Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:7762

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
15/660052-13 (hoofdzaak)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; medeplegen hennepkwekerij; medeplegen diefstal energie; voorhanden hebben hennep; groot aantal planten (800+); verweren met betrekking tot eerdere oogst en medeplegen verworpen; strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/660052-13 (hoofdzaak)

Uitspraakdatum: 6 augustus 2014

Tegenspraak

Strafvonnis (Promis)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 juli 2014 in de zaak tegen:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Iran),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van Oosten en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. Y.T. Latour, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2012 tot en met 05 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pand/woning, gelegen op/aan de [adres 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 827 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

feit 1 subsidiair:

een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 01 augustus 2012 tot en met 05 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand/woning, gelegen op/aan de [adres 1]) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 827 hennepplanten, althans

een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 augustus 2012 tot en met 06 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand/woning voor de teelt/het kweken en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

feit 2 primair:

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2012 tot en met 05 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een pand/woning, gelegen op/aan de [adres 1]) heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan "Liander N.V.", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

feit 2 subsidiair:

een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2012 tot en met 05 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een pand/woning, gelegen op/aan de [adres 1]) heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan "Liander N.V.", in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 augustus 2012 tot en met 06 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) (een gedeelte van) dat/die pand/woning en/of de aldaar aanwezige elektriciteitsvoorziening(en) (voor de teelt/het kweken en/of het bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennepplanten) ter beschikking te stellen;

feit 3:

hij op of omstreeks 06 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 827 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Bespreking van een op bewijsuitsluiting gericht verweer

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat in het onderhavige onderzoek sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden in de woning van verdachte waarna de hennepkwekerij is aangetroffen en is geconstateerd dat sprake is van diefstal van elektriciteit. Gelet daarop dient al het bewijs dat is verkregen op grond van het onrechtmatig binnentreden van het bewijs te worden uitgesloten. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de raadsvrouw aangevoerd, dat uit het onderhavige strafdossier onvoldoende blijkt of de machtiging tot binnentreden is afgegeven naar aanleiding van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet, zodat het er bij gebreke van voldoende en toetsbare informatie op dit moment voor moet worden gehouden dat de machtiging onrechtmatig is afgegeven hetgeen een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert. Hierdoor is immers inbreuk gemaakt op een belangrijk strafvorderlijk voorschrift waarmee het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM in aanzienlijke mate is geschonden, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe, dat uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2014 van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] blijkt dat voornoemde [verbalisant 2] op 26 juli 2012 een anonieme melding heeft ontvangen op grond waarvan hij [verbalisant 1] heeft verzocht om ter plaatse op [adres 1] te Hoofddorp nader onderzoek in te stellen. Uit het proces-verbaal d.d. 22 november 2012 van [verbalisant 1] blijkt dat hij op verzoek van [verbalisant 2] op 6 september 2012 ter plaatse nader onderzoek heeft verricht. Daarbij werd door [verbalisant 1] middels een warmtebeeldcamera vastgesteld dat deze woning een verhoogde lichtopbrengst vertoonde ten opzichte van de naastgelegen woningen en voorts dat aan de voorzijde bij de garage een continu zoemend geluid gelijkend op dat van een afzuiger was te horen en dat alle ramen op de eerste en tweede etage van de woning van raambedekking waren voorzien. Op grond van voornoemde bevindingen is de verdenking van overtreding van de Opiumwet ontstaan waarna op 5 november 2012 de machtiging tot binnentreden is afgegeven en de woning op 6 november 2012 is betreden.

Gelet op voornoemde gang van zaken, welke op grond van artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet heeft geleid tot de verdenking dat sprake zou zijn van een in de woning [adres 1] te Hoofddorp gesitueerde hennepkwekerij is de rechtbank dan ook van oordeel dat de machtiging tot binnentreden op grond van voldoende toetsbare informatie en dus op rechtens juiste wijze is afgegeven, zodat naar het oordeel van de rechtbank van onrechtmatig binnentreden in deze woning geen sprake is.

3.4. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 26 juli 2012 ontvangt de Regiopolitie Kennemerland een anonieme melding inhoudende: “Op [adres 1] is een nieuwe huurder gekomen. Dag en nacht zitten alle gordijnen dicht. Een groot raam op de eerste verdieping en de 2 bovenlichten begane grond staan dag en nacht open. Eerst zag ik duidelijk uren achter elkaar licht branden. Momenteel zie ik in de late uren en ’s nachts beneden licht gloed door de gordijnen. Intussen is een bovenlicht met zwart plastic afgeplakt. Vorige week was er een man op het platte dakje aan het vegen (foto gemaakt). Als hij naar binnen ging schoof hij de gordijnen niet weg. Het voelt ongewoon.” Hierna is op 6 september 2012 ter plaatse door [verbalisant 1] middels een warmtebeeldcamera een onderzoek ingesteld waaruit is gebleken dat de eerste en tweede etage een ietwat verhoogde lichtopbrengst ten opzichte van de naastgelegen woningen gaven en dat de buitenmuur zijde garage ter hoogte van de eerste etage zeer licht was. Tevens werd door [verbalisant 1] aan de rechterzijde van de woning bij de garage een continu zoemend geluid gelijkend op dat van een afzuiger gehoord en bleken alle ramen van de woning op de eerste en tweede verdieping van raambedekking te zijn voorzien. Voorts stonden er ramen aan de achterzijde van de woning op een kier terwijl het op dat moment vroor en aan de achterzijde was een houten plaat als afscherming te zien. Ook zat er condens op het raam aan de binnenzijde op de eerste verdieping boven de garage. Hierop is op 6 november 2012 op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Opiumwet een onderzoek verricht in het pand [adres 1] te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, alwaar een in bedrijf zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen. Het pand betreft een twee-onder-een-kap woning. Op de zolder en de eerste verdieping werden in totaal 827 hennepplanten aangetroffen. Door de verbalisanten is geconstateerd dat er stof lag op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen, op het stoffilter van de koolstofcilinder en op het rotorblad. Voorts bevond er zich kalkaanslag op de onderkant van de potten, het afdekzeil en het irrigatiesysteem, zodat sprake moet zijn geweest van een eerdere opbrengst van hennep uit de kwekerij.2

Voorts werden in de hennepkwekerij een huurcontract betreffende [adres 2] te Hoofddorp op naam van [verdachte 1]3 en een bekeuring ter zake van een snelheidsovertreding4 eveneens op naam van voornoemde [verdachte 1] aangetroffen. Beide documenten lagen verspreid over zowel het aanrecht als op een stapel dozen welke in de hoek van de woonkamer stonden en direct in het zicht van de verbalisanten.5

De stroomvoorziening is ter plaatse door een fraudespecialist van Liander N.V. onderzocht waarbij verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie zijn geconstateerd. Zo bleek dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken nu de deksel niet meer gemonteerd was en los in de meterkast hing. Aan de bovenzijde van de zekeringhouders was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt die buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepplantage liep en die voorzag van elektriciteit. Voorts was de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard door middel van het plaatsen van zwaardere hoofdzekeringen. Zodoende werd schade en hinder veroorzaakt aan Liander N.V., omdat de juiste tarievenregeling niet kon worden toegepast. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit voor de hennepplantage buiten de elektriciteitsmeter om geregistreerd. Daarnaast is uit voornoemd onderzoek gebleken dat er in het perceel een hennepplantage was ingericht in de periode van juli 2012 tot 6 november 2012 waarbij er minimaal 64.575 kWh illegaal is afgenomen waardoor verdachte aan Liander N.V. een bedrag van € 9.669,37 is verschuldigd.6

Verdachte heeft de woning aan de [adres 1] te Hoofddorp voor een persoon genaamd ‘Sam’ gehuurd. Deze ‘Sam’ zou het huis en de auto betalen. Omdat het financieel slecht met verdachte ging is hij voor ‘Sam’, die hem had gezegd dat hij expert is op het gebied van hennep kweken, begonnen met de hennepkwekerij. Verdachte dacht: ‘Wat Sam kan, dat kan ik ook.’ Verdachte wist dat het illegaal was. Hij zou elke periode € 7.000 krijgen. ‘Sam’ en zijn mannen hadden geen sleutel, maar verdachte liet hen binnen. De hennepplanten zijn eind augustus begin september 2012 neergezet. Er stonden 804 hennepplanten en later is daar nog wat meer bij gezet. Het contract bij de energieleverancier staat op naam van verdachte. ‘Sam’ heeft de elektra aangelegd en voor de meter weggehaald. Verdachte heeft hem in eerste instantie niet kunnen overtuigen om brandblussers op te hangen, maar nadat hij ‘Sam’ vertelde dat de buren kinderen hebben heeft ‘Sam’ brandblussers neergezet en boven de transformatoren opgehangen.7 Ter terechtzitting is verdachte bij voornoemde verklaring gebleven en heeft hij daaraan toegevoegd dat hij 10% van de opbrengst van de hennep, zijnde € 7.000 euro per drie maanden, zou ontvangen. Voorts heeft ‘Sam’ de verbouwing van de garage betaald en heeft verdachte hem de toegangscode daarvan gegeven.8

3.5. Bewijsoverweging

Verdachte ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt en het medeplegen van de diefstal van elektriciteit door middel van verbreking. Daartoe is door en namens verdachte aangevoerd, dat medeplegen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een nauwe en bewuste samenwerking en/of een gezamenlijke uitvoering veronderstelt waarvan in casu geen sprake is nu verdachte met betrekking tot de hennepkwekerij dan wel de diefstal van elektriciteit geen enkele handeling heeft verricht buiten het aan ‘Sam’ ter beschikking stellen van de door hem gehuurde woning.

Subsidiair heeft de raadsvrouw met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 juli 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:3313) aangevoerd dat verdachte niet reeds vanaf 1 augustus 2012 hennep heeft geteeld, nu onder andere stof, vervuilde apparatuur, kalkaanslag en hennepresten onvoldoende zijn om dat aan te tonen. Verdachte heeft immers verklaard dat “Sam” waarschijnlijk gebruik heeft gemaakt van tweedehands materialen, terwijl het stof kan zijn ontstaan door de opbouw van de kwekerij. Bovendien waren de op 6 november 2012 aangetroffen 827 hennepplanten blijkens het proces-verbaal van bevindingen op dat moment slechts 80 cm groot, zodat de kweekperiode slechts drie weken zou betreffen, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd, dat het medeplegen van diefstal van energie dan wel de medeplichtigheid daaraan dubbel opzet vereist, namelijk opzet op het gronddelict en opzet op de deelnemingsvorm waarvan in de onderhavige strafzaak geen sprake is nu verdachte geen wetenschap had van het feit dat de elektriciteit buiten de meter om liep en Sam” degene is geweest die de stroomvoorziening buiten de meter om heeft aangelegd, zodat verdachte ook om die reden dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij vanwege zijn financiële problemen, welke hij aan een persoon genaamd ‘Sam’ heeft verteld, die hij via feestjes, festivals en de kroeg heeft leren kennen en van wie hij slechts de naam Sam kent maar niet over een adres of andere gegevens beschikt is begonnen met de hennepkwekerij. Hij deed dat in overleg met die Sam van wie hij vermoedde dat Sam zelfs niet zijn echte naam was. Door verdachte is voorts verklaard dat hij de woning voor ‘Sam’ heeft gehuurd, hij van ‘Sam’ geld voor het betalen van de huur ontving en dat hij 10% van de opbrengst van de hennep zijnde een bedrag van € 7.000 euro per drie maanden als financiële vergoeding zou ontvangen. ‘Sam’ en zijn mensen hadden geen toegang tot en sleutel van de woning, maar verdachte liet hen naar eigen zeggen binnen en heeft ‘Sam’ de toegangscode van de garage gegeven. Met betrekking tot de elektra heeft verdachte verklaard dat ‘Sam’ de elektriciteit heeft aangelegd en voor de meter heeft weggehaald. Verdachte vond het gevaarlijk, omdat de buren kinderen hebben en heeft ‘Sam’ instructies gegeven voor het plaatsen en installeren van brandblussers in de hennepkwekerij. Bovendien komt uit in het dossier aangetroffen foto’s naar voren dat in de woning een bed, een kledingrek met kleding en diverse verzorgingsproducten werden aangetroffen zodat kan worden geconcludeerd dat verdachte wel degelijk in de woning verbleef. Aangezien op foto’s eveneens te zien is dat duidelijk zichtbaar een groot aantal stroomkabels vanaf de meterkast de woning inliep kan het niet anders zijn dan dat verdachte dit eveneens gezien moet hebben en dus heeft geweten dat illegaal stroom werd afgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit bovenstaande feiten en omstandigheden dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en ‘Sam’, die verder ging dan het ter beschikking stellen van de door hem gehuurde woning.

Met betrekking tot de ten laste gelegde periode heeft verdachte verklaard dat hij de woning per 1 april 2012 voor een ander heeft gehuurd en dat er vanaf eind augustus dan wel begin september 2012 hennepplanten in de kwekerij zijn gezet. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het feit van algemene bekendheid, dat alvorens er planten neer kunnen worden gezet, de kwekerij eerst dient te worden opgebouwd welke opbouw eveneens enkele weken in beslag neemt. Daarnaast zijn er ter plaatste zoals hiervoor weergegeven in de kwekerij stof, vervuilde apparatuur, kalkaanslag en hennepresten aangetroffen welke duiden op een eerdere oogst. De rechtbank zal verdachte in weerwil van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht dan ook aan zijn eigen verklaring houden.

Aldus acht de rechtbank gelet op het samenstel van feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 5 november 2012 tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt, diefstal van de ten behoeve daarvan buiten de elektriciteitsmeter afgenomen elektriciteit en het voorhanden hebben van een naar het oordeel van de rechtbank groot aantal van 827 hennepplanten.

3.6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 primair:

hij in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 5 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt in een woning gelegen aan de [adres 1] een hoeveelheid van ongeveer 827 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

feit 2 primair:

hij in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 5 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 1] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan "Liander N.V.", waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

feit 3:

hij op 6 november 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 827 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

t.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

t.a.v. feit 2 primair:

diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalbare arbeid voor de duur van honderdtachtig (180) uren bij het niet of niet naar behoren voldoen daarvan te vervangen door negentig (90) dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden met een proeftijd van twee (2) jaren.

6.2. Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld zich te kunnen vinden in het standpunt van de officier van justitie om aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten en niet bij de eigen OM-richtlijnen. Daarnaast heeft de raadsvrouw van verdachte in het kader de strafmaat aangevoerd, dat verdachte zich ter terechtzitting voor de rechtbank heeft willen verantwoorden door openheid van zaken te geven, terwijl hij als Amerikaans staatsburger net zo goed had kunnen vluchten naar zijn familie in Californië hetgeen ten voordele van verdachte dient mee te wegen bij de aan hem op te leggen straf. Concluderend heeft de raadsvrouw dan ook verzocht om aan verdachte slechts een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid op te leggen en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten nu zij van oordeel is dat verdachte geen stok achter de deur behoeft nu hij zijn lesje wel heeft geleerd.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

6.4. Hoofdstraffen

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een periode van ruim drie maanden tezamen en in vereniging met zijn mededader schuldig gemaakt aan het in bedrijf hebben van een grote hennepkwekerij in een woning te Hoofddorp waarbij de elektriciteit illegaal werd afgenomen. Verdachte heeft hierbij kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld. De teelt en het gebruik van hennep leveren veel maatschappelijke overlast op. Daarbij komt dat langdurig gebruik van deze softdrugs kan leiden tot schade voor de gezondheid. Verdachte heeft er door zijn handelen aan bijgedragen dat de verslavingsproblematiek met alle daarmee vaak gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden. Doordat de stroom op illegale wijze is afgenomen is daarnaast financiële schade toegebracht aan de leverancier van de elektriciteit.

Ten aanzien van strafbare feiten van een dergelijke aard en ernst als de onderhavige acht de rechtbank in beginsel dan ook louter de oplegging van een vrijheidsbenemende straf passend en geboden.

Ten gunste van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 28 april 2014 niet eerder ter zake van enig bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit met politie en/of justitie in aanraking is geweest.

De strafeis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat overeenkomstig de eis van de officier van justitie, een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast dient naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren te worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en

3 en 11 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 3.6. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTACHTIG (180) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door NEGENTIG (90) DAGEN hechtenis;

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Daalmeijer, voorzitter,

mr. J.C.M. Swinkels en mr. M.A.H. van der Woude, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 6 augustus 2014.

Mr. M.A.H. van der Woude is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2012 (pagina 6-11), het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2012 (pagina 21) en een schriftelijk stuk zijnde de goederenlijst hennepkwekerij d.d. 6 november 2012 (los opgenomen) .

3 Een schriftelijk stuk zijnde een huurovereenkomst woonruimte [adres 2] te Hoofddorp (los opgenomen).

4 Een schriftelijk stuk zijnde een kennisgeving van bekeuring (snelheidsovertreding) d.d. 6 september 2012 (los opgenomen).

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2014 (los opgenomen).

6 Het proces-verbaal van aangifte van Liander N.V. d.d. 14 november 2012 (pagina 54-82).

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte 2] d.d. 12 november 2012 (pagina 14-16).

8 De verklaring van verdachte [verdachte 2] afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2014.