Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:8081

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
C-15-203513 - HA ZA 13-263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Gemeente Haarlem (de Gemeente) heeft na een openbare aanbesteding opdracht gegeven aan Schelvis Infra (Schelvis) voor de uitvoering van het werk “Waterverbinding Meerwijk Centrum”. De Gemeente heeft de werkzaamheden geschorst omdat Schelvis nog niet beschikte over de op grond van de bouwvergunning vereiste verklaring van geen bezwaar ten aanzien van de constructietekeningen en berekeningen. Op grond van artikel 34 lid 4 UAV 1989 vordert Schelvis Infra de hieruit voorvloeiende extra kosten, waarmee - Schelvis Infra stelt - in de berekening van de aanneemsom en de planning geen rekening behoefde te houden. De rechtbank gaat hier niet in mee omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een bestekwijziging. Schelvis Infra vordert daarnaast extra kosten bestaande uit stagnatieschade door vertraging van de werkzaamheden van de nutsbedrijven, meerwerk en de overschrijding van bestekhoeveelheden. De vorderingen die zien op de stagnatieschade worden deels toewijsbaar geacht. De gevorderde vermeerdering met staartkosten (opslag voor algemene kosten, winst en risico) wordt afgewezen nu geen sprake is van meerwerk als bedoeld in paragraaf 35 UAV 1989 maar van vergoeding van stagnatieschade, waarover in beginsel geen staartkosten worden berekend. De vordering betreffende meerwerk/overschrijding van bestekhoeveelheden wordt afgewezen omdat Schelvis in dit kader niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Aan de gevorderde tevredenheidsverklaring heeft Schelvis ten grondslag gelegd dat de weigering om deze te verstrekken in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nu er geen discussie bestaat over de deugdelijke uitvoering van de werkzaamheden maar enkel omtrent de afrekening daarvan. Dit wordt door de Gemeente onvoldoende gemotiveerd betwist. De vordering tot afgifte van de tevredenheidsverklaring wordt toegewezen nu onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit kan volgen dat Schelvis tekort is geschoten in de uitvoering van het werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/203513 / HA ZA 13-263

Vonnis van 20 augustus 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHELVIS INFRA B.V.,

gevestigd te Heemstede,

eiseres,

advocaat mr. R.A.M. Schram,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HAARLEM,

zetelend te Haarlem,

gedaagde,

advocaat mr. A. Paternotte.

Partijen zullen hierna Schelvis Infra en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 september 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 april 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Na een openbare aanbesteding heeft de Gemeente Schelvis Infra op 20 mei 2010 opdracht gegeven voor de uitvoering van het werk “Waterverbinding Meerwijk Centrum” (hierna: het werk) voor een bedrag van € 934.000,00. De werkzaamheden zagen op het realiseren van een betonnen waterverbinding tussen Meerwijk Centrum en de Amerikavaart met bijkomende werken. Op het werk zijn de Uniforme Aannemingsvoorwaarden 1989 (hierna: UAV 1989) van toepassing.

2.2.

Krachtens het bestek (PAR 1.05) was de planning van het werk aanvankelijk als volgt:

- Uitgangspunt schriftelijke gunning is maandag 5 april 2010;

(...)

- De uitvoerende werkzaamheden starten in augustus 2010 (na de bouwvakantie).

- Het werk opleveren op 15 december 2010.

2.3.

In het bestek is in hoofdstuk 2.1 (algemene gegevens) onder PAR 10 voorts het volgende vermeld:

Vergunningen en meldingen

Door of vanwege de opdrachtgever zijn de volgende vergunningen, toestemmingen, meldingen, etc. verzorgd:

  • -

    toestemmingen lozing bemalingswater op gemeentelijk riool;

  • -

    ontheffing van de keur;

  • -

    bouwvergunning.

De bovenvermelde vergunningen worden aan de aannemer ter hand gesteld.

De aannemer dient zich strikt aan de bepalingen en voorschriften in deze vergunningen c.q. toestemmingen te houden.

2.4.

Op 14 juni 2010 heeft een kick-off meeting plaatsgevonden waarbij de belangrijkste betrokkenen bij het project van de zijde van Schelvis Infra en de Gemeente met elkaar kennis hebben gemaakt. Tijdens de kick-off meeting is de opleverdatum, in verband met de uitgestelde gunning (20 mei 2010 in plaats van 5 april 2010), bijgesteld van 15 december 2010 naar 31 januari 2011. Daarnaast is Schelvis Infra een kopie van de bouwvergunning van 19 november 2009 ter hand gesteld.

2.5.

In de bouwvergunning is op pagina 2 de volgende voorwaarde opgenomen:

VOORWAARDE

Met de uitvoering van werkzaamheden waar constructietekeningen en/of berekeningen aan ten grondslag liggen, mag niet worden begonnen voordat de medewerker constructie van bureau Planbegeleiding, afdeling Omgevingsvergunning heeft verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. De vergunninghouder dient hiertoe ten minste drie weken voor de aanvang van de desbetreffende constructiewerkzaamheden berekeningen en tekeningen in drievoud aan te leveren bij de medewerker constructie.

2.6.

Na ontvangen goedkeuring van de Directievoering & Toezicht op de concept berekeningen en tekeningen conform het bestek en de nota van inlichtingen heeft Schelvis Infra bij e-mailbericht van 22 september 2010 aan de Gemeente aangegeven dat zij de week daarna zou beginnen met de heiwerkzaamheden.

2.7.

Op 28 september 2010 is Schelvis Infra door de Gemeente gewezen op bovenvermelde voorwaarde in de bouwvergunning, inhoudende dat Schelvis Infra niet zou mogen starten met de constructieve werkzaamheden zonder verklaring van geen bezwaar op de constructieve tekeningen en berekeningen van de medewerker constructie van bureau Planbegeleiding, afdeling Omgevingsvergunning (hierna: medewerker constructie).

2.8.

Op 1 oktober 2010 zijn de berekeningen en constructietekeningen door Schelvis Infra ter goedkeuring aangeleverd bij de medewerker constructie.

2.9.

Bij brief van 4 oktober 2010 heeft de Gemeente er (nogmaals) op gewezen dat Schelvis Infra zonder de benodigde verklaring van geen bezwaar niet mocht starten met de constructieve werkzaamheden. Daarnaast is in deze brief de opleverdatum formeel veranderd in maandag 24 januari 2011.

2.10.

De Gemeente heeft bij brief van 5 oktober 2010 dat deel van het werk dat ziet op de constructieve werkzaamheden op grond van paragraaf 14 lid 1 UAV 1989 geschorst tot het moment waarop de benodigde verklaring van geen bezwaar zou zijn verleend. Daarbij heeft de Gemeente aangegeven bij de vergunningverlener te zullen aandringen op spoedige besluitvorming op de aangeleverde constructietekeningen en berekeningen.

2.11.

Op 6 oktober 2010 heeft Schelvis Infra in verband met deze schorsing de heistelling van de door haar ingeschakelde onderaannemer Van ’t Hek (hierna: Van ’t Hek) van het werk laten verwijderen.

2.12.

De medewerker constructie heeft op 7 oktober 2010 in de ochtend aan de Gemeente aangegeven geen opmerkingen te hebben op de door Schelvis Infra aangeleverde constructietekeningen en berekeningen. Bij e-mailbericht van 12 oktober 2010 heeft de Gemeente dit akkoord aan Schelvis Infra doorgegeven en de schorsing van het werk opgeheven.

2.13.

Na opheffing van de schorsing konden de heiwerkzaamheden op 27 oktober 2010 weer van start gaan. Vanaf die datum was de heistelling van Van ’t Hek (pas) weer beschikbaar.

2.14.

Schelvis Infra heeft bij kostenopstellingen van 27 oktober en 1 november 2010 inzichtelijk gemaakt wat volgens haar de kosten waren als gevolg van de schorsing van het werk in afwachting van de verklaring van geen bezwaar van de medewerker constructie. Deze kosten komen volgens Schelvis Infra neer op een totaalbedrag van € 33.025,95.

2.15.

Op grond van het bestek was Schelvis Infra gedeeltelijk belast met de coördinatie van de werkzaamheden van derden, te weten de nutsbedrijven PWN, KPN en UPC. In artikel 01 11 01 van het bestek is hierover het volgende bepaald:

In verband met het bepaalde in paragraaf 31 lid 1 van de U.A.V. 1989 wordt de aannemer erop gewezen dat door de navolgende nutsbedrijven en interne gemeentelijke diensten werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd:

- KPN Telecom

- UPC

Door PWN worden zinkers aangebracht hij de kruising met duikers, de aannemer coördineert de werkzaamheden:

- PWN levert geprefabriceerde zinker

- aannemer ontgraven voor zinker

- een dag (8 uur) per zinker (totaal 3 stuks) reserveren om deze te plaatsen

- aannemer legt de zinker in het vrijgegraven gedeelte

(…)

Inlichtingen over deze werkzaamheden worden verstrekt tijdens de door de directie

te organiseren bouwvergaderingen.

De gemeente diende daarnaast eveneens een aantal coördinatiewerkzaamheden ten aanzien van de verschillende nutsbedrijven uit te voeren.

2.16.

De werkzaamheden van de nutsbedrijven bleken meer te omvatten dan voorzien in het bestek. Daarnaast bleken een aantal werkzaamheden betreffende kabels en leidingen op het tracé waar Schelvis Infra haar werkzaamheden diende uit te voeren nog niet te zijn geregeld/uitgevoerd door de gemeente voor aanvang van de werkzaamheden van Schelvis Infra.

2.17.

Over de (uitloop van de) werkzaamheden van de nutsbedrijven wordt tussen september 2010 en februari 2010 door partijen veelvuldig gecommuniceerd blijkens de diverse bouwvergaderingen en e-mail- en briefwisselingen tussen partijen.

- e-mailbericht van 29 september 2010 van [A.] (Schelvis Infra) aan [B.] (de Gemeente):

Zojuist vergaderd met de nutsbedrijven, maar nu blijkt dat er geen 3 zinkers gelegd worden maar minimaal 6. Dit betekent voor mij dat terwijl de zinkers gemaakt worden ik alleen al op de Braillelaan 2 weken achterstand oploop. Ik mag namelijk geen andere werkzaamheden verrichten als het water en het gas aan het werk zijn.

(...)

Tevens staat er aan de Braillelaan een schakelkast van UPC die verplaatst dient te worden, dit zou voor 1 oktober gebeuren, voorlopig staat de kast er nog en kan ik niet heien. (...)

Verder heeft de gemeente geen opdracht gegeven om de leidingen thv het gezondheidscentrum om te leggen, mijn planning geeft aan om hier week 44 te starten met uitgraven.

Volgens Liander en het Gasbedrijf kan het tot 13 weken duren voordat deze leidingen omgeleid zijn.

Tevens ligt der naast de flat aan de Briandlaan een 50 KV stroomkabel, waarschijnlijk zal deze ook gezinkerd moeten worden. Ik neem in ieder geval contact op met Alliander..

Het is jammer dat er niemand van de gemeente bij dit gesprek aanwezig is geweest, de aannemer moet volgens bestek wel de boel coördineren, maar hoeft niet te regelen wat er moet gebeuren.

- notulen werkoverleg van 1 oktober 2010 (onder meer aanwezig [B.] van de zijde van de Gemeente en [A.] van de zijde van Schelvis Infra):

PWN

In bestek is opgenomen dat er twee zinkers geplaatst moeten worden in de Braillelaan. Dit blijken er uiteindelijk vier te zijn. Twee waterzinkers en twee gas- en elektra zinkers. PWN heeft aangegeven hiervoor 2 weken tijd nodig te hebben. Directie niet akkoord.

Tussen Briandlaan en de A. Ariënstraat moeten de gas- en elektraleidingen worden omgelegd. De verwachting van Liander is hiervoor 13 weken extra tijd nodig te hebben. [B.]: Klopt niet, Liander heeft tijdig opdracht ontvangen.

UPC

De UPC kast in de Braillelaan wordt volgende week, vóór 6 oktober a.s., verplaatst.

Liander

Er wordt een proefsleuf gegraven in de Braillelaan om te zoeken waar de 50KV stroomkabel ligt. Deze kabel moet waarschijnlijk ook omgelegd worden en hiervoor wordt een aparte zinken duiker geplaatst. [A.] maakt proefsleuven. Verwachting is dat dit ook 13 weken vertraging op gaat leveren. Wordt eventueel buiten het werk getild.

Actie [B.]: Contact opnemen met de Nutsbedrijven. De opdrachten aan de Nutsbedrijven zijn reeds in een vroeg stadium aan hen verstrekt.

- brief 12 oktober 2010 van de projectmanager namens de Gemeente aan de gemachtigde van Schelvis Infra:

De gemeente is een verantwoordelijk opdrachtgever, die nadrukkelijk kijkt naar eigen handelen of nalaten in de naleving van een contract met een aannemer. Indien en voor zover deze zelfanalyse tot de conclusie leidt dat moet worden erkend dat binnen de risicosfeer van de gemeente als opdrachtgever enige vertraging in de voortgang van het werk is ontstaan, die redelijkerwijs moet leiden tot een nieuwe opleverdatum, dan zal de gemeente deze nieuwe opleverdatum liefst in goed overleg met de opdrachtgever vast stellen, maar zal ook een aanpassing eigener beweging niet uit de weg gaan.

Daarom is de gemeente reeds in de brief van 4 oktober eigener beweging overgegaan tot bepaling van de opleverdatum op 24 januari 2011.

De gemeente meent op grond van een nadere zelfanalyse dat er aanleiding is om eigener beweging de formele opleverdatum wederom bij te stellen en deze ten opzichte van 24 januari 2011 met nog eens 11 weken te verlengen en deze formeel nader te bepalen op maandag 11 april 2011. In deze nieuwe contractuele opleverdatum is de aan de gemeente toe te rekenen vertraging van 3 werkdagen in verband met de opheffing van de schorsing verwerkt (…).

- verslag bouwvergadering van 10 december 2010:

Op 3 december jl. heeft [C.] telefonisch aan [B.] kenbaar gemaakt dat hij zijn zorgen uit over de stagnaties die optreden doordat de nutsbedrijven hun werkzaamheden niet uitvoeren.

Hedenmiddag vindt er een overleg plaats met [D.], [B.] en de manager van de afdeling Stedelijke Projecten om meer druk te kunnen uitvoeren op Liander, met name op dit project. De verwachting is dat er een brandbrief geschreven gaat worden richting management Liander.

Donderdag 9 december jl. heeft er weer een afstemmingsoverleg met de nutsbedrijven plaatsgevonden. Tijdens dit overleg bleek dat Liander intern met problemen worstelt. Dit geeft uiteraard voor dit project zijn belemmeringen. Het blijft moeilijk definitieve afspraken te maken.

Op dit moment liggen de problemen in het werkvak A. Ariënstraat – Briandlaan. Donderdag 9 december jl. heeft [E.] (Liander) aan [F.] de opdracht gegeven de werkzaamheden uit te voeren. Een definitieve datum is nog niet bekend. [B.] verzoekt [A.] zoveel mogelijk (op schrift) inhoudelijk inzichtelijk te maken wat de stagnaties (door Liander) zijn in tijd. Hiermee heeft de gemeente sterkere gronden om naar Liander te reclameren.

Afspraak: de volgende week wordt afgewacht of de werkzaamheden ook daadwerkelijk worden uitgevoerd door Liander ([F.]).

Worden de werkzaamheden niet uitgevoerd kan er een ander scenario in overweging genomen worden: het werkvak A. Ariënstraat – Briandlaan wordt uit het werk getild en in de bouwhekken gezet, zodat de focus op de andere drie werkvlakken ligt.

Probleem blijft echter de werkzaamheden aan de Braindlaan. De put moet worden gezet en de kabels, leidingen moeten worden omgelegd en gezinkerd. Planning was om dit in de eerste week na het kerstreces uit te voeren.

Volgende week wordt hierover en definitief besluit genomen hoe dit gepland wordt.

- e-mailbericht 16 december 2010 van [A.] (Schelvis Infra) aan [B.] (de Gemeente)

Na het kabeloverleg waaruit blijkt dat Liander het gaat redden, willen wij 3 januari weer beginnen.

Ik ga dan starten aan de Briandlaan met het uitgraven en plaatsen van de put. Het is zaak dat de BT kabel dan verlegd is, ook zal de 50 KV’er gezinkert moeten worden.

- notulen werkoverleg 17 december 2010:

Op dit moment lopen de werkzaamheden twee weken uit door de vertraging van de Nutsbedrijven. [A.] had gepland dat hij gereed zou zijn met:

  • -

    fase 4: houten damwand inclusief gording en hoeklijnen.

  • -

    put plaatsen in de Briandlaan.

- e-mailbericht 24 december 2010 van [B.] (de Gemeente) aan (onder meer) [A.] (Schelvis Infra):

(…) Ik had beloofd terug te komen op deel 4 van het werk (Alphons Ariënstraat – Briandlaan).

Ik heb met OG overlegd, deze geeft aan niet deel 4 niet uit het werk te willen tillen om op een later tijdstip te realiseren. Hij is van mening dat de opleverdatum van 15 april met zich brengt dat, onverlet de situ op deel 4 van het werk, productiviteit aanwezig zou kunnen zijn met tijdige leverantie van de betonelementen.

In dat geval gaan wij uit van “open weer” in de week van 3 januari waarbij de focus voor productie zou kunnen liggen op de andere delen van het werk anders dan deel 4. Echter zullen we verder geen beslissingen nemen op het gebied van uitvoeringsmethodiek. In de lijn der verwachting m.b.t. deel 4 van het werk zou Schelvis infra wel kunnen anticiperen door uitvoeringsmethoden kosten besparend in te zetten op andere delen van het werk waardoor additionele kosten tot een minimum beperkt zouden kunnen worden.

Vanaf 3 januari zal ik direct trachten Liander en diens aannemer in stelling te brengen voor de verlegging, zinkers etc.

- verslag bouwvergadering 7 januari 2011:

4. Stand van zaken werkzaamheden en planning

- In week 3 of 4 kan de 50 KV kabel worden afgekoppeld. [B.] heeft hiervoor schriftelijk opdracht verstrekt aan Liander. [B.] zal vandaag hierover met Liander contact opnemen.

(…)

- Eind van week 2 zou Liander klaar moeten zijn met de werkzaamheden.

- In week 4 onderlinge afstemming Schelvis en gemeente Haarlem wat de vertraging door Liander tot gevolg heeft; afkadering van financiën en tijd.

6. Afwijkingsformulieren

Meer- en minderwerk:

(…)

Stagnatiekosten door vertraging Liander; wordt in week 4 besproken.

- e-mailbericht 17 januari 2011 van [A.] (Schelvis Infra) aan [B.] (de Gemeente):

Omdat de fa. v Baarsen verzuimd heeft briefjes rond te sturen, staat de rupskraan met grondwerker vanaf nu stil. (12.00 uur)

Wie gaat dit betalen, er is immers ruim van te voren gemeld dat week 4 de weg open zou gaan, dit was geen probleem volgens [G.].

Om de schade te beperken wil ik een 7 tons kraantje huren zonder machinist en de mensen inzetten op fase 1.

Blijft wel de vraag wie voor de kosten opdraait, wij hebben aan onze verplichtingen voldaan.

Stel voor om deze kosten mee te nemen in de stagnatie door nutsen fase 4.

- verslag bouwvergadering 1 februari 2011:

Doel van het overleg: inzichtelijk maken wat de vertraging, veroorzaakt door de Nutsbedrijven en met name Liander, tot gevolg heeft in tijd (opleverdatum) en geld.

De gemeente erkent de vertraging opgelopen in de voortgang van de werkzaamheden en neemt hierin haar verantwoordelijkheid onder voorwaarde dat Schelvis infra stagnatie aannemelijk maakt.

Giacomo Landino geeft aan dat hij 3,5 week vertraging verwacht.

(…)

Er is inmiddels een kostenopgave door Schelvis aangeleverd inzake de opgelopen vertraging. Deze opgave zal [B.] deze week met Nuri Hagenouw doornemen en vóór vrijdag a.s. een beoordeling en motivering van de kostenopgave aan [H.] sturen. ( Actie [B.] )

[H.] zal vóór a.s. vrijdag (bouwvergadering) een herziene werk planning aanleveren met een onderbouwing waarin de vertraging van de werkzaamheden inzichtelijk worden gemaakt ( Actie [H.] ).

Discussie

Welke middelen zijn door Schelvis ingezet om kostenbesparend te werken (herplaatsen personeel, in een ander werkvak werkzaamheden verrichten) als de betonelementen van Romein zoals afgesproken in week 40 geleverd zouden zijn, t.o.v. het tijdspad die de nutsbedrijven als vertraging hebben opgeleverd. [B.] zou dit inzichtelijk gemaakt willen zien door Schelvis. ( Actie Schelvis ).

2.18.

Op de door Schelvis Infra bij de Gemeente ingediende opstellingen van de kosten van 31 januari en 14 februari 2011 in verband met de (uitloop van de) werkzaamheden van de nutsbedrijven heeft de Gemeente bij e-mailberichten van 3 en 4 februari 2011 en bij brief van 18 februari 2011 gereageerd. Daarbij heeft de Gemeente ten aanzien van een deel van de opgevoerde kosten aangegeven dat deze inderdaad voor haar rekening kwamen. De Gemeente heeft aangegeven dat € 17.735,00 van de in totaal € 56.902,29 ingediende stagnatieschade voor vergoeding in aanmerking komt.

2.19.

Bij een brief van (eveneens) 18 februari 2011 heeft de Gemeente Schelvis Infra voor zover relevant het volgende bericht ten aanzien van (onder meer) de stagnatie door de nutsbedrijven en de contractuele opleverdatum:

(…) Alvorens nader in te gaan op deze onderwerpen, wil de gemeente nadrukkelijk waardering uitbrengen voor de kwaliteit van het tot nu toe onder verantwoordelijkheid van uw uitvoerder [A.] geleverde werk.

(…)

Ad 2. De Stagnatie door de nutsbedrijven

De gemeente neemt het standpunt in, dat de nutsbedrijven door de vertraagde uitvoering van hun werkzaamheden op onderdelen voor u stagnatie hebben veroorzaakt, die niet voor uw rekening en risico komt. Echter, de gemeente meent dat:

  • -

    de vertraagde werkzaamheden van de nutsbedrijven in redelijkheid geen onafwendbare tijdsimpact behoeven te hebben op uw mogelijkheid om het werk tijdig op te leveren, omdat u de beperkte vertraging die is ontstaan zonder bezwaar kunt inlopen tijdens de resterende maanden van het werk. De Gemeente wijst u er op dat dit ook het geval is (geweest) met de tijdsimpact door de vertraging vanwege de CUR-100 perikelen, welke problematiek geheel en al voor uw risico komt;

  • -

    de door u geclaimde extra kosten vanwege de stagnatie voor een deel wel door de gemeente worden erkend en voor een deel niet. U heeft nadat de UAV-directie per mails van 3 en 4 februari 2011 commentaar heeft geleverd op een eerdere versie van door u ingediende stagnatiekosten (die u overigens ten onrechte heeft ingediend in het format van een meerwerkmelding maar dit terzijde) op 14 februari 2011 aan de gemeente doen toekomen 6 afzonderlijke kostenclaims inzake de stagnatie Nuts, die in totaal neerkomen op € 56.902,29.

De gemeente heeft bij separate brief van heden een standpunt ingenomen over ieder van deze 5 claims, naar welke brief ik u verwijs.

(…)

De gemeente neemt dan ook heden het standpunt in, dat er geen aanleiding bestaat om de contractuele opleverdatum te veranderen zodat deze blijft staan op 15 april 2011.

(…)

Ad 5. De mogelijke toepassing van de kortingsregeling ex paragraaf 42, lid 2, van de UAV 1989

Lid 1 van artikel 42 UAV 1989 geeft aan de opdrachtgever de bevoegdheid bij te late oplevering van het werk deze korting per dag op te leggen.

(…)

De gemeente is bereid als coulancegebaar en als incentive om het werk goed op te leveren, reeds nu voorwaardelijk geen toepassing te geven aan de boetebevoegdheid over de periode 16-29 april 2011, indien u de gemeente doet weten de feitelijke oplevering niet voor of uiterlijk 15 april 2011 te kunnen doen, maar wel op een datum uiterlijk op 29 april 2011, mits bij opneming van het werk de oplevering wordt goedgekeurd.

2.20.

Het werk is uiteindelijk op 28 april 2011 opgeleverd.

2.21.

Schelvis Infra heeft de Gemeente op 28 februari 2012 een factuur van € 43.977,91 (excl. BTW) gestuurd aangaande de kosten als gevolg van de vertraagde werkzaamheden van de nutsbedrijven.

3 Het geschil

3.1.

Schelvis Infra vordert dat de rechtbank bij vonnis – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Gemeente veroordeelt tot betaling van een bedrag ad € 105.851,20, nog te vermeerderen met BTW, alsmede te verhogen met de daarover verschenen wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over een bedrag van € 33.025,95 vanaf 1 december 2010, over een bedrag van € 43.977,91 vanaf 1 april 2012, en over het bedrag van

€ 28.847,34 vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te verhogen met de verhoogde UAV-rente (over het gehele bedrag) vanaf twee weken na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

II. de Gemeente veroordeelt om aan Schelvis binnen één week na betekening van het vonnis een op aanbestedingen toegesneden gebruikelijke tevredenheidsverklaring af te geven voor het onderhavige werk onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat de Gemeente daarmee in gebreke blijft, met een maximum van

€ 50.000;

III. de Gemeente veroordeelt in de kosten van het geding, de kosten van rechtsbijstand van Schelvis daaronder begrepen, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf bedoelde termijn voor voldoening alsmede te vermeerderen met de alsdan te maken nakosten om alsnog betaling van hetgeen is toegewezen te verkrijgen.

3.2.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Extra kosten als gevolg van de schorsing van het werk in verband met de voorwaarde in de bouwvergunning (€ 33.025,96)

4.1.

Schelvis Infra legt aan dit deel van haar vordering ten grondslag dat zij in de berekening van de aanneemsom en planning geen rekening behoefde te houden met de voorwaarde in de bouwvergunning, inhoudende dat met de uitvoering van de constructieve bouwwerkzaamheden niet mocht worden begonnen dan na verlening van een verklaring van geen bezwaar van de medewerker constructie, waartoe Schelvis Infra op grond van de voorwaarde in die bouwvergunning ten minste drie weken voor aanvang van de constructiewerkzaamheden berekeningen en tekeningen diende aan te leveren. Schelvis Infra stelt dat zij met deze aanvullende wachttijd geen rekening hoefde te houden omdat de bouwvergunning geen deel uitmaakte van het bestek en derhalve sprake is van een bestekswijziging. Als gevolg van deze wijziging heeft het werk gedurende enkele weken stil gelegen nu de heistelling afgevoerd en later opnieuw aangevoerd diende te worden en de uitvoerder van Schelvis Infra en de rupskraan stil stonden. Op grond van paragraaf 36 lid 4 UAV komen de extra kosten als gevolg van deze wijziging voor vergoeding in aanmerking, aldus Schelvis Infra.

4.2.

De Gemeente voert als verweer onder meer aan dat geen sprake is van een bestekswijziging omdat uit het bestek blijkt dat er een bouwvergunning was en dat de aannemer zich diende te houden aan de voorschriften van die bouwvergunning. De bouwvergunning is op 19 november 2009 afgegeven en was derhalve bekend op het moment dat de opdracht werd verstrekt. Het had op de weg van Schelvis Infra gelegen om kennis te nemen van de bouwvergunning of daar in het kader van de aanbesteding vragen over te stellen, aldus de Gemeente.

4.3.

Anders dan door Schelvis Infra wordt betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bestekswijziging. De rechtbank komt tot dit oordeel nu – zoals door de Gemeente terecht naar voren is gebracht – in het bestek in hoofdstuk 2.1 onder PAR 10 expliciet wordt verwezen naar (onder meer) de bouwvergunning (zie 2.3). Daarbij wordt bovendien de eis gesteld dat de aannemer zich strikt aan de bepalingen en voorschriften in deze bouwvergunning dient te houden. De rechtbank acht het hierbij van belang dat, zoals door de Gemeente gesteld en van de zijde van Schelvis Infra onvoldoende betwist, het niet ongebruikelijk is dat in bouwvergunningen nadere eisen worden gesteld, waaronder ook (nadere) termijnen die in acht moeten worden genomen alvorens een aanvang mag worden gemaakt met de bouwwerkzaamheden. Het had dan ook op de weg van Schelvis Infra gelegen, die in dit kader als professionele partij heeft te gelden, om (tijdig) kennis te nemen van de bouwvergunning en rekening te houden met de daarin opgenomen voorwaarde(n). Dat de bouwvergunning fysiek geen deel uit maakte van de bestekstukken doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande, gezien de expliciete verwijzing in het bestek naar die vergunning, niet af.

4.4.

Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor de Gemeente om de extra kosten door de schorsing van het werk in verband met de voorwaarde in de bouwvergunning aan Schelvis Infra te vergoeden. De rechtbank wijst dit onderdeel van de vordering van Schelvis Infra dan ook af.

Extra kosten door vertraging werkzaamheden van de nutsbedrijven (€ 43.977,91)

Algemeen

4.5.

Schelvis Infra stelt dat zij extra kosten heeft moeten maken - en dus schade heeft geleden - als gevolg van vertragingen in de werkzaamheden van de nutsbedrijven, welke kosten door de Gemeente vergoed dienen te worden. De stagnatieschade bedraagt in totaal

€ 56.902,29 (excl. BTW). Schelvis Infra heeft bij dagvaarding als productie 37 (hierna: productie E37) ter zake deze schade een aantal formulieren overgelegd waarop een beknopte omschrijving is opgenomen van diverse kostenposten. Schelvis Infra wijst erop dat de Gemeente heeft erkend dat zij een bedrag van € 17.735,00 (excl. BTW) dient te vergoeden, maar stelt dat de Gemeente daarvan slechts een bedrag van € 12.924,38 (excl. BTW) heeft betaald. Het voorgaande betekent dat een vordering van in totaal € 43.977,91 (excl. BTW) resteert, aldus Schelvis Infra.

4.6.

De Gemeente stelt zich op het standpunt dat alleen stagnatieschade die het gevolg is van de vertraagde uitvoering van de werkzaamheden van de nutsbedrijven voor vergoeding in aanmerking komt en betoogt dat zij de claim van Schelvis Infra op deze wijze heeft beoordeeld. Volgens de Gemeente bedraagt de door Schelvis Infra geleden stagnatieschade € 17.735,00 en is dit bedrag al volledig door haar vergoed.

4.7.

Ten aanzien van de kwestie of de Gemeente het door haar erkende bedrag van

€ 17.735,00 volledig heeft voldaan overweegt de rechtbank als volgt. Op de Gemeente rust de plicht om voldoende gemotiveerd te stellen - en als daaraan wordt toegekomen: te bewijzen - dat zij het bedrag volledig heeft betaald. Schelvis Infra heeft bij dagvaarding expliciet betwist dat het bedrag van € 17.735,00, zoals dat door de Gemeente is erkend, ook volledig door de Gemeente is betaald: alleen de kosten vermeld op formulier “claim NUTS blad 1, stagnatie Van ’t Hek” van € 12.924,38 zijn vergoed. Bij conclusie van antwoord heeft de Gemeente in reactie daarop alleen aangevoerd dat “nu de laatste staat van afrekening door de Gemeente is betaald, de Gemeente alles wat zij heeft erkend ook heeft afgerekend”. Zonder nadere toelichting - die niet is gegeven - valt in te zien hoe uit deze algemene stelling volgt dat de Gemeente alle specifieke schadeposten die zij heeft erkend inderdaad heeft betaald. Nu de Gemeente haar stelling niet voldoende heeft onderbouwd - en zij derhalve niet heeft voldaan aan haar stelplicht - wordt de stelling van de Gemeente dat zij het gehele bedrag van € 17.735,00 heeft voldaan verworpen. Aan het door de Gemeente ter comparitie gedane verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld om één en ander aan de hand van nadere stukken verder te onderbouwen wordt daarom niet toegekomen.

4.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank er bij de beoordeling van de resterende schadeclaim van € 43.977,91 van uit zal gaan dat, voor zover daarvan door de Gemeente schadeposten zoals weergegeven op de formulieren Claim NUTS blad 2 tot en met 5 zijn erkend, daarvan nog geen betaling heeft plaatsgevonden.

4.9.

De rechtbank zal in het navolgende aan de hand van de (nog relevante) formulieren Claim NUTS blad 2 tot en met 5 ingaan op de gevorderde schadebedragen en de standpunten van Schelvis Infra de Gemeente ten aanzien daarvan. Per formulier zal worden geoordeeld in hoeverre de schadevordering van Schelvis Infra kan worden toegewezen.

Formulier “Claim NUTS blad 2, volgnummer 1”

4.10.

Op het door Schelvis Infra opgestelde formulier “Claim NUTS blad 2, volgnummer 1” is blijkens de nadere omschrijving schade opgenomen betreffende “leegloop en onderbezetting tijdens stagnatie Van ‘t Hek”. Schelvis Infra stelt dat de Gemeente de stagnatiekosten van Van ’t Hek ter hoogte van € 12.924,38 heeft erkend en vergoed (“Claim NUTS blad 1”), in verband met het feit dat deze niet kon beginnen met de geplande heiwerkzaamheden, en betoogt dat de Gemeente ook de daarmee gepaard gaande extra kosten van Schelvis Infra dient te vergoeden. Schelvis Infra stelt dat doordat er geen heiwerkzaamheden door Van ’t Hek konden worden uitgevoerd, haar uitvoerder evenmin andere werkzaamheden kon uitvoeren. Schelvis Infra vordert een bedrag van € 2.600,00

(€ 520 x 5 dagen) betreffende de onderbezetting van de uitvoerder. Daarnaast vordert zij een bedrag van € 400,00 in verband met de langere huur van het ketenpark (1 week) en een bedrag van € 375,00 in verband met de langere huur van de hekken voor het werk (1 week).

4.11.

De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord voor haar verweer expliciet verwezen naar een e-mailbericht van 3 februari 2011 dat als productie E37 bij de dagvaarding is gevoegd , alsmede naar de brief van 18 februari 2011 die zij als productie 13 bij conclusie van antwoord heeft overgelegd (hierna: productie G13). Uit deze stukken blijkt dat de Gemeente zich op het standpunt stelt dat de uitvoerder van Schelvis Infra gedurende de vijf dagen dat Van ’t Hek niet aan de slag kon niet volledig improductief is geweest, aangezien de uitvoerder ook nog andere projecten had lopen en niet het gehele werk heeft stilgelegen. De Gemeente meent dat nu de stagnatie voor wat betreft de uitvoerder slechts de aansturing van Van ‘t Hek betreft een vergoeding van een dagdeel van 4 uur redelijk is. In de Excel-sheet bij de brief van 18 februari 2011 is hieraan een bedrag van € 520,00 gekoppeld. Ten aanzien van het ketenpark en de bouwhekken heeft de Gemeente aangevoerd dat beide voor de duur van het werk zijn gehuurd en dat de huur daarvan derhalve niet afhankelijk is van specifieke activiteiten die binnen de hekken wel of niet plaatsvinden. Ter comparitie heeft de Gemeente echter aangegeven dat het (toch) niet onaannemelijk klinkt dat een en ander een week langer moest worden ingehuurd.

4.12.

De rechtbank stelt vast dat de Gemeente op zich aansprakelijkheid in verband met de vertraagde uitvoering van de werkzaamheden van de nutsbedrijven heeft erkend. Op Schelvis Infra rust echter de stelplicht ten aanzien van de aard en de omvang van de schade. De rechtbank stelt vast dat de Gemeente in ieder geval een bedrag van € 520,00 erkent betreffende de onderbezetting van de uitvoerder. Dit betreft één van de gevorderde vijf dagen uitval. De rechtbank is van oordeel dat tegenover de gemotiveerde betwisting van de zijde van de Gemeente Schelvis Infra onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitvoerder inderdaad gedurende de resterende vier dagen geheel geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Om die reden wijst de rechtbank de vordering voor de overige vier dagen af. De rechtbank stelt voorts vast dat de Gemeente het bij nader inzien aannemelijk acht dat het ketenpark en de hekken ten behoeve van het werk een week langer moesten worden gehuurd. De rechtbank zal derhalve dit deel van de vordering in zoverre toewijzen.

4.13.

De rechtbank wijst gezien het voorgaande van de “Claim NUTS, blad 2, volgnummer 1” in totaal een bedrag van (€ 520,00 + € 400,00 + € 375,00 =) € 1.295,00 toe.

Formulier “Claim NUTS blad 4, volgnummer 2”

4.14.

Op het formulier “Claim NUTS blad 4, volgnummer 2” zijn kosten opgenomen gemaakt in week 47 (26 november 2010) en week 50 (15, 16 en 17 december 2010) in verband met stagnatie ten gevolge van vertraging in de werkzaamheden van de nutsbedrijven. Schelvis Infra heeft gesteld dat zij voor het aanbrengen van de duikers een overeenkomst had gesloten met de firma Van der Geest, die een kraan en ‘vakman buizenlegger’ zou leveren. In de praktijk konden echter geen werkzaamheden worden uitgevoerd en zijn de kraan en de vakman door Van der Geest van het werk gehaald. Schelvis Infra stelt dat zij jegens Van der Geest wel aan haar betalingsverplichtingen moest voldoen, temeer nu de vakman gezien de periode (net voor Kerst) niet meer elders kon worden ingezet. Daarnaast stonden ook de uitvoerder en de (grond)werker van Schelvis Infra stil. Schelvis Infra voert in dit kader aan dat de uitvoerder op dat moment maar één werk had waarvoor hij speciaal vrijgemaakt was.

4.15.

De Gemeente betwist niet dat op de betreffende data sprake is geweest van vertraging, maar zij betwist de hoogte van het gevorderde bedrag. De Gemeente verwijst ook in dit kader naar het e-mailbericht van 3 februari 2011 (productie E37) en naar de brief van 18 februari 2013 (productie G13).

4.16.

De rechtbank leidt uit deze stukken af dat de Gemeente geheel akkoord is met de kosten gemaakt in week 47, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 182,50.

4.17.

Voor wat betreft de kosten in week 50 stelt de Gemeente, ten aanzien van het gevorderde kosten ten bedrage van € 380,00, gemaakt op de dagen 15, 16 en 17

december 2010, dat de ‘vakman buizenlegger’ niet op het werk aanwezig was. De Gemeente voert aan dat zij ervan uit gaat dat door het weg sturen van mensen kostenbesparend is gehandeld.

4.18.

De rechtbank constateert dat de Gemeente niet betwist dat, zoals door Schelvis Infra gesteld, de ‘vakman buizenlegger’ in week 50 geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten ten gevolge van de vertraagde uitvoering van de werkzaamheden van de nutsbedrijven waarvoor zij aansprakelijkheid heeft erkend. De rechtbank is van oordeel dat tegenover de gemotiveerde stelling van Schelvis Infra dat zij ter zake wel aan haar betalingsverplichtingen jegens firma Van der Geest moest voldoen, nu de betreffende ‘vakman buizenlegger’ niet elders kon worden ingezet, de Gemeente niet kan volstaan met mededeling dat zij ervan uitgaat dat door het weg sturen van mensen kostenbesparend is gehandeld. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vordering van Schelvis Infra betreffende de buizenlegger dient te worden toegewezen, hetgeen voor de dagen 15, 16 en 17 december neerkomt op een bedrag van € 1.140,00. Hetzelfde heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden voor de kosten voor de medewerker voor de dagen 15, 16 en 17 december, in totaal bedragend € 960,00.

4.19.

De rechtbank stelt vast dat de Gemeente akkoord is met de kosten gemaakt op 15 december 2010 betreffende de zware rupskraan, zodat ook dit bedrag in principe kan worden toegewezen. De Gemeente maakt hierbij naar het oordeel van de rechtbank echter terecht een voorbehoud voor zover ook brandstofkosten worden gevorderd, nu met de zware rupskraan geen werkzaamheden zijn verricht en derhalve geen brandstof is verbruikt. De rechtbank wijst daarom, na inhouding van de brandstof, een bedrag van € 620,00 toe aan kosten in verband met de stilstand van de zware rupskraan. De rechtbank oordeelt wat betreft die zware rupskraan voorts dat de Gemeente zich eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kosten in verband met het stilstaan daarvan zoals opgevoerd voor 16 en 17 december 2010 niet (geheel) voor vergoeding in aanmerking komen. Schelvis Infra heeft de zware rupskraan immers op 16 december 2010 laten afvoeren waarvoor zij een bedrag van € 375,00 aan kosten opvoert, welk bedrag door de Gemeente wel wordt erkend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat Schelvis Infra geen uitleg heeft gegeven over hoe de opgevoerde kosten, betreffende de afvoer alsmede kosten voor stilstand van de rupskraan, zich tot elkaar verhouden, laat staan dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten inderdaad naast elkaar hebben bestaan. De rechtbank constateert echter dat de Gemeente in de Excel-sheet bij de brief van 18 februari 2010 een deel van de opgevoerde kosten voor de stilstand van zware rupskraan gemaakt op 16 december 2010 wel erkent, te weten een bedrag van € 310,00 (stilstand gedurende 4 uur). De rechtbank wijst daarom gezien het voorgaande ter zake de zware rupskraan, in verband met de op 16 december 2010 gemaakte kosten in verband met stilstand en afvoer van de kraan, een bedrag van in totaal

€ 685,00 (€ 375,00 + € 310,00) toe. Voor zover voor 17 december 2010 kosten worden gevorderd door Schelvis in verband met de stilstand van de zware rupskraan worden deze geheel afgewezen, nu de rupskraan op dat moment reeds was afgevoerd.

4.20.

De rechtbank stelt ten slotte vast dat de Gemeente eveneens akkoord is met het gevorderde bedrag van € 520,00 voor de uitvoerder, zodat ook dit bedrag kan worden toegewezen.

4.21.

De rechtbank wijst gezien het voorgaande van de “Claim NUTS blad 4, volgnummer 2” in totaal een bedrag van (€ 182,50 + € 1.140,00 + € 960,00 + 620,00 +

€ 685,00 + € 520,00 =) € 4.107,50 toe.

Formulier “Claim NUTS blad 4, volgnummer 3”

4.22.

Op het formulier “Claim NUTS blad 4, volgnummer 3” heeft Schelvis Infra onder meer de extra kosten opgenomen waarvan zij stelt dat zij die als gevolg van vertraging van de werkzaamheden in week 1 (3 tot en met 7 januari) en week 2 (10 tot en met 12 januari) van 2011 heeft moeten maken. Schelvis Infra stelt dat zij op uitdrukkelijk verzoek van de Gemeente haar personeel en materieel verzameld heeft om op 3 januari 2011 de werkzaamheden te hervatten. Op 3 januari 2011 bleek echter dat het personeel van Schelvis Infra niet aan de slag kon, omdat de geplande omlegging van de leidingen door de nutsbedrijven nog niet was geschied. De hiermee gemoeide kosten brengt zij aan de Gemeente in rekening. Verder dienden ten behoeve van de omleggingswerkzaamheden van de nutsbedrijven hekken buiten de werkgrens te worden geplaatst zodat sprake is van extra werkzaamheden dan wel meerwerk. Ook de huur van de hekken en de verkeersregel-installatie (VRI) heeft langer geduurd door de in deze weken ontstane vertraging.

4.23.

De Gemeente betwist, onder verwijzing naar producties G13 en E37, dat er in deze periode (week 1 en 2 van 2011) sprake was van algehele stilstand bij Schelvis Infra. In deze weken hebben meer dan genoeg andere bestekmatige werkzaamheden wel doorgang kunnen vinden, wat volgens de Gemeente blijkt uit de dagrapportages. Uit de dagrapporten is volgens de Gemeente af te leiden dat er slechts sprake was van stilstand op woensdagmiddag in week 1. Daarnaast wordt door de Gemeente erkend dat er ook sprake was van stilstand op donderdagmiddag in deze week. De Gemeente concludeert voor wat betreft week 1 dat sprake was van 1 dag stilstand en komt in verband hiermee tot de toekenning van een bedrag van € 15,00 voor de huur van de hekken (1 dag), een bedrag van € 620,00 voor de zware rupskraan exclusief brandstof, een bedrag van € 380,00 voor de vakman buizenlegger (1 dag), een bedrag van € 320,00 voor de medewerker (1 dag), een bedrag van € 50,00 voor de bronnering (1 maal) en een bedrag van € 130,00 voor de uitvoerder (2 uur). Voor wat betreft week 2 (periode 10 januari 2011 t/m 12 januari 2011) is de Gemeente geheel niet akkoord met de door Schelvis Infra gestelde extra kosten. Zij stelt dat er blijkens de dagrapportages geen sprake was van stilstand of stagnatie en dat voorts sprake was van gewone bestekmatige werkzaamheden. Ten aanzien van de aanvoer en het plaatsen van de hekken voert de Gemeente aan dat deze volgens de eigen methode van Schelvis Infra dienden te worden geplaatst los van welke werkzaamheden er wel of niet zouden plaatsvinden tijdens de uitvoeringsperiode van het werk. Voor wat betreft de VRI stelt de Gemeente zich op het standpunt dat deze bestekmatig werd vergoed in termijn 4 vanaf 3 januari tot 25 januari 2011 en derhalve niet als extra kosten in rekening kan worden gebracht.

4.24.

De rechtbank oordeelt als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de Gemeente, die zij al in haar e-mail van 3 februari 2011 (productie E37) aan Schelvis Infra kenbaar heeft gemaakt en waarbij zij zich beroept op dagrapporten, had het op de weg van Schelvis Infra gelegen om haar stelling dat het werk van Schelvis Infra in week 1 en 2 van 2011 wel volledig stil heeft gelegen nader te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten, wordt de stelling als onvoldoende onderbouwd verworpen. Hetzelfde geldt voor de VRI en het plaatsen van de hekken. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding om voor wat betreft de extra kosten voor personeel en materieel voor deze periode meer toe te wijzen dan de reeds door de Gemeente erkende bedragen, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van

€ 1.515,00.

4.25.

Uit formulier “Claim NUTS blad 4, volgnummer 3” blijkt dat Schelvis Infra daarnaast kosten declareert in verband met uitloop van de uitvoeringsperiode ten gevolge van vertraging bij de nutsbedrijven. Deze kosten betreffen de langere huur van ketenpark en hekken voor 2 ½ week (totaal € 1.937,50) en gederfde rente-inkomsten (€ 2.910,00), omdat het hout- en betonwerk reeds waren betaald in het najaar van 2010 terwijl Schelvis Infra dit door de vertragingen pas later kon factureren aan de Gemeente.

4.26.

Voor wat betreft de huur van het ketenpark en de hekken heeft de Gemeente opgemerkt (zie productie E37) dat deze huur is gerelateerd aan de totale uitvoeringsduur en niet aan 1 specifieke activiteit. Ten aanzien van de gevorderde rentekosten hout- en betonwerk betoogt de Gemeente dat er geen causaal verband bestaat tussen deze kosten en de werkzaamheden van Liander en voert aan dat wanneer mens, materieel en materiaal kostenbesparend waren herplaatst binnen de grenzen van het werk, rentekosten hadden kunnen worden voorkomen. Daarnaast geldt dat als Schelvis Infra had gezorgd voor een structureel zorgvuldig inkooptraject en bewijs van liquiditeit van haar leverancier, dergelijke hoeveelheden bouwstoffen niet op voorhand volledig betaald hadden hoeven worden. Ook om die reden zou voor eventuele doorbelasting van rente geen plaats zijn, aldus nog steeds de Gemeente.

4.27.

Gelet op het feit dat de Gemeente de 2 ½ week huur van het ketenpark en de hekken betwist, had het op de weg van Schelvis Infra gelegen om nader te onderbouwen dat zij hier wel recht op heeft, naast de extra periode die zij in het kader van andere posten heeft gedeclareerd. Nu zij dit heeft nagelaten, zal dit deel van de vordering worden afgewezen. Ten aanzien van de rentekosten over het materiaal (hout en beton) is de rechtbank van oordeel dat, gezien de door de Gemeente niet betwiste stagnatie door de vertraagde uitvoering van de werkzaamheden van de nutsbedrijven, toekenning van (extra) rentekosten redelijk moet worden geacht. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de Gemeente onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Schelvis Infra het betreffende hout en betonwerk kostenbesparend had kunnen herplaatsen binnen het werk. Naar het oordeel van de rechtbank treft ook het verweer van de Gemeente dat Schelvis Infra haar inkooptraject maar anders had moeten inrichten voorts in redelijkheid geen doel. Dit leidt ertoe dat de rechtbank ook het gevorderde bedrag van € 2.910,00 zal toewijzen.

4.28.

Het voorgaande leidt ertoe dat voor wat betreft “Claim NUTS blad 4, volgnummer 3” een bedrag van (€ 1.515,00 + € 2.910,00 =) € 4.425,00 zal worden toegewezen.

Formulier “Claim NUTS blad 5, volgnummer 4”

4.29.

De kosten die Schelvis Infra vordert op het formulier “Claim NUTS blad 5, volgnummer 4” betreft blijkens de omschrijving “schade onderaannemer Hoogvliet (damwand)”. Schelvis Infra heeft toegelicht dat deze kosten zijn gemaakt in fase 4 van het werk als gevolg van het feit dat de gasleiding en stroomkabels niet op tijd waren weggehaald. De door Schelvis Infra gecontracteerde firma Hoogvliet, die de houten damwanden zou aanbrengen, stond daardoor stil in die periode en kon ook geen ander werk aannemen. Volgens Schelvis Infra erkent de Gemeente dit nu zij erkent dat zij gehouden is om de aan- en afvoerkosten voor de rupskraan te vergoeden. De Gemeente weigert echter ten onrechte om de bijkomende kosten van deze stilstand te vergoeden, aldus Schelvis Infra.

4.30.

De Gemeente erkent dat zij de aan- en afvoerkosten van de rupskraan (totaal € 500,00) dient te betalen. Ten aanzien van de medewerker, de hydraulische kraan en het klein materieel heeft zij in haar e-mail van 3 februari 2011 aan Schelvis Infra (productie E37) laten weten dat zij er van uit gaat dat Schelvis Infra in fase 2 anticiperend ten opzichte van de ontwikkelingen in fase 4 heeft gehandeld door eerder mensen te laten gaan en op deze wijze kostenbesparend heeft gehandeld. Voorts zou de ploeg van Hoogvliet in fase 2 door ziekte en andere redenen van het werk zijn gegaan en volgens de Gemeente kan niet op een later moment stilstand kan worden gereclameerd, als de mensen eerder uit eigen beweging het werk hebben verlaten.

4.31.

De rechtbank constateert dat de Gemeente de kosten voor de aan- en afvoerkosten van de rupskraan erkent zodat hiervoor een bedrag van in totaal € 500,00 kan worden toegewezen. De rechtbank is verder van oordeel dat Schelvis Infra tegenover de betwisting van de zijde van de Gemeente onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Gemeente ook de overige kosten die op dit formulier zijn opgenomen dient te vergoeden, zodat de gevorderde bedragen voor het overige dienen te worden afgewezen.

Formulier “Claim NUTS blad 6, volgnummer 5”

4.32.

Ten aanzien van de kosten opgenomen op formulier “Claim NUTS blad 6, volgnummer 5”, welke door Schelvis Infra worden gevorderd, stelt de rechtbank vast dat deze alle door de Gemeente akkoord zijn bevonden met uitzondering van een bedrag aan brandstof voor de zware rupskraan. De rechtbank acht het redelijk dat de Gemeente ter zake hiervan een bedrag van € 105,00 inhoudt op het gevorderde bedrag. Dit leidt tot het oordeel dat voor wat betreft dit formulier in totaal een bedrag van € 1.185,00 zal worden toegewezen.

Opslag algemene kosten / winst en risico

4.33.

Schelvis Infra heeft de kosten-/schadeposten die zij op de hiervoor besproken formulieren specificeert vermeerderd met staartkosten, een opslag voor algemene kosten, winst en risico. De Gemeente heeft aangevoerd dat deze opslag slechts bij meerwerk mag worden toegepast, maar niet bij stagnatieschade. Schelvis Infra heeft in reactie hierop aangegeven dat het weliswaar juist is dat over schade geen opslag mag worden berekend, maar dat de Gemeente hierbij uit het oog verliest dat ook als het werk uitloopt sprake is van derving van algemene kosten en winst. Het is immers niet mogelijk in die periode ander werk aan te nemen, aldus Schelvis Infra.

4.34.

Ingevolge paragraaf 35 lid 5 UAV 1989 bestaat recht op toekenning van een percentage van 10% aan staartkosten in geval sprake is van meer- en minderwerk. De rechtbank oordeelt echter dat in het onderhavige geval geen sprake is van meerwerk als bedoeld in paragraaf 35 van de UAV 1989, maar van vergoeding van stagnatieschade. Hierover dienen in beginsel geen staartkosten te worden berekend. De rechtbank is van oordeel dat Schelvis Infra onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat in het onderhavige geval anders moet worden geoordeeld. De enkele stelling dat Schelvis Infra in door de verlenging van de termijn van het werk geen ander werk heeft kunnen aannemen volstaat daartoe niet, temeer nu niet duidelijk is hoe dat argument zich verhoudt tot de aard van de toegekende schadeposten. Dit leidt tot de conclusie dat over de toe te wijzen stagnatieschade geen staartkosten zullen worden berekend.

Conclusie stagnatieschade door vertraging bij de nutsbedrijven

4.35.

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat in verband met de vertraging bij de nutsbedrijven een bedrag van in totaal € 11.512,50 aan stagnatieschade toewijsbaar is.

Meerwerk/ overschrijding bestekhoeveelheden

4.36.

Ten aanzien van het resterende bedrag van € 28.847,34 heeft Schelvis Infra gesteld dat partijen van mening verschillen over de verwerkte hoeveelheden. Zo zou de Gemeente in haar eindafrekening uitkomen op een overschrijding van de bestekhoeveelheden van circa € 93.000,00 terwijl dit volgens Schelvis Infra circa € 111.000,00 zou moeten zijn. Schelvis Infra verwijst hierbij naar een door de Gemeente getekende staat van afrekening van 29 november 2012 en vergelijkt deze met een staat van afrekening van 16 april 2013.

4.37.

De Gemeente voert onder meer aan dat de onderbouwing van deze vordering volstrekt onvoldoende is. De Gemeente geeft aan de staat van afrekening van 16 april 2013 niet te kennen. Voorts blijkt uit de bestekhoeveelheden, die Schelvis Infra zelf naast elkaar legt, een verschil van circa € 18.000,00 in plaats van het gevorderde bedrag van

€ 28.847,34. De door Schelvis Infra overgelegde staat van afrekening van 29 november 2012 betreft voorts niet de eindafrekening en de door Schelvis Infra overgelegde staat van afrekening van 16 april 2013 zou op bepaalde punten evident onjuist zijn en bevat ‘niet controleerbare posten’, aldus de Gemeente.

4.38.

De rechtbank constateert allereerst dat Schelvis Infra ter comparitie heeft bevestigd dat het bedrag dat zij in dit verband vordert inderdaad niet € 28.847,34, maar slechts circa

€ 18.000,00 bedraagt. Ten aanzien van het gevorderde is de rechtbank van oordeel dat Schelvis Infra onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat de bestekhoeveelheden met dit bedrag zijn overschreden. Nu Schelvis Infra in dit opzicht niet heeft voldaan aan haar stelplicht wordt dit onderdeel van de vordering van Schelvis Infra afgewezen.

Rente

4.39.

Nu het toe te wijzen bedrag van € 11.512,50 stagnatieschade betreft zal niet de wettelijke handelsrente maar de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW worden toegewezen.

4.40.

Gevorderd wordt verder om het toegewezen bedrag te verhogen met de verhoogde UAV rente. De rechtbank wijst deze verhoogde rente, welke naar de rechtbank begrijpt is gebaseerd op paragraaf 45 lid 2 UAV 1989 (wettelijke rente verhoogd met 2 procentpunten) echter niet toe omdat Schelvis Infra heeft nagelaten te stellen om welke reden de Gemeente deze rente verschuldigd zou zijn over het toegewezen bedrag aan stagnatieschade.

Tevredenheidsverklaring

4.41.

Aan de gevorderde tevredenheidsverklaring legt Schelvis Infra ten grondslag dat de weigering om deze te verstrekken onrechtmatig is alsmede in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er zou tussen partijen geen enkele discussie bestaan over de deugdelijke uitvoering van de werkzaamheden door Schelvis Infra maar enkel omtrent de afrekening daarvan. De Gemeente zou bovendien meermaals uitdrukkelijk haar waardering jegens Schelvis Infra hebben uitgesproken over de kwaliteit van het werk. Ten aanzien van de stelling van de Gemeente dat Schelvis Infra de planningen niet tijdig gereed had, heeft Schelvis Infra ter comparitie betoogd dat deze steeds moesten worden bijgesteld in verband met de vele bestekswijzigingen.

4.42.

De Gemeente stelt hiertegenover dat zij weliswaar tevreden is over de kwaliteit van het fysieke werk maar niet over de uitvoering daarvan. Daarbij doelt de Gemeente op de opstelling van planningen, communicatie alsmede de projectbegeleiding door Schelvis Infra. De Gemeente voert aan dat Schelvis Infra in het kader van de uitvoering van het werk ernstig tekort is geschoten. Om die reden heeft de Gemeente geweigerd een tevredenheids-verklaring af te geven. Daarnaast voert de Gemeente aan dat de vordering van Schelvis Infra op dit punt te vaag, althans onvoldoende bepaald is.

4.43.

De rechtbank is van oordeel dat de Gemeente onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan volgen dat Schelvis Infra ernstig tekort is geschoten in het kader van de uitvoering van het werk. De rechtbank heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat de Gemeente in haar brief van 17 februari 2011 nog nadrukkelijk tegenover Schelvis Infra haar waardering heeft uitgesproken voor de kwaliteit van het tot dan toe onder verantwoordelijkheid van de uitvoerder [A.] geleverde werk (zie 2.19), dat zij verschillende keren de hand in eigen boezem heeft gestoken (zie onder andere de brief van 12 oktober 2010, 2.17), dat van de zijde van de Gemeente ter comparitie is verklaard dat er vertraging is opgetreden vanwege onvolkomenheden in het bestek, en dat niet is gebleken dat de Gemeente Schelvis Infra op de beweerdelijke ernstige tekortkomingen heeft aangesproken. Gelet op het voorgaande weigert de Gemeente ten onrechte om een tevredenheidsverklaring af te geven. Van onvoldoende bepaaldheid van de vordering van Schelvis Infra is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, mede nu de gemeente niet heeft betwist dat ook zij in het kader van de door haar georganiseerde openbare aanbestedingen tevredenheidsverklaringen van inschrijvers verlangt. De rechtbank is van oordeel dat van de Gemeente kan worden gevergd dat zij een op openbare aanbestedingen toegesneden gebruikelijke verklaring aan Schelvis Infra afgeeft in verband met het door Schelvis Infra uitgevoerde werk.

4.44.

Nu de rechtbank er in dit geval van uit gaat dat de Gemeente als overheidslichaam aan de tegen haar gewezen veroordeling tot afgifte van een tevredenheidsverklaring zal voldoen, ziet zij geen reden om de gevraagde dwangsom op te leggen.

Proceskosten

4.45.

De Gemeente zal worden veroordeeld in de kosten van het geding. Daarbij overweegt de rechtbank dat nu een aanzienlijk deel van het door Schelvis Infra gevorderde bedrag wordt afgewezen, voor wat betreft het salaris van de advocaat het liquidatietarief wordt gehanteerd dat past bij het toegewezen bedrag, te weten een tarief van € 452,00.

4.46.

De proceskosten aan de zijde van Schelvis Infra worden aldus vastgesteld op:

  • -

    dagvaarding € 76,71

  • -

    griffierecht € 3.715,00

  • -

    salaris advocaat € 904,00

Totaal € 4.695,71

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente en de gevorderde nakosten zullen op de na te melden wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de Gemeente om aan Schelvis Infra te betalen een bedrag van

€ 11.512,50, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 april 2012 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt de Gemeente om aan Schelvis Infra binnen een week na betekening van dit vonnis een tevredenheidsverklaring af te geven als hiervoor onder rechtsoverweging 4.43 beschreven,

5.3.

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van Schelvis Infra begroot op € 4.695,71, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis,

5.4.

veroordeelt de Gemeente in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en explootkosten van betekening van de uitspraak indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J.M. Burg en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014.1

1 Conc.: 1289