Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:7913

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
C/15/210959 / FA RK 14-411
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Relatieve bevoegdheid van de kinderrechter te Haarlem t.a.v. zogenoemde Schipholkinderen die hun woonplaats in Nederland hebben.

Gronden voor voorlopige voogdij ex art. 1:241 BW bij Schipholkinderen die met hun ouder(s) de Nederlandse nationaliteit hebben en in Nederland wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

voorlopige voogdij op grond van artikel 1:241 BW

zaak-/rekestnr.: C/15/210959 / FA RK 14-411

beschikking van de kinderrechter van 20 februari 2014

naar aanleiding van een verzoek van

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

hierna te noemen: de Raad,

met betrekking tot de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

verblijvende in een pleeggezin van de Stichting Nidos,

kind van

[de moeder], wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het Justitieel Complex Schiphol in Badhoevedorp,

hierna te noemen: de moeder,

en

[de vader], wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: de vader.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van de kinderrechter van 6 februari 2014 en de daarin vermelde stukken;

- de stelbrief van mr. L.E. Toet van 10 februari 2014, ingekomen op 12 februari 2014.

1.2

De kinderrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting met gesloten deuren van 14 februari 2014.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat mr. L.E. Toet, kantoorhoudende te Utrecht;

- de Raad, vertegenwoordigd door [medewerker];

- de Stichting Nidos, vertegenwoordigd door [medewerker].

1.3

Gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter aanleiding gevonden om de behandeling van de zaak aan te houden tot de zitting van 20 februari 2014, in afwachting van meer duidelijkheid over de screening van de vader.

1.4

De kinderrechter heeft het verzoek verder behandeld op de zitting met gesloten deuren van 20 februari 2014.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. K.M.S. Bal, waarneemster van mr. Toet voornoemd;

- de Raad, vertegenwoordigd door [medewerker];

- de Stichting Nidos, vertegenwoordigd door [medewerker].

2 Standpunten partijen

2.1

De Raad heeft ter zitting van 14 februari 2014 verzocht de voorlopige voogdij over de minderjarige te bekrachtigen en de behandeling van de zaak voor het overige aan te houden, zodat de vader de gelegenheid wordt geboden om zich bij de Stichting Nidos te melden en als “pleegvader” te worden gescreend.

2.2

Ter zitting van 20 februari 2014 heeft de Raad zijn verzoek tot handhaving van de voorlopige voogdij gehandhaafd. Zolang de moeder gedetineerd is en de vader geen gezag heeft, is de voorlopige voogdij door de Stichting Nidos noodzakelijk, aldus de Raad. De Stichting Nidos is in dat kader bevoegd te beslissen over de plaatsing van de minderjarige bij de vader, waarbij de plaatsing in de voor de minderjarige vertrouwde omgeving in beginsel het uitgangspunt is. De screening van de vader is echter nog niet afgerond en het is op dit moment onzeker of de plaatsing bij de vader geschikt wordt bevonden. Het strafblad van de vader is een van de factoren die worden meegewogen bij de screeningsbeslissing. De Raad heeft voorts te kennen gegeven dat zij een beschermingsonderzoek aan de Raad in Rotterdam zal overdragen, zoals gebruikelijk in de zogenaamde Schipholzaken.

2.3

De ouders hebben zich verzet tegen het verzochte.

De raadsvrouw heeft primair de onbevoegdheid van de rechtbank in Haarlem ingeroepen, aangezien de (afgeleide) woonplaats van de minderjarige in Vlaardingen is.

Subsidiair heeft zich de raadsvrouw, onder verwijzing naar de uitspraak van de kantonrechter te Utrecht van 11 juli 2007 (LJN BB0055), op het standpunt gesteld dat er geen grond bestaat voor de voorlopige voogdij, aangezien de verblijfplaats van de gezaghebbende moeder is bekend, de moeder vanuit detentie haar gezag kan uitoefenen en beide ouders wensen dat de vader voor de duur van moeders detentie de zorg voor de minderjarige op zich neemt. Daarnaast zijn het de ouders met elkaar eens dat zij gezamenlijk met het gezag over de minderjarige dienen te worden belast, hetgeen slechts administratief niet is afgehandeld.

Voorts is naar voren gebracht dat de vader nu ook voor twee oudere kinderen zorgt, dat de ouders pas acht maanden geleden uit elkaar zijn gegaan en tot die tijd samen de zorg voor hun drie kinderen hebben gehad en dat er nooit zorgen waren over de kinderen of enige hulpverleningsbemoeienis. De ouders hebben ten slotte kenbaar gemaakt dat zij zich zorgen maken over de veiligheid van de minderjarige in het pleeggezin van de Stichting Nidos en dat zij vinden dat het gezin bij elkaar hoort.

2.4

Door de Stichting Nidos is toegelicht dat de minderjarige het naar omstandigheden goed doet in het pleeggezin, dat het een ervaren en gescreend pleeggezin betreft waarmee de Stichting Nidos goede ervaringen heeft en dat er een aantal zorgpunten over de ontwikkeling van de minderjarige naar voren is gekomen. De minderjarige heeft een ontwikkelingsachterstand en hij heeft aanzienlijk veel aansturing nodig, hetgeen veel van zijn verzorger(s) en opvoeder(s) vraagt.

Omdat de Stichting het uitgangspunt hanteert dat de minderjarige in beginsel het beste af is met een vertrouwde woonsituatie, is de Stichting na de zitting van 14 februari 2014 gestart met de screening van de vader. Dit onderzoek is echter nog niet afgerond. De Stichting heeft opgemerkt dat zij daarbij afhankelijk is van haar informanten, alsmede van de medewerking en initiatief van de ouders.

3 Beoordeling

3.1

Ten aanzien van de relatieve bevoegdheid overweegt de kinderrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van 29 januari 2004 (LJN AO3624), als volgt.

Voor een zogenoemd “Schipholkind” – een minderjarige die reizend vanuit het buitenland met de ouder op de luchthaven Schiphol aankomt en van wie de ouder op de luchthaven wordt aangehouden op verdenking van een strafbaar feit, in dit geval een drugsdelict – dienen spoedvoorzieningen te worden getroffen ten aanzien van opvang en onderdak, soms ook ten aanzien van voeding en medische verzorging. Aan de kinderrechter wordt gevraagd een door de Raad aangezochte voogdij-instelling te belasten met de voorlopige voogdij over de betreffende op Schiphol achtergebleven minderjarige teneinde de nodige beslissingen ten aanzien van het kind te kunnen nemen. Een medewerker van deze voogdij-instelling dient vervolgens onmiddellijk met de uitvoering van zijn taak te beginnen, waarbij het kind van Schiphol moeten worden opgehaald en onderdak op zeer korte termijn gerealiseerd moet worden.

3.2

Voor een ouder en kind die hier te lande geen woonplaats hebben, is op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechtbank van het (afgeleide) werkelijke verblijf van het kind, namelijk Schiphol, bevoegd het verzoek tot voorlopige voogdij te beoordelen. Daarmee is voor die gevallen de bevoegdheid van de rechtbank in Haarlem gegeven.

Er doen zich ook gevallen voor, zoals het onderhavige, dat een ouder die op Schiphol wordt aangehouden, woonplaats in Nederland heeft. Op grond van voormeld artikel 265 Rv zou dan niet steeds de rechtbank in Haarlem de bevoegde rechtbank zijn. Echter, op het moment dat de spoedmaatregel van voorlopige voogdij getroffen moet worden getroffen, zijn niet de precieze gegevens inzake het over de minderjarige gestelde gezag en de (afgeleide) woonplaats van het kind bekend, laat staan dat deze gegevens gecontroleerd zijn. Nu in deze situatie een spoedvoorziening ten behoeve van de minderjarige genomen moet worden, geeft de wet met artikel 265 Rv geen afdoende voorziening. In aansluiting bij het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag) van 1996, waarin in spoedeisende gevallen in afwijking van de gewone bevoegdheidsregels, de rechter van de werkelijke verblijfplaats van het kind bevoegd is een noodzakelijke beschermende maatregel te nemen, is de kinderrechter van oordeel dat voor de bevoegdheid inzake de in deze situatie verzochte voorlopige voogdij van een Nederlands Schipholkind de rechtbank van het werkelijk verblijf van de minderjarige bepalend dient te zijn. Het beroep van de ouders op de onbevoegdheid van de rechtbank wordt dan ook verworpen.

3.3

Ook het verweer van de ouders ten aanzien van de maatregel van voorlopige voogdij wordt verworpen. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is de kinderrechter gebleken dat de moeder en de minderjarige in Nederland wonen en de Nederlandse nationaliteit hebben. Na de aanhouding van moeder op Schiphol op verdenking van drugssmokkel hebben de Koninklijke Marechaussee (nader te noemen de KMar) en de Raad conform het zogenoemde Schipholprotocol gehandeld. Onder deze omstandigheden – de moeder wordt in hechtenis genomen en de minderjarige blijft achter bij de KMar, terwijl de KMar geen verantwoordelijkheid voor de minderjarige kan of wil nemen – is sprake van een onoverzichtelijke noodsituatie. De moeder kon niet met de buitenwereld communiceren en zij kon op dat moment haar gezag over de minderjarige niet, althans onvoldoende uitoefenen. In zulke situaties staat de veiligheid van de minderjarige voorop en is het noodzakelijk om zo spoedig mogelijk voor de minderjarige een veilige plek te vinden. Nu direct in het gezag diende te worden voorzien, was op dat moment aan de vereisten van artikel 1:241 van het Burgerlijk Wetboek voldaan en is de minderjarige terecht onder voorlopige voogdij van de Stichting Nidos gesteld.

3.4

Ter beoordeling ligt vervolgens voor of de voorlopige voogdij ook voor de periode vanaf 14 februari 2014, zijnde de datum van de eerste behandeling ter zitting, dient te worden bekrachtigd. Nu er voor de zitting van 14 februari 2014 geen contact tussen de vader en de Raad en/of de Stichting Nidos is geweest en pas ter zitting meer duidelijkheid is verkregen over de betrokkenheid van de vader, heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak aangehouden tot 20 februari 2014, teneinde de Stichting Nidos in de gelegenheid te stellen een onderzoek naar de plaatsingsmogelijkheid bij de vader in te stellen en de uitkomst van die screening af te wachten. Ter zitting van 20 februari 2014 is gebleken dat het onderzoek naar de plaatsingsmogelijkheid bij de vader nog niet afgerond is.

3.5

Gelet op het bovenstaande en het feit dat om een Nederlands geval gaat, waarbij de detentie van de gezaghebbende moeder niet kan worden geacht in de weg te staan aan de uitoefening van haar gezag over de minderjarige, is er vanaf het moment van plaatsing bij een gescreend familielid geen sprake meer van een noodsituatie, dan wel van omstandigheden waaronder het gezag over de minderjarige tijdelijk niet kan worden uitgeoefend. De kinderrechter ziet aanleiding de Stichting nog een termijn tot en met 14 maart 2014 te geven om de screening van de vader af te ronden, welke termijn de Raad tevens in de gelegenheid stelt om indien het aangekondigde beschermingsonderzoek daartoe aanleiding geeft een andere kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken. Voor ouders biedt deze termijn ruimte om het gezamenlijk gezag eventueel te regelen.

4 Beslissing

De kinderrechter:

3.1

Bekrachtigt de beschikking van 6 februari 2014 voor wat betreft de periode tot en met 14 maart 2014.

3.2

Heft op de maatregel van voorlopige voogdij met ingang van 15 maart 2014.

3.3

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.4

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. Uitermark, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A. Hausenblasová, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2014.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.