Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:7391

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
AWB-14_955
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het belastbare feit ontbreekt voor het heffen van kade- en binnenhavengeld, want gemeente is geen eigenaar en heeft ook niet het beheer en onderhoud van het vaarwater.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-08-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1970
V-N Vandaag 2014/1712

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 14/955

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2014 in de zaak tussen

[X] te[Z], eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een gecombineerde aanslag binnenhaven- en kadegeld (aanslagnummer 2830169 en gedagtekend 16 oktober 2013) opgelegd van € 302,12 (€ 259,81 binnenhavengeld en € 42,31 kadegeld).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 januari 2014 de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2014 te Haarlem.

Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. R. Wittenberg.

Feiten

1.

Eiser had in 2013 voor zijn zeilboot een ligplaats in de[B] aan de [C]. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij aanmeert door middel van ijzeren pennen in de betonnen beschoeiing.

2.

Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is eigenaar van de[B] en heeft deze vaart in waterstaatkundig beheer en onderhoud.

De gemeente Zaanstad is eigenaar van de [C]. Burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad zijn het bevoegd gezag in het kader van de Scheepvaartwet (nautisch beheer) van de[B].

Geschil

3.

In geschil is of verweerder terecht de aanslagen binnenhaven- en kadegeld 2013 heeft opgelegd aan eiser.

4.

Eiser stelt dat, nu het waterschap als eigenaar is belast met het beheer en onderhoud van de[B], het belastbaar feit voor verweerder ontbreekt om aan hem aanslagen binnenhaven- en kadegeld op te leggen. De gemeente Zaanstad is weliswaar aangewezen als nautisch vaarwegbeheerder van de[B], maar nog afgezien van het feit dat de kosten daarvan beperkt zijn, vallen onder de kosten van dat beheer volgens eiser niet de kosten van het beheer en onderhoud van de[B], want die komen ten laste van het waterschap.

Voorts doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar.

5.

Verweerder stelt dat de gemeente Zaanstad eigenaar is van de [C]. Eiser ligt met zijn vaartuig aan die [C] en voldoet daarmee aan het belastbaar feit om de aanslag kadegeld op te leggen.

Voorts hebben Gedupeerde Staten van Noord-Holland bij besluit van 28 maart 1995 de gemeente Zaanstad aangewezen als het bevoegde gezag belast met het beheer en onderhoud van de[B]. Aan het belastbaar feit om de aanslag binnenhavengeld op te leggen is daarmee eveneens voldaan.

Verweerder ontkent dat er strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder alle gesignaleerde vaartuigen in de heffing heeft betrokken.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

6.

Op grond van artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van:

“a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn;

b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.”

Met gebruikmaking van haar bevoegdheid gegeven in artikel 216 in samenhang met artikel 229 van de Gemeentewet heeft de raad van de gemeente Zaanstad bij besluit van 8 november 2012 de Verordening Binnenhaven- en Kadegeld 2013 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

7.

In artikel 2 van de Verordening zijn de belastbare feiten als volgt omschreven:

“1. Onder de naam binnenhavengeld wordt een recht geheven ter zake van het gebruik met een vaartuig overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentewateren of van andere voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen, die in beheer of onderhoud zijn bij de gemeente.

2.

Onder de naam “kadegeld” wordt een recht geheven wegens het gebruik of genot van kaden en steigers, die eigendom van de gemeente zijn of die voor rekening van de gemeente worden onderhouden door:

a. daaraan met een vaartuig aan te leggen;

b. daaraan met een vaartuig een vaste plaats (…) in te nemen;

(…)”

Binnenhavengeld

8.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 februari 2011 uitgesproken dat geen sprake is van beheer in de zin van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet indien de gemeente ter plaatse alleen het bevoegd gezag uitoefent en nautische aanwijzingen kan geven (ECLI:HR:2011:BP:2972, rechtsoverweging 3.2.5). Het nautische beheer is gebaseerd op artikel 2, derde lid, van de Scheepvaartwet en bestaat vooral in het reglementeren van het verkeer te water. Nu de[B] geen gemeentewater is en de gemeente Zaanstad niet het waterstaatkundig beheer en onderhoud van dit vaarwater als bedoeld in de Gemeentewet en de Verordening heeft, ontbreekt voor het heffen van het binnenhavengeld het belastbare feit voor het opleggen van de aanslag binnenhavengeld.

Voor zover verweerder ter zitting heeft aangevoerd dat de aanslag binnenhavengeld wordt opgelegd voor de diensten die de gemeente Zaanstad ten behoeve van de scheepvaart binnen de gehele gemeente verricht, bijvoorbeeld het bedienen van de bruggen, dan staat dat los van het onderhoud en beheer van de[B] waarop de Verordening ziet.

Kadegeld

9.

Tussen partijen is niet in geschil dat het hoogheemraadschap als eigenaar het waterstaatkundig beheer en het onderhoud van de[B] uitvoert. De rechtbank acht aannemelijk dat het waterschap tevens eigenaar van de beschoeiing is (zie ook Boek 5, art. 28 van het Burgerlijk Wetboek). Verweerder heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Uit de door verweerder overgelegde kadastrale gegevens blijkt weliswaar dat de gemeente Zaanstad eigenaar is van de [C], maar niet dat ook de beschoeiing en de kade daaronder valt. Nu de gemeente Zaanstad geen eigenaar is van de beschoeiing van de[B], is in dezen niet voldaan aan het belastbaar feit als bedoeld in de Verordening.

10.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

De grief van eiser dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijksbeginsel kan dan ook buiten beschouwing blijven.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 69,60, bestaande uit € 9,60 reiskosten en € 60 verletkosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de opgelegde aanslagen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 69,60 en

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.