Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:7824

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
15/713067-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor verkrachting en belaging ex-partner. Verklaring aangeefster betrouwbaar beoordeeld. Verklaring verdachte ongeloofwaardig geacht. Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met oplegging bijzondere voorwaarden. Vordering immateriële schade benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/713067-13 (P)

Uitspraakdatum: 13 augustus 2014

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 oktober 2013 en 30 juli 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende op het adres[adres verdachte].

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij interlocutoir vonnis van 25 oktober 2013 het onderzoek ter terechtzitting heropend om[slachtoffer] en [getuige] door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank nader als getuigen te doen horen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Visser en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar en zijn (opvolgend) raadsvrouw, mr. E.F.E. Hoekstra, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 01 september 2012 te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

-zijn penis gebracht in de vagina van die [slachtoffer] en/of

-zijn vinger(s) gebracht in de vagina van die [slachtoffer] en/of

-de vagina van die [slachtoffer] gelikt

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

-die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of op een bank heeft geduwd en/of

-die [slachtoffer] (meermalen) over de grond heeft getrokken en/of gesleurd en/of

-de onderbroek van die [slachtoffer] (met geweld) omlaag en/of [gedeeltelijk] uit heeft getrokken en/of

-een gevecht of worsteling met die [slachtoffer] is aangegaan en/of

-met zijn knieën op de bovenarmen van die [slachtoffer] is gaan zitten en/of

-de hand/pols van die [slachtoffer] met een riem op haar rug heeft gebonden en/of

-(nadat die [slachtoffer] zich had opgesloten in het toilet) tegen die [slachtoffer] heeft geschreeuwd dat hij haar zou vermoorden als ze de deur niet zou openen en vervolgens de deur van het toilet heeft geopend met een mes, althans een voorwerp

zulks terwijl die [slachtoffer] zich (daarbij) heeft verzet door te slaan en/of te schoppen en/of te duwen tegen en/of in de richting van verdachte en/of zich los te rukken van verdachte en (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 22 oktober 2012 op meerdere tijdstippen te Anna Paulowna (gemeente Hollands Kroon) en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van[slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte gedurende bovengenoemde periode genoemde [slachtoffer] zeer veelvuldig gebeld en/of zeer veel sms-berichten verzonden en/of meerdere berichten per mail verzonden en/of zich een of meermalen (heimelijk) bevonden in de tuin van en/of nabij de woning van die [slachtoffer].

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Op 1 september 2012 omstreeks 06.18 uur ontving de politie een telefonische melding van [slachtoffer]dat zij net was verkracht door haar ex-vriend, [verdachte]. Zij is naar het politiebureau gegaan en na een informatief gesprek en een medisch forensisch onderzoek heeft zij op 6 september 2012 aangifte gedaan.

Op 20 oktober 2012 heeft [slachtoffer] ook aangifte gedaan van stalking door haar ex-vriend [verdachte]. Volgens aangeefster heeft hij haar sinds de verkrachting op 1 september 2012 veelvuldig gebeld en berichten gestuurd en heeft hij ook bij haar in de tuin gestaan.

De rechtbank heeft de vraag te beantwoorden of zij op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting en belaging [slachtoffer].

4 Bewijs

4.1.

Bewijs ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

4.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit, met dien verstande dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken,
te weten van de laatste twee gedachtestreepjes, inhoudende het vastbinden met een riem en het openen van de toiletdeur.

4.1.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw van verdachte heeft ter onderbouwing van dit standpunt onder meer aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft aangegeven dat hij seks heeft gehad met aangeefster, maar dat dit vrijwillig is gebeurd. Hij ontkent de dwang en het geweld. Voorts bevat de verklaring van aangeefster onjuistheden en tegenstrijdigheden en wordt haar verklaring niet door andere bewijsmiddelen ondersteund.

4.1.3.

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

[slachtoffer] heeft in haar aangifte van verkrachting aangegeven dat verdachte op 1 september 2012 in haar achtertuin stond en knijpers tegen haar raam gooide.2 Aangeefster is woonachtig in Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon.3 Het was na 03.00 uur ’s nachts.4 Zij had verdachte uiteindelijk binnengelaten Zij droeg op dat moment enkel een shirt en een onderbroek.5 Verdachte deed de achterdeur op slot met de sleutel en deed de haken erop. Verdachte pakte haar vast om haar te kunnen zoenen, maar aangeefster wilde dat niet. Hij heeft haar opgepakt naar de bank. Tijdens de worsteling naar de bank, heeft verdachte haar onderbroek naar beneden gekregen. Op de bank heeft zij geschopt en geslagen. Aangeefster heeft verklaard dat zij alles heeft geprobeerd om hem van haar af te krijgen. Verdachte heeft haar op de bank gevingerd en haar ook gebeft. Aangeefster lag op haar rug en was aan het schoppen en slaan. Verdachte pakte haar benen vast. Omdat hij haar benen niet uit elkaar kreeg, ontstond een gevecht.6 Op het moment dat zij een been los kreeg, is hij met zijn vinger of vingers in haar vagina geweest. Tijdens de daaropvolgende worsteling heeft aangeefster verdachte in zijn kruis geschopt. Hierop pakte verdachte aangeefster bij haar rechterenkel en trok haar hiermee onderuit. Verdachte sleurde aangeefster aan haar enkels naar het speelkleed. Aangeefster kon verdachte wegduwen.

Nadat aangeefster was opgestaan, pakte verdachte haar direct op en bracht hij haar weer naar de bank. Er ontstond weer een worsteling. Aangeefster was kwaad en verdrietig en bleef verdachte van zich afslaan. Tijdens de worsteling kwam aangeefster hard op de grond met haar nek op de leuning. Vervolgens lag zij weer op het speelkleed en pakte verdachte zijn riem. Verdachte is vervolgens met zijn knieën op haar bovenarmen gaan liggen en deed zijn riem om haar rechterpols. Verdachte deed de riem met haar hand achter op haar rug. Er ontstond weer een worsteling, omdat aangeefster haar benen bij elkaar hield op het moment dat verdachte seks met haar wilde hebben. Aangeefster riep dat verdachte van haar af moest gaan. Hij wilde haar zoenen en had haar zodanig vast dat zij geen kant op kon. Aangeefster heeft verdachte hierop een klap in zijn gezicht gegeven. Verdachte heeft aangeefster vervolgens met de vlakke hand hard op de linkerzijde van haar gezicht en oor geslagen.7

Nadat aangeefster naar het toilet was gevlucht, trok verdachte haar aan haar polsen van het toilet. Zij werd meegesleurd naar de woonkamer.8 Verdachte is uiteindelijk met zijn penis in haar vagina gekomen. Hij had, aldus aangeefster, echt seks met haar. Hij heeft haar in verschillende houdingen weten te leggen. Hij hield haar met een hand op haar rug vast en heeft haar van achteren vaginaal genomen. Verdachte is meerdere keren met zijn penis in en uit haar vagina gegaan.9

Nadat verdachte het huis van aangeefster had verlaten, heeft deze haar vriendin [getuige][getuige][getuige] gebeld. [getuige] heeft haar onder meer geadviseerd de politie te bellen, hetgeen aangeefster heeft gedaan.10

Verbalisant [verbalisant] hoorde van een medewerkster van de meldkamer omstreeks 06:10 uur dat meldster verkracht was, dat zij fluisterde en dat zij behoorlijk overstuur was. Op het moment dat [slachtoffer] was aangekomen op het politiebureau te Schagen, zag verbalisant [verbalisant] dat zij blote benen had, een jas droeg, haar make-up was uitgelopen en zij meteen begon te huilen. Zij hoorde [slachtoffer] zeggen dat zij zo was weggevlucht en geen ondergoed aan had. Later zag verbalisant [verbalisant] dat [slachtoffer] alleen een topje onder haar jas droeg. Zij hoorde [slachtoffer] continu fluisteren, omdat zij bang was dat de dader haar zou horen. [slachtoffer] barstte herhaaldelijk in huilen uit.11

Getuige[getuige] heeft zowel ten overstaan van de politie als ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard, dat [slachtoffer] haar op 1 september 2012 rond 05.30 uur heeft gebeld en dat zij hyperventileerde. [slachtoffer] was overstuur en [getuige] kon haar hierdoor niet goed verstaan. In horten en stoten heeft [slachtoffer] verteld dat zij verkracht was. [getuige] heeft aangeefster geadviseerd naar de politie te gaan.12 Aangeefster vertelde [getuige] dat het [verdachte] was.13

Naar aanleiding van het medisch forensisch onderzoek op 1 september 2012 is gebleken dat [slachtoffer] diverse lichte letsels had, onder meer bestaande uit een dwars kraseffect van 2 cm lang onder de rechterborst, drie lineaire kraseffecten van 3 tot 6 cm lang op de linker bovenbuik, schaafwonden op de knieën, een licht verschijnsel van een kneuzing op de linkerdij, roodheid van schaving en schaafwonden op linker- resp. rechtervoet, roodheid en een lichte zwelling over een gebied van 6 cm doorsnee op de overgang van rug/nek, diverse oppervlakkige schaafwonden over een gebied van 8 cm doorsnede rondom de linker elleboog en een lichte kneuzing en zwelling op de rechter elleboogpunt.14

Blijkens het proces-verbaal d.d. 4 november 2012 is op een geluidsfragment van een opgenomen telefoongesprek tussen verdachte en aangeefster op 20 oktober 2012 onder meer te horen dat verdachte tegen aangeefster zegt: “Ik ben er ziek van wat er gebeurd is.”. Op de vraag van aangeefster wat er dan volgens hem is gebeurd, antwoordt verdachte: “Nou ja, dat weet je en dat had ik nooit mogen doen.”. Als aangeefster aangeeft dat hij het uit moet spreken, reageert hij: “Nee, dat ga ik niet over de telefoon doen.”. Verder zegt verdachte: “Waarom ik dat nou weer gedaan heb, weet ik ook niet.” en “Ik had je nooit met een vinger aan mogen raken.”.15

Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 juli 2014 verklaard dat hij in de nacht van 31 augustus 2012 op 1 september 2012, na 03.00 uur, in de tuin van aangeefster heeft gestaan en knijpers tegen haar raam heeft gegooid. Tevens heeft hij verklaard die nacht seks met aangeefster te hebben gehad.16

4.1.4.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop dat op grond van de verklaringen van aangeefster en de uiteindelijke verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte op 1 september 2012 seks heeft gehad met aangeefster [slachtoffer].

In weerwil van hetgeen verdachte daarover uiteindelijk heeft verklaard is de rechtbank van oordeel dat hij hierbij middels geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van onder meer het seksueel binnendringen van haar lichaam.

In dit kader neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer] gedetailleerd heeft verklaard over de aanloop naar en over de uiteindelijke verkrachting door verdachte. Zij heeft uitgebreid verklaard wat er op 1 september 2012 in haar woning is gebeurd en welke handelingen er met haar zijn verricht. Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze verklaring ondersteund door de verklaring van [getuige], inhoudende dat [slachtoffer] haar direct na de verkrachting heeft gebeld, dat zij erg overstuur was en dat zij heeft verteld te zijn verkracht door verdachte. Voorts vindt de rechtbank steun voor de verklaring van [slachtoffer] in het feit dat zij met ontbloot onderlijf en erg overstuur op het politiebureau is verschenen en zowel tijdens haar melding als tijdens het eerste gesprek op het politiebureau fluisterend haar verhaal heeft gedaan. Tevens is er diezelfde dag door een forensisch arts een opvallende serie letsels geconstateerd, onder meer op haar knie, voeten en ellebogen, welke letsels passen bij de beschrijving van de feiten door [slachtoffer].

Ten aanzien van het verweer van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer], overweegt de rechtbank het volgende. Aanvankelijk heeft [slachtoffer] tegenover [getuige] anders verklaard over de manier waarop verdachte in haar woning is binnengekomen. [getuige] heeft blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2014, in haar getuigenverklaring ten overstaan van de politie echter zelf aangegeven te twijfelen aan de door [slachtoffer] aanvankelijk genoemde manier van binnenkomst van verdachte, maar voor het overige heeft zij geen moment getwijfeld aan aangeefsters verklaring tegenover haar. Aangeefster zelf heeft zowel tijdens het informatieve gesprek dat korte tijd na aankomst op het politiebureau met haar is gevoerd, als tijdens haar aangifte op 6 september 2012 aangegeven zelf verdachte te hebben binnengelaten. Als verklaring voor de andersluidende mededeling over binnenkomst van verdachte in de woning tegenover [getuige] heeft aangeefster hiervoor later bij de rechter-commissaris aangegeven dat zij zich tegenover haar vriendin [getuige] schaamde voor het feit dat zij verdachte ’s nachts in de woning heeft binnengelaten. De rechtbank acht dit aannemelijk, te meer nu uit de verklaring van [getuige] bij de politie volgt dat zij aangeefster al vaker had geadviseerd het contact met verdachte te verbreken, maar aangeefster de relatie desondanks heeft voortgezet.

Anders dan de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het feit dat [slachtoffer] aanvankelijk tegenover [getuige] anders heeft verklaard over de manier waarop verdachte in haar woning is binnengekomen, dit de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de inhoud van haar verklaring niet aantast. Daarnaast draagt het feit dat [getuige] haar twijfels direct in haar verhoor bij de politie heeft geuit eraan bij dat ook deze verklaring authentiek en geloofwaardig overkomt.

Voorts vindt de rechtbank ondersteuning voor hetgeen hiervoor is overwogen in onaannemelijkheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen van verdachte.

Verdachte heeft aanvankelijk bij zijn tweede en derde verhoor op 23 oktober 2012 verklaard dat hij in september, respectievelijk in de nacht van 31 augustus 2012 op 1 september 2012 wel bij [slachtoffer] in de tuin te hebben gestaan om zijn spullen, waaronder het boeddhabeeld, op te halen, maar dat hij niet binnen is geweest en ook geen seks met haar heeft gehad.

Tijdens zijn vierde verhoor op 23 oktober 2012 heeft hij verklaard dat zij in de nacht van 23 augustus 2012 op 24 augustus 2012 voor de laatste keer seks hebben gehad, dat hij in de nacht van 31 augustus 2012 op 1 september 2012 niet binnen is geweest en dat zij laatstgenoemde nacht geen seks hebben gehad. Verdachte kwam die nacht het beeld halen en aangeefster had dat buiten gezet.

Tijdens zijn vijfde verhoor op 24 oktober 2012 blijft verdachte bij zijn verklaring dat hij op 1 september 2012 niet binnen is geweest en geen seks met [slachtoffer] heeft gehad.

Pas tijdens het zesde verhoor op 24 oktober 2012 en na het uitdrukkelijk voorhouden van de aangifte van [slachtoffer], verklaart verdachte toch in de nacht van 31 augustus 2012 op 1 september 2012 in de woning van [slachtoffer] binnen te zijn geweest en seks met haar te hebben gehad. Die nacht had aangeefster volgens verdachte spullen uit het raam gegooid en het boeddhabeeld dat hij kwam ophalen voor hem buiten gezet. Ter terechtzitting van 11 oktober 2013 blijft verdachte bij die verklaring, zij het dat er geen spullen uit het raam zouden zijn gegooid die nacht, en ook geeft hij aan dat hij rond 00.00 uur bij aangeefster heeft aangeklopt aan de achterdeur. Ter terechtzitting van 30 juli 2014 heeft verdachte verklaard dat hij op 1 september 2012 naar de woning van [slachtoffer] is gegaan om wat spullen van zijn overleden moeder op te halen, niet zijnde het boeddhabeeld, en dat hij inderdaad die nacht seks met haar heeft gehad. Verdachte zou volgens deze laatste verklaring rond 03.00 uur naar de woning van aangeefster zijn toe gegaan en knijpers tegen haar raam hebben gegooid.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 11 oktober 2013 heeft verdachte verklaard dat hij aanvankelijk heeft ontkend de bewuste nacht in de woning van [slachtoffer] te zijn geweest en seks met haar te hebben gehad, omdat hij teveel op zijn bordje had liggen en zijn moeder net was overleden. Ter terechtzitting van 30 juli 2014 heeft verdachte verklaard dat hij communicatieproblemen ervaart door zijn dyslexie, dat hij daardoor data slecht kan onthouden en dat hij tijdens zijn eerste verhoren druk heeft ervaren.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze verschillende redenen de stellige en constante ontkenning van verdachte tijdens de eerdere verhoren niet verklaren, nu de politie tijdens de verhoren – los van de data – uitdrukkelijk duidelijk heeft gemaakt over welke nacht het ging en uitdrukkelijk heeft gevraagd naar de laatste keer seks met [slachtoffer].

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze uitdrukkelijk ontkennende en onderling tegenstrijdige verklaringen van verdachte zodanig onaannemelijk en inconsistent, dat zij de verklaring van verdachte, dat de seks in die bewuste nacht op vrijwillige basis heeft plaatsgevonden, volstrekt ongeloofwaardig acht.

Tot slot vindt de rechtbank ondersteuning voor hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het gedwongen karakter van de seks in hetgeen verdachte heeft gezegd tegen [slachtoffer] in het door haar opgenomen telefoongesprek van 20 oktober 2012. Hij heeft immers tegen haar gezegd dat hij ziek was van hetgeen is gebeurd, dat hij dat nooit had mogen doen, dat hij niet weet waarom hij het heeft gedaan, dat hij haar nooit met een vinger aan had mogen raken en dat hij het niet over de telefoon wil bespreken.

De ongeloofwaardige verklaringen van verdachte met betrekking tot de bewuste nacht in samenhang bezien met voornoemd opgenomen telefoongesprek, dragen bij aan de overtuiging van de rechtbank dat verdachte dit feit heeft gepleegd.

Conclusie

Op grond van de inhoud van voornoemde gebezigde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte[slachtoffer]op 1 september 2012 heeft verkracht door haar middels geweld en andere feitelijkheden te dwingen tot het ondergaan van het brengen van zijn penis in haar vagina, het brengen van zijn vinger(s) in haar vagina en het likken van haar vagina.

Gelet op de verklaring van [slachtoffer] ten overstaan van de rechter-commissaris op 13 januari 2014 zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van het laatste gedachtestreepje, inhoudende dat hij tegen [slachtoffer] heeft geschreeuwd dat hij haar zou vermoorden als ze de deur van het toilet niet zou openen en dat hij de deur van het toilet heeft geopend met een mes.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het gedachtestreepje inhoudende het binden met een riem van de hand van [slachtoffer] op haar rug, wel wettig en overtuigend bewezen, nu [slachtoffer] over dit door haar als detail beschreven onderdeel in haar aangifte gedetailleerd en consistent heeft verklaard.

4.2.

Bewijs ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

4.2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.2.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw van verdachte heeft ter onderbouwing van dit standpunt onder meer aangevoerd dat er geen sprake is van wederrechtelijkheid, nu aangeefster zelf ook wel eens het initiatief nam tot contact met verdachte en zij spullen van verdachte onder zich had die zij niet terug wilde geven. Verdachte heeft verklaard in de ten laste gelegde periode contact met aangeefster te hebben gezocht, omdat hij de sjaaltjes van zijn overleden moeder, die nog bij aangeefster zouden liggen, terug wilde hebben.

4.2.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 20 oktober 2012 heeft [slachtoffer], woonachtig te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon, aangifte gedaan van stalking door verdachte. Sinds de verkrachting op 1 september 2012 heeft aangeefster verdachte niet meer gezien. Hij bleef echter contact met haar zoeken. Hij belde en stuurde sms-berichten. Soms was het zo dat hij binnen een periode van drie uur twintig keer belde.17 Aangeefster heeft tweemaal haar mobiele telefoonnummer veranderd, maar verdachte heeft ook via haar nieuwe telefoonnummers contact gezocht.18 Verdachte heeft ook meerdere malen met een afgeschermd cq. anoniem nummer contact opgenomen met aangeefster, zowel via haar mobiele telefoonnummer als haar huistelefoonnummer.19 Verdachte mailde aangeefster ook naar haar e-mailadres.20

Aangeefster heeft verklaard dat zij, als zij zijn telefoontjes wel eens opnam, steeds zei dat hij haar met rust moest laten en dat hij haar niet meer moest bellen en sms’en.21 Volgens aangeefster reageerde zij niet op de berichten zelf, maar op het feit dat hij haar steeds weer belde. Zij wilde met rust gelaten worden.22 Aangeefster heeft aangegeven er bang van de worden.23

Middels de klacht van aangeefster d.d. 20 oktober 2012 heeft zij uitdrukkelijk verzocht om vervolging van verdachte.24

Op 8 november 2012 is aangeefster [slachtoffer] nogmaals verhoord. Zij heeft verklaard dat het contact zoeken door verdachte na haar aangifte op 20 oktober 2012 verder is gegaan. Hij heeft haar gebeld en e-mailberichten verstuurd. Volgens aangeefster heeft verdachte haar 21 e-mailberichten gestuurd waarin hij haar wist te vertellen wat zij aan had en wat zij aan het doen was.25

Zij heeft verdachte zien lopen, toen zij door haar slaapkamerraam aan de achterzijde van haar woning keek. Zij zag hem lopen met een mobiel in zijn handen en op dat moment ontving zij een e-mailbericht van hem. Vervolgens heeft zij 112 gebeld.26 Op 22 oktober 2012 heeft verdachte voor de laatste keer contact gezocht met aangeefster.27

Blijkens het proces-verbaal d.d. 4 november 2012 is op een geluidsfragment van een opgenomen telefoongesprek tussen verdachte en aangeefster op 20 oktober 2012 onder meer te horen dat verdachte tegen aangeefster zegt dat hij met haar wil praten en dat hij haar mist. Hierop heeft aangeefster gereageerd dat zij hem bij deze nogmaals wil vragen om geen contact meer met haar op te nemen, haar met rust te laten, haar niet meer te bellen en haar niet meer te e-mailen.28 Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat verdachte op 20 oktober 2012, na voornoemd telefoongesprek, via zijn telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] 19 e-mailberichten via MMS heeft verzonden aan aangeefster in de periode van 19.52 uur en 20.31 uur. Deze berichten hadden onder meer de volgende inhoud: “Zoek je wat [slachtoffer].”, “Ik weet dat je het leest. Geef antwoord.”, Mooi zwart.” en “Ga zit. Niet zo druk doen ok.”.29

Naar aanleiding van voornoemd telefoongesprek en de inhoud van de e-mailberichten via de MMS op 20 oktober 2012 heeft [slachtoffer] 112 gebeld. Hierop is een verbalisant naar haar woning gegaan en zag dat [slachtoffer] verschrikt en angstig was. Zij verklaarde dat verdachte haar berichtjes had gestuurd dat hij kon zien waar ze op dat moment in huis was en wat ze aan had. Zij vermoedde dat verdachte zich nabij haar woning bevond.30

Blijkens controle van de historische gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] op naam van verdachte, bleek dat met dit nummer in de periode van 30 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012 239 keer gebeld was naar het mobiele telefoonnummer in gebruik bij aangeefster, dat met dit nummer in de periode van 20 september 2012 tot en met 22 oktober 2012 28 keer gebeld was naar het huistelefoonnummer in gebruik bij aangeefster en dat met dit nummer op 20 oktober 2012 tussen 19.50 uur en 20.36 uur 21 e-mailberichten en 3 MMS-berichten zijn verstuurd.31

Ten overstaan van de politie heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster e-mailberichten heeft gestuurd met onder meer de vraag of zij alleen was en even kon bellen. Hij wilde praten, maar dat wilde zij niet.32

Ter terechtzitting van 11 oktober 2013 heeft verdachte verklaard dat zijn mobiele telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] is, dat het klopt dat hij [slachtoffer] in voornoemde periode 239 keer heeft gebeld op haar mobiele nummer, dat het klopt dat hij haar in voornoemde periode 28 keer heeft gebeld op haar huistelefoonnummer, dat zij wilde dat hij haar niet meer belde, dat zij een paar keer heeft gezegd dat hij moest stoppen en dat hij het nu niet meer kan terugdraaien.33


Ter terechtzitting van 30 juli 2014 heeft verdachte verklaard dat het klopt dat hij op 20 oktober 2012 aan de achterzijde van de woning van [slachtoffer] heeft gestaan.34

4.2.4.

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het maken van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] wel degelijk wederrechtelijk is geweest. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de aard, duur, frequentie en indringendheid van het contact zoeken door verdachte zodanig was, dat niet aannemelijk is geworden dat dit enkel om het terug willen van de sjaaltjes van zijn overleden moeder is geweest. Daarnaast heeft verdachte zich ook (heimelijk) in de tuin en/of nabij de woning van [slachtoffer] bevonden. Dit door de verdediging gevoerde verweer strandt derhalve reeds vanwege de aard van en de hoeveelheid bewezenverklaarde gedragingen en wordt daarom verworpen.

Uit vorenstaande bewijsmiddelen blijkt van het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], waarbij verdachte het oogmerk had [slachtoffer] te dwingen iets te dulden, namelijk het dulden van zijn telefoontjes, sms-berichten en e-mailberichten, en vrees aan te jagen, namelijk door zich (heimelijk) in haar tuin en/of in de nabijheid van haar woning te bevinden en haar berichten te sturen waaruit zij kon opmaken dat hij haar in de gaten hield.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte zich vanaf de verkrachting op 1 september 2012 tot en met 22 oktober 2012 heeft schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer].

4.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 1 september 2012 te Anna Paulowna, gemeente Hollands Kroon, door geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- zijn penis gebracht in de vagina van die [slachtoffer] en

- zijn vinger(s) gebracht in de vagina van die [slachtoffer] en

- de vagina van die [slachtoffer] gelikt

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en op een bank heeft geduwd en

- die [slachtoffer] meermalen over de grond heeft gesleurd en

- de onderbroek van die [slachtoffer] [gedeeltelijk] uit heeft getrokken en

- een worsteling met die [slachtoffer] is aangegaan en

- met zijn knieën op de bovenarmen van die [slachtoffer] is gaan zitten en

- de hand/pols van die [slachtoffer] met een riem op haar rug heeft gebonden

zulks terwijl die [slachtoffer] zich daarbij heeft verzet door te slaan en te schoppen en te duwen tegen verdachte

en (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

feit 2:

hij in de periode van 1 september 2012 tot en met 22 oktober 2012 op meerdere tijdstippen te Anna Paulowna (gemeente Hollands Kroon) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van[slachtoffer] met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte gedurende bovengenoemde periode genoemde [slachtoffer] zeer veelvuldig gebeld en zeer veel sms-berichten verzonden en meerdere berichten per mail verzonden en zich (heimelijk) bevonden in de tuin van en/of nabij de woning van die [slachtoffer].

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: verkrachting;

feit 2: belaging.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig (42) maanden met aftrek, waarvan twaalf (12) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren. Daarbij heeft zij gevorderd als bijzondere voorwaarden op te leggen dat verdachte zich gedurende de proeftijd blijft melden zo frequent als Reclassering Nederland dit nodig acht, dat verdachte een gedragsinterventie (de BORG-training) volgt en dat verdachte deelneemt aan een intake en een eventueel daaruit volgende behandeling bij de Dienst Forensische Psychiatrie (DFP), indien dit door Reclassering Nederland noodzakelijk wordt geacht. Tevens heeft zij gevorderd een locatieverbod voor de [adres slachtoffer] en een contactverbod met[slachtoffer] op te leggen.

Tot slot heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd van het reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden.


7.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich (voorgeval de ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard) op het standpunt gesteld dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop tussen de ten laste gelegde feiten en de tweede behandeling ter terechtzitting matigend dienen te werken op de op te leggen straf. Zij heeft verzocht niet een gevangenisstraf op te leggen, maar een andere strafmodaliteit zoals een werkstraf te hanteren.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig zedenmisdrijf. Hij heeft in de nacht van 31 augustus 2012 op 1 september 2012 zijn ex-vriendin verkracht. Hij heeft hierbij niet geschroomd aanzienlijk geweld te gebruiken en is, ondanks haar verzet, op meerdere manieren seksueel binnengedrongen in haar lichaam. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit en persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. Het is van algemene bekendheid dat slachtoffers van degelijke feiten daarvan nog lange tijd de nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Hier komt bij dat verdachte dit feit heeft begaan in de woning van het slachtoffer zelf.


Voorts heeft verdachte zich vanaf het moment van de verkrachting op 1 september 2012 schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] door haar, ondanks haar verzoeken te stoppen, stelselmatig te bellen, sms- en e-mailberichten te sturen en zich (heimelijk) in haar tuin en/of nabij haar woning te bevinden. Het slachtoffer heeft veel last en hinder ondervonden van deze inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft laten zien geen oog te hebben voor de persoon en de belangen van het slachtoffer. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Hoe ingrijpend de gevolgen van deze feiten in dit geval zijn geweest, blijkt op indringende wijze uit de ter terechtzitting van 11 oktober 2013 voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, waaruit naar voren komt dat het slachtoffer nog steeds kampt met psychische en psycho-somatische klachten. Het handelen van verdachte, in de combinatie van beide strafbare feiten, heeft bij [slachtoffer] langdurige gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een vrijheidsbenemende straf als straf in aanmerking.

Voorts heeft de rechtbank met betrekking tot de persoon van verdachte in het bijzonder gelet op:

  • -

    het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 25 juni 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet recent en onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten en

  • -

    het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 21 mei 2013 van G. Lautenbag als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

    Uit dit rapport blijkt onder meer dat de reclassering, mede gelet op het gegeven dat verdachte twee relaties heeft gehad die moeizaam verliepen, vermoedt dat de sociale en interpersoonlijke vaardigheden van verdachte te kort schieten om adequaat om te gaan met spanningen binnen de relatie. Door zijn ontkennende houding is moeilijk in te schatten welke problematiek ten grondslag ligt aan zijn gedrag. De reclassering acht de kans op het ontstaan van relationele problematiek in de toekomst aanwezig.
    Hoewel Reclassering Nederland zich onthoudt van advies over een op te leggen sanctie, rapporteert de reclassering dat bij een veroordeling vanwege de ernst van de feiten, de bijzondere voorwaarden inhoudende een meldplicht en het volgen van een gedragsinterventie (de BORG-training) geïndiceerd zijn. Tijdens een reclasserings-toezicht zou verdachte de aanwijzing kunnen krijgen om deel te nemen aan een intake en eventueel daaruit volgende behandeling bij de Dienst Forensische Psychiatrie.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Ten aanzien van de duur van de op te leggen sanctie heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met het tijdsverloop tussen het begaan van de feiten en de behandeling ter terechtzitting van 30 juli 2014.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Bovendien zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden koppelen, zoals gevorderd door de officier van justitie, met uitzondering van het locatieverbod. De rechtbank ziet voor dit laatste geen aanleiding, nu al bijna twee jaren geen sprake meer is van ongewenste bezoeken en nu daarnaast het doel nu voldoende wordt bereikt door het op te leggen contactverbod.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om de dadelijke uitvoerbaarheid van de op te leggen voorwaarden te bevelen, nu niet aan de wettelijke eisen daarvoor is voldaan. Gelet op de justitiële documentatie van en het reclasseringsrapport omtrent verdachte kan niet worden geoordeeld dat er ernstig rekening moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De gemachtigde, mr. M.R. Bruins als voorgangster van mr. A. Koopsen, van benadeelde partij [slachtoffer]heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.600,- ingediend wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 oktober 2013 (zijnde de datum van indiening van de vordering van de benadeelde partij) tot aan de dag der algehele voldoening.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van immateriële schade billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Op grond van de thans beschikbare gegevens schat de rechtbank de immateriële schade op minst genomen een bedrag van € 4.000,-. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 oktober 2012 (zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode van feit 2) tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank heeft bij de vaststelling van de hoogte van dit bedrag acht geslagen op de thans bekende gegevens en vergeleken met min of meer soortgelijke gevallen.
De behandeling van het resterende gedeelte van de vordering immateriële schade levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet zal worden ontvangen.

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een totaalbedrag van € 4.100,- vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 100,- vanaf 7 oktober 2013 en over het bedrag van € 4.000,- vanaf 22 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: verkrachting en belaging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 242 en 285b van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIERENTWINTIG (24) MAANDEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot acht (8) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

  • -

    zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland. Verdachte is verplicht zich te melden zo vaak en zo frequent als deze instelling dit gedurende de proeftijd nodig acht;

  • -

    een gedragsinterventie zal volgen (de BORG-training);

  • -

    deel zal nemen aan een intake en een eventueel daaruit volgende behandeling bij de Dienst Forensische Psychiatrie (DFP), indien dit door Reclassering Nederland noodzakelijk wordt geacht en

  • -

    gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer[slachtoffer];

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij[slachtoffer][slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 4.100,- (zegge: vierduizend honderd euro), bestaande uit € 100,- aan materiële en € 4.000,- aan immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 oktober 2013 respectievelijk 22 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, aan[slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer][slachtoffer]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.100,- (zegge: vierduizend honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 oktober 2013 (over € 100,-) respectievelijk 22 oktober 2012 (over € 4.000,-) tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door eenenvijftig (51) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. E.M. ten Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.R. Mol, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 6 september 2012 (dossierpagina 79 en 81).

3 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 6 september 2012 (dossierpagina 73).

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige[slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 13 januari 2014 (blad 5, los opgenomen).

5 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 6 september 2012 (dossierpagina 81).

6 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 6 september 2012 (dossierpagina 82).

7 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 6 september 2012 (dossierpagina 83).

8 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 6 september 2012 (dossierpagina 83).

9 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 6 september 2012 (dossierpagina 84).

10 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 6 september 2012 (dossierpagina 85).

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2012 (dossierpagina 12).

12 Het proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige] d.d. 18 september 2012 (dossierpagina 157) en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 13 januari 2014 (blad 2, los opgenomen).

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 13 januari 2014 (blad 2 los opgenomen).

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een onderzoek zedendelicten d.d. 1 september 2012door Forensisch Arts P.T. Bet (dossierpagina’s 105-106).

15 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2012 (dossierpagina 135).

16 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2014.

17 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 20 oktober 2012 (dossierpagina 124 en 125).

18 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 20 oktober 2012 (dossierpagina’s 128-129 ).

19 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 20 oktober 2012 (dossierpagina’s 128 en 129).

20 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 20 oktober 2012 (dossierpagina 131).

21 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer]d.d. 20 oktober 2012 (dossierpagina 125).

22 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer] d.d. 20 oktober 2012 (dossierpagina 128).

23 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 20 oktober 2012 (dossierpagina 131).

24 Het proces-verbaal van ontvangst van klacht door hulpofficier van justitie d.d. 20 oktober 2012 (dossierpagina 133).

25 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] d.d. 8 november 2012 (dossierpagina’s 141 en 142).

26 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster[slachtoffer] d.d. 8 november 2012 (dossierpagina 142).

27 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster[slachtoffer] d.d. 8 november 2012 (dossierpagina en 142).

28 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2012 (dossierpagina’s 135-136).

29 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2012 (dossierpagina’s 136-137).

30 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2012 (dossierpagina’s 138-139).

31 Het proces-verbaal van relaas d.d. 28 januari 2013 (dossierpagina 10) en schriftelijk bescheiden, te weten de lijst van telefoongesprekken van [verdachte] naar[slachtoffer] (dossierpagina’s 198-211) de lijst van telefoongesprekken van [verdachte] naar huistelefoon [slachtoffer] (dossierpagina’s 212-214) en de lijst van hotmailcontacten van [verdachte] naar [slachtoffer] (dossierpagina’s 216-217).

32 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 oktober 2012 (dossierpagina 38).

33 Het proces-verbaal van terechtzitting d.d. 11 oktober 2013 (blad 4, los opgenomen).

34 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2014.