Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:7899

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
C/14/145813 / FA RK 13-959
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrouw verzoekt nihilstelling kinderalimentatie en partneralimentatie omdat haar inkomsten zijn verminderd. Het verzoek met betrekking tot kinderalimentatie wordt toegewezen. Het inmiddels meerderjarige kind woont thans bij de vrouw, de man verblijft in het buitenland en onbekend is wanneer hij weer in Nederland zal gaan wonen. De vrouw heeft met betrekking tot de kinderalimentatie tevens verzocht voor recht te verklaren dat zij de kinderalimentatie altijd heeft betaald. De vrouw heeft daartoe echter onvoldoende stukken overgelegd, zodat de rechtbank dit verzoek van de vrouw afwijst. Met betrekking tot de partneralimentatie heeft de man geen stukken overgelegd van zijn inkomsten en zijn financiële situatie in 2013. Uit de gegevens die de rechtbank wel van de man heeft ontvangen, maakt de rechtbank op dat de man wel verdiencapaciteit heeft en in staat geacht zou kunnen worden om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Het verzoek van de vrouw om de partneralimentatie met ingang van 1 april 2013 op nihil te stellen wordt dan ook toegewezen. Ook het verzoek van de vrouw om te bepalen dat het teveel aan de man betaalde binnen twee weken door de man aan haar wordt terugbetaald wordt toegewezen. De man heeft dit verzoek niet betwist en bij gebrek aan financiële gegevens over 2013 kan de rechtbank niet beoordelen of de man al dan niet in staat is de onderhoudsbijdrage aan de vrouw terug te betalen. Het verzoek van de vrouw met betrekking tot de limitering van de partneralimentatie wijst de rechtbank af, de vrouw heeft daartoe onvoldoende gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

MKG

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/14/145813 / FA RK 13-959

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 21 mei 2014

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.J. van Lingen, kantoorhoudende te Alkmaar,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C.M.J. Zillikens, kantoorhoudende te Hoorn.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 mei 2013;

- het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 5 juli 2013;

- het bericht met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 12 maart 2014;

- het bericht met bijlagen van de man, ingekomen op 14 maart 2014;

- het bericht van de man, ingekomen op 21 maart 2014, en

- het bericht met bijlagen van de man, ingekomen op 24 maart 2014.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 maart 2014 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. M.J. van Lingen en de man bijgestaan door mr. C.M.J. Zillikens. Ten behoeve van de man is tevens verschenen [tolk], beëdigd tolk Engelse taal. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling een e-mail bericht gericht aan haar advocaat gedateerd op 24 maart 2014 overgelegd.

1.3

Het inmiddels meerderjarige kind van partijen [meerderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2 Internationaal Privaatrecht

2.1

De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Britse nationaliteit. Door de omstandigheid dat de man Brits burger is, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.

2.2

Deze vraag kan in bevestigende zin worden beantwoord nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat de man in Nederland staat ingeschreven.

2.3

Vervolgens komt aan de orde welk rechtsstelsel op de verzoeken van toepassing is.

2.4

Op de verzoeken is het Nederlandse rechtsstelsel van toepassing omdat de man en het kind van partijen in Nederland wonen dan wel staan ingeschreven.

3 Feiten en omstandigheden

3.1

Partijen zijn op 13 juli 1995 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 15 februari 2010 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te Alkmaar van 14 januari 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Uit dit huwelijk is geboren [meerderjarige], op [geboortedatum] in [geboorteplaats].

3.3

In de echtscheidingsbeschikking is hetgeen partijen zijn overeengekomen, zoals vermeld in het aan de beschikking gehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, als herhaald en ingelast beschouwd.

In het echtscheidingsconvenant zijn partijen – voor zover thans van belang – overeengekomen dat de vrouw aan de man een uitkering tot levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) zal betalen van € 3.095,- per maand met ingang van september 2009. Partijen zijn voorts overeengekomen dat bij de vaststelling van de partneralimentatie ervan is uitgegaan dat de man thans onvoldoende eigen inkomsten uit arbeid en/of vermogen heeft. De man zal zich inspannen om inkomen uit arbeid te verkrijgen zodanig dat hij in ieder geval voor een steeds groter gedeelte in zijn eigen onderhoud kan voorzien. Een aldus verworven inkomen leidt tot aanpassing van de partneralimentatie, aldus het convenant.

Met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [meerderjarige] (hierna: kinderbijdrage) zijn partijen overeengekomen dat de vrouw met ingang van september 2009 en zolang [meerderjarige] minderjarig is, € 800,- per maand van de kinderkosten van [meerderjarige] voor haar rekening neemt. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de man en de vrouw een aparte bankrekening zullen openen voor de kosten van [meerderjarige]. De man en de vrouw storten ieder een nader vast te stellen bedrag per maand op deze rekening. Deze rekening zal uitsluitend worden aangewend voor de (duurdere) vaste uitgaven van [meerderjarige], zoals kleding, school, sport, contributies etcetera.

4 Verzoek

4.1

De vrouw heeft in haar inleidende verzoekschrift verzocht de beschikking te wijzigen in die zin dat de kinderbijdrage en de partnerbijdrage worden bepaald op nihil met ingang van 1 april 2013. De vrouw verzoekt voorts de man te veroordelen het teveel door hem ontvangene binnen twee weken na de door de rechtbank te geven beschikking aan de vrouw terug te betalen.

4.2

De vrouw stelt hiertoe dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven. Sinds 5 april 2013 heeft [meerderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw in plaats van bij de man. Daarnaast is het inkomen van de vrouw met ingang van 1 april 2013 drastisch verminderd. De vrouw stelt dat zij geen draagkracht meer heeft om een partnerbijdrage aan de man te betalen.

4.3

In de brief bij de aanvullende stukken die de rechtbank op 12 maart 2014 van de vrouw heeft ontvangen, heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd. Zij verzoekt thans te verklaren voor recht dat de vrouw, overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken, vanaf 14 januari 2010 tot 9 december 2013 volledig in de kosten van verzorging en opvoeding van [meerderjarige] heeft voorzien, althans de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [meerderjarige] vast te stellen op nihil met ingang van 14 januari 2010.

De vrouw vermeerderd haar verzoek daarnaast en verzoekt voorts de bijdrage van de vrouw in het levensonderhoud van de man in tijd te beperken tot een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van echtscheiding.

5 Verweer

5.1

De man heeft verweer gevoerd en verzocht het verzoek van de vrouw met betrekking tot de partnerbijdrage af te wijzen en voor wat betreft de kinderbijdrage af te wijzen met uitzondering van de periode dat [meerderjarige] bij de vrouw woont.

6 Beoordeling

Ontvankelijkheid

6.1

Op grond van artikel 401 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [meerderjarige] met ingang van

5 april 2013 bij de vrouw is gaan wonen. Voorts staat tussen partijen niet ter discussie dat de vrouw met ingang van 1 april 2013 feitelijk gezien niet langer meer werkt bij GNZ B.V. Er is derhalve sprake van wijzigingen van omstandigheden van dien aard dat beoordeeld dient te worden of de door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdragen nog wel aan de wettelijke maatstaven voldoen. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de door haar te betalen onderhoudsbijdragen.

Kinderbijdrage [meerderjarige]

6.2

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vrouw, zolang [meerderjarige] bij haar woont, geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [meerderjarige] aan de man dient te betalen. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat haar bijdrage ten behoeve van [meerderjarige] met ingang van 1 april 2013 op nihil dient te worden gesteld, zal de rechtbank dan ook toewijzen. De man heeft verzocht om bij toewijzing van het verzoek van de vrouw de duur van nihilstelling te beperken tot de periode waarin [meerderjarige] bij de vrouw verblijft.

Nu [meerderjarige] inmiddels meerderjarig is en onbekend is wanneer de man, die thans feitelijk bij zijn broer in Kenia verblijft, definitief naar Nederland zal terugkeren, ziet de rechtbank geen aanleiding de duur van de nihilstelling van de onderhoudsbijdrage te beperken zoals door de man verzocht.

6.3

Met betrekking tot de door de vrouw verzochte verklaring voor recht dat zij overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken vanaf 14 januari 2010 tot 9 december 2013 volledig in de kosten van verzorging en opvoeding van [meerderjarige] heeft voorzien, stelt de rechtbank vast dat de vrouw ter onderbouwing van dit – door de man betwiste – verzoek onvoldoende stukken heeft overgelegd. De vrouw heeft weliswaar bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij vanaf 11 september 2012 tot en met 5 februari 2014 betalingen voor [meerderjarige] heeft gedaan. Uit deze afschriften blijkt echter niet ten behoeve waarvan deze betalingen zijn gedaan, noch of met deze betalingen volledig in de kosten van [meerderjarige] is voorzien. Gelet op de betwisting van de man heeft de vrouw ook haar stelling dat partijen na de echtscheiding zijn overeengekomen dat de vrouw aan de man geen kinderbijdrage ten behoeve van [meerderjarige] zou betalen, maar dat zij rechtstreeks in zijn kosten zou voorzien, onvoldoende onderbouwd.

Voor zover de vrouw heeft bedoeld haar verzoek aan te passen zodanig dat de door haar te betalen kinderbijdrage met ingang van de echtscheiding tussen partijen op nihil dient te worden gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage door wijziging van omstandigheden of anderszins vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet meer aan de wettelijke maatstaven voldeed. Dit verzoek van de vrouw wijst de rechtbank dan ook af.

Partnerbijdrage man

6.4

In haar inleidende verzoekschrift heeft de vrouw aangevoerd dat zij onvoldoende draagkracht had om met ingang van 1 april 2013 de overeengekomen partnerbijdrage nog langer aan de man te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw daarnaast de behoeftigheid van de man betwist. De behoeftigheid is op de zitting vervolgens onderwerp van debat geweest.

6.5

De vrouw heeft gesteld dat de behoefte van de man gelijk is te stellen aan de bijdrage die zij aan hem heeft betaald van € 3.095,- bruto per maand. In verband met de wettelijke indexering bedraagt deze bijdrage thans € 3.221,- per maand. De man heeft zich over de hoogte van zijn behoefte niet uitgelaten, zodat de rechtbank van de door de vrouw gestelde behoefte van de man zal uitgaan.

6.6

Met betrekking tot de behoeftigheid van de man heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat van de man inmiddels mag worden verwacht dat hij volledig zelf in zijn eigen behoefte kan voorzien. De man heeft deze stelling betwist.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat partijen in het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat de man zich zal inspannen om inkomen uit arbeid te verkrijgen zodanig dat hij in ieder geval voor een steeds groter gedeelte in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Deze inspanningsverplichting leidt de rechtbank ook af uit artikel 157 lid 1 van boek 1 BW alwaar is opgenomen dat de rechter een partnerbijdrage kan vaststellen indien de (ex-)echtgenoot niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

De man heeft van zijn inkomen in 2013 geen enkel stuk overgelegd. Daardoor heeft de man het de rechtbank onmogelijk gemaakt te beoordelen of de man nog behoefte heeft aan een (aanvullende) partnerbijdrage van de vrouw. Uit de stukken die de man wel heeft overgelegd, leidt de rechtbank af dat de man wel in staat moet zijn geweest om inkomsten te verwerven.

Uit het curriculum vitae (hierna: c.v.) van de man blijkt dat de man gedurende het huwelijk altijd heeft gewerkt. Het blijkt dat de man van 2010 tot en met 2013 heeft gewerkt in Mo.10. Design B.V. als creative director. De man heeft met betrekking tot deze werkzaamheden verklaard dat deze B.V. zal worden ontbonden en dat de activiteiten sinds 2012 zijn gestaakt. Uit de jaarstukken 2012, die de man als productie 11 bij zijn aanvullende stukken heeft overgelegd, blijkt dat er in deze onderneming in 2011 en 2012 nagenoeg geen resultaat is behaald.

Van 2010 tot en met 2013 heeft de man eveneens als creative director gewerkt bij Lions & Kings B.V. Met betrekking tot deze werkzaamheden heeft de man verklaard dat ook deze B.V. in 2012 haar activiteiten heeft gestaakt. De man heeft daarvan een e-mailbericht overgelegd waaruit blijkt dat de onderneming is gestaakt in verband met de sterk verslechterde marktomstandigheden in 2012. Uit de aangifte inkomstenbelasting van 2012 leidt de rechtbank af dat de man voor zijn werkzaamheden bij Lions & Kings een inkomen heeft ontvangen van € 35.814,- bruto.

Blijkens het c.v. werkt de man thans als creative director bij Shelamu V.O.F. Dit bedrijf legt zich toe op de verkoop van Afrikaanse producten via internet. De V.O.F. is op 13 mei 2011 opgericht. Uit de overgelegde stukken blijkt dat deze V.O.F. in 2011 een verlies heeft gehad van € 1.193,45 en in 2012 van € 536,35. De man heeft verklaard dat hij uit deze onderneming in 2013 nog geen noemenswaardige inkomsten heeft ontvangen.

Uit het c.v. blijkt tot slot dat de man werkzaam is als freelance designer bij Mo.12.De. De man is op deze werkzaamheden in het geheel niet ingegaan.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven dat hij in het verleden altijd via zogenaamde headhunters in de modewereld aan werk is gekomen, dat het zo werkt in de modewereld en dat hij na 2012 geen contact meer met headhunters heeft gehad. Het is zijn bedoeling om via Shelamu V.O.F. inkomsten te verwerven.

Bij het voorgaande komt dat, zoals de man zelf in zijn verweerschrift ook aan de orde heeft gesteld, de vrouw in december 2012 heeft aangegeven dat zij de kinder- en partnerbijdrage niet langer meer kon betalen. Niet is gebleken dat de man sindsdien heeft getracht andere inkomsten te verwerven. Daarbij heeft de man met ingang van 1 april 2013 niet meer de zorg voor [meerderjarige], zodat de man op dat punt niet wordt belemmerd in zijn mogelijkheden om te werken. Tot slot heeft de man geen verklaring gegeven voor de besteding van het bedrag van € 80.000,- dat hij bij de echtscheiding heeft ontvangen.

6.7

Op basis van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man zijn behoeftigheid aan een (aanvullende) partnerbijdrage van de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Gelet op de werkzaamheden die man tijdens het huwelijk en vanaf 2011 heeft verricht, had het op de weg van de man gelegen werkzaamheden te zoeken dan wel te realiseren waarmee hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Dit geldt eens te meer voor de situatie nadat de vrouw de man heeft aangegeven dat zij niet langer meer in staat zou zijn om de kinder- en partnerbijdrage aan de man te betalen. Dat de man thans niet langer in Nederland verblijft, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat de man heeft aangegeven naar Nederland te willen terugkeren en niet gebleken is dat de man in Nederland niet zou kunnen solliciteren naar een dienstbetrekking. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank het verzoek van de vrouw te bepalen dat de partnerbijdrage op nihil wordt gesteld dan ook toewijzen.

6.8

De vrouw heeft verzocht de partnerbijdrage met ingang van 1 april 2013 op nihil te stellen. Op grond van artikel 402 van boek 1 BW stelt de rechter, bij wijziging van een onderhoudsbijdrage, tevens de dag vast waarop de wijziging dient in te gaan. De rechter heeft daarbij een grote mate van vrijheid. Bij wijziging van een bijdrage in het verleden dient echter behoedzaam gebruik te worden gemaakt. De rechtbank dient te beoordelen in hoeverre het in redelijkheid van de man kan worden verlangd dat hij gehouden is tot terugbetaling van hetgeen in overeenstemming met de behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven. Nu de man de rechtbank geen inzage heeft gegeven in zijn inkomen in 2013 noch in zijn financiële situatie in het algemeen, kan de rechtbank niet beoordelen of het van de man kan worden gevergd dat hij de reeds betaalde partnerbijdrage aan de vrouw terugbetaald. Aangezien deze omstandigheid aan de man zelf te wijten is, ziet de rechtbank aanleiding om de partnerbijdrage met terugwerkende kracht tot 1 april 2013 te wijzigen. Voor zover de vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man wordt veroordeeld om het teveel door hem ontvangene binnen twee weken na de onderhavige beschikking aan de vrouw terug te betalen, zal de rechtbank, op grond van voornoemde omstandigheden, ook dit verzoek toewijzen.

6.9

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om haar bijdrage in het levensonderhoud van de man in tijd te beperken tot een periode van vijf jaren, ziet de rechtbank op grond van de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden geen aanleiding. Aan de overige verzoeken van de vrouw dan wel de standpunten van partijen met betrekking tot de draagkracht van de vrouw komt de rechtbank, gelet op het vorenstaande niet toe.

7 Beslissing

De rechtbank:

7.1

Bepaalt met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 14 januari 2010 en met wijziging in zoverre van het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan de door de vrouw aan de man te betalen kinderbijdrage voor [meerderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], op nihil met ingang van 1 april 2013.

7.2

Bepaalt met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 14 januari 2010 en met wijziging in zoverre van het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant de door de vrouw aan de man te betalen partnerbijdrage op nihil met ingang van 1 april 2013.

7.3

Bepaalt dat de man het teveel door hem ontvangene binnen twee weken na de onderhavige beschikking aan de vrouw dient terug te betalen.

7.4

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

7.5

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. Knoop-Gerritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2014.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.