987, C-341/85], dat er in een dergelijk geval sprake is van een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten indien de douaneaangifte van de belastingschuldige alle voor de toepassing van de betrokken regeling vereiste feitelijke gegevens bevatte, zodat een latere controle waartoe de bevoegde instanties eventueel zouden overgaan, geen nieuwe gegevens aan het licht kan brengen.

20

Dit is met name het geval, wanneer alle door de belastingschuldige ingediende douaneaangiften volledig waren in die zin, dat zij met name, naast de aangegeven tariefpost, de beschrijving van de goederen volgens de specificaties van de nomenclatuur bevatten, en wanneer gedurende een betrekkelijk lange periode een groter aantal importen heeft plaatsgevonden, zonder dat er met betrekking tot de tariefpost ooit bezwaar is gemaakt.

(…)”

6.

De rechtbank stelt vast dat eiseres, op wie in dezen de bewijslast rust, geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de aangiftebescheiden een beschrijving van de goederen volgens de specificaties van de nomenclatuur bevatten. Niet in geschil is dat de douane de litigieuze aangiften heeft afgedaan zonder enige controle. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat bij de aangiften geen bescheiden zijn overgelegd op basis waarvan de douane bij een eventuele controle had kunnen vaststellen dat de goederencode onjuist was. Voorts wijst de rechtbank er op dat eiseres erkent dat de in de aangiften gehanteerde goederencode niet juist is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het accepteren van de onjuiste goederencode in de aangiften door de douane geen actieve gedraging oplevert. Bij deze stand van zaken behoeven de overige voorwaarden als besproken onder 2 geen bespreking.

7.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten op grond waarvan eiseres het gewettigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij bij de onderhavige aangiften de juiste goederencode heeft vermeld. Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW zodat verweerder terecht tot een boeking achteraf is overgegaan.

8.

Dat eiseres zich bij het doen van aangiften heeft laten bijstaan door een erkende douane-expediteur maakt dit niet anders. Verrichtingen van een douane-expediteur in opdracht van eiseres betreffen de relatie tussen partijen en kunnen de douane niet binden. Eventuele daaruit voortvloeiende schade komt voor rekening en risico van eiseres.

9.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.A. Onderwater, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A. van Dongen, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.