Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:7695

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-08-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
14/501
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Raadkamer rekestprocedure betreffende het invoeren van merk vervalste artikelen via vrachtverkeer (PostNL) vanuit het buitenland. Rechtsvraag: “Levert het bestellen van die goederen de opzettelijke overtreding van artikel 337 Wetboek van Strafrecht door de geadresseerde op?” Nu de geadresseerden niet als verdachten worden gehoord en/of worden vervolgd is de rechtbank van oordeel dat zich voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal gelasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 14/501

Uitspraakdatum: 7 augustus 2014

Beschikking (art. 552a Sv.)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 12 maart 2014 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een (op 27 februari 2014 door de centrale balie van de rechtbank Amsterdam ontvangen) klaagschrift namens:

[klaagster], klaagster,

wonende te [adres].

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het daarop gelegde beslag, met last tot teruggave aan klaagster van:

- een paar UGG-laarzen.

Op 24 juli 2014 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld.

Klaagster is niet verschenen. Wel was aanwezig de officier van justitie mr. M.A. Hobbelink.

Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat het klaagschrift niet-ontvankelijk behoort te worden, nu de als nepartikelen gedetermineerde laarzen inmiddels zijn vernietigd en daarop mitsdien geen beslag meer rust.

2. Beoordeling

Bij de behandeling van het klaagschrift op 24 juli 2014 is vast komen te staan, dat bedoelde laarzen op 16 januari 2014 op rechtmatige wijze in beslag zijn genomen en dat – nu klaagster daarvan geen afstand heeft gedaan en niet is gebleken dat ten aanzien van die laarzen een machtiging tot vernietiging als bedoeld in artikel 117, eerste lid, Sv is verleend – het beslag nog voortduurt.

Klaagster is derhalve ontvankelijk in haar klaagschrift.

Bij de beoordeling van het klaagschrift stelt de rechtbank voorop dat de inbeslagneming van de laarzen, die heeft plaatsgevonden op verdenking dat klaagster zich heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf van artikel 337, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) – kort gezegd de opzettelijke invoer van merk-vervalste artikelen – rechtmatig is geweest, nu er bij de inbeslagneming sprake was van voldoende aanwijzingen dat de in beslag genomen en voor klaagster bestemde laarzen geen originele door UGG vervaardigde goederen waren.

Teneinde vast te stellen, of bij degene voor wie het in beslag genomen goed bestemd is sprake is geweest van opzet, waaronder mede begrepen voorwaardelijk opzet, op de invoer van een merk-vervalst goed, alsmede ter beantwoording van de vraag, welk verder gevolg moet worden gegeven aan de inbeslagneming, noopt toepassing van het dwangmiddel van inbeslagneming de in beslag nemende instantie in een geval als het onderhavige tot nader onderzoek, tenzij zonneklaar is dat degene voor wie het in beslag genomen goed bestemd is ermee bekend was of moest zijn dat het om een merk-vervalst goed ging.

Dat onderzoek heeft in het onderhavige geval niet plaatsgevonden, zodat – nu noch bij de inbeslagneming zonneklaar was dat klaagster ermee bekend was of moest zijn dat het om merk-vervalste goederen ging, noch in hetgeen door klaagster naar voren is gebracht voldoende aanknopingspunten kunnen worden gevonden dat zij het (voorwaardelijk) opzet had op de invoer van merk-vervalste goederen – de rechtbank niet kan vaststellen dat er bij klaagster in het onderhavige geval sprake is geweest van handelen in strijd met artikel 337, eerste lid, Sr.

Dit zou op grond van de thans bekende gegevens bij voorlegging van de hier aan de orde zijnde zaak aan de strafrechter moeten leiden tot vrijspraak en daarmee in beginsel tot teruggave aan klaagster van de in beslag genomen goederen.

De strafrechter zou niettemin bij vrijspraak van klaagster kunnen vaststellen, dat het strafbare feit van artikel 337, eerste lid Sr is begaan, zij het door degene die als verzender betrokken is geweest bij de invoer van de merk-vervalste goederen in Nederland. Om die reden zou het belang van strafvordering zich toch kunnen verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen merk-vervalste goederen.

In het licht van het bepaalde in het tweede lid van artikel 337 Sr, inhoudende dat niet strafbaar is degene die enkele waren (…) of merken als omschreven in het eerste lid van dat artikel in voorraad heeft uitsluitend voor eigen gebruik, kan niet worden gezegd dat wanneer klaagster in het bezit wordt gesteld van het in beslag genomen paar laarzen, zich voordoet het geval dat dit bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel, dat zich ten aanzien van het in beslag genomen paar laarzen voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend tot een verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal besluiten.

Met inachtneming van de hoofdregel als bedoeld in artikel 116, eerste lid, Sv zal de rechtbank het klaagschrift daarom gegrond verklaren.

Opmerking verdient nog, dat nu door vernietiging van de laarzen zonder machtiging tot vervreemding, niet tot teruggave daarvan aan klaagster kan worden overgegaan, het in de rede ligt dat tot uitbetaling aan haar van de door haar betaalde koopprijs zal worden overgegaan.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift gegrond;

heft op het daarop gelegde beslag en gelast de teruggave aan klaagster van:

een paar UGG-laarzen.

4. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E.A. Toeter, rechter,

in tegenwoordigheid van A.B. van Velzen, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2014.