Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:7329

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
C/15/215284 / KG ZA 14-333
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid van de voorzieningenrechter inzake een voornamelijk bestuursrechtelijke aangelegenheid met verwijzing naar HR 16 maart 1990, NJ 1990, 500. Slechts wanneer de andere aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt, zal de kortgedingrechter zich onbevoegd kunnen verklaren. Hiertoe wordt vereist dat in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat waarin eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken.

Belangenafweging rekening houdend met hetgeen de bestuursrechter zal gaan beslissen. In een geval als het onderhavige dient de rechter in kort geding bij zijn beslissing omtrent de gevraagde voorziening in aanmerking te nemen welke uitspraak op het beroep bij de bestuursrechter mag worden verwacht en zal hij na deze prognose de belangen bij toewijzing, respectievelijk weigering van de gevraagde voorziening in zijn beoordeling kunnen betrekken.

De voorziening tot vordering van noodlokalen ten behoeve van de vestiging van een bassischool met Islamitische grondslag wordt door de voorzieningenrechter geweigerd nu het de voorzieningenrechter niet op voorhand duidelijk is of eiseres bestuursrechtelijk gezien wel in haar gelijk staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/215284 / KG ZA 14-333

Vonnis in kort geding van 31 juli 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HEEMSKERK,

zetelend te Heemskerk,

eiseres,

advocaat mr. J.C. Binnerts,

en

de stichting

STICHTING ISLAMITISCH ONDERWIJS NOORD-HOLLAND,

gevestigd te Heemskerk,

verzoekster in het incident,

advocaat mr. Ö. Saraҫ,

tegen

de stichting

STICHTING OPENBAAR PRIMAIR ONDERWIJS IJMOND,

gevestigd te Velserbroek,

gedaagde,

advocaat mr. S.G. van der Galiën, voor wie ter zitting is verschenen mr. V. Kellenaar.

Partijen zullen hierna de gemeente, SIO Noord-Holland en SOPO IJmond genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 14,

  • -

    de brief d.d. 17 juli 2014 met producties 15 en 16 van de zijde van de gemeente,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5,

  • -

    de brief d.d. 23 juli 2014 met producties 17 tot en met 23 van de zijde van de gemeente,

  • -

    de incidentele conclusie houdende een vordering tot tussenkomst, subsidiair voeging,

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 28 juli 2014,

  • -

    de pleitnota van de gemeente,

  • -

    de pleitnota van SOPO IJmond.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 2007 heeft de gemeente op verzoek van SOPO IJmond drie (semipermanente) noodlokalen (verder te noemen: de noodlokalen) geplaatst op het terrein van de openbare basisschool De Zilvermeeuw (verder te noemen: De Zilvermeeuw) aan de Visserstraat 6a te Heemskerk. De Zilvermeeuw is een van de 17 basisscholen ressorterend onder het bestuur van SOPO IJmond.

2.2.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft SOPO IJmond aan de gemeente medegedeeld dat de noodlokalen vanaf het schooljaar 2013-2014 niet meer nodig zijn ten behoeve van De Zilvermeeuw. SOPO IJmond heeft in deze brief tevens verzocht de noodlokalen na afloop van het schooljaar 2012-2013 af te laten voeren.

2.3.

Bij brief van 26 april 2013 heeft de gemeente SOPO IJmond laten weten dat zij de noodlokalen met ingang van 4 juli 2013 weer terug in ontvangst zal nemen.

2.4.

Op 3 juli 2013 zijn nadere afspraken gemaakt ten aanzien van de noodlokalen, die bij e-mailbericht van 3 juli 2013 door de gemeente zijn bevestigd. Dit bericht bevat onder het volgende:

“Na de zomervakantie dient de overdracht van de drie lokalen te worden ingepland met inachtneming van de bovenstaande aandachtspunten. Tot het moment van daadwerkelijke overdracht ga ik ervan uit dat OPO IJmond / de school verantwoordelijk blijft voor de alarmopvolging en het gebouw en de daarmee samenhangende kosten.”

Er heeft geen sleuteloverdracht plaatsgevonden.

2.5.

SIO Noord-Holland heeft op 28 januari 2013 bij de gemeente een aanvraag ingediend voor opneming van een Islamitische basisschool op het plan van scholen van de gemeente met als voorgestelde datum van bekostiging 1 augustus 2014. De raad van de gemeente heeft op 27 juni 2013 conform het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders (hierna: het college) besloten de school te plaatsen in het Plan van scholen 2014-2017 van de gemeente, met als startdatum voor de school 1 augustus 2014. Op 19 november 2013 heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dit plan goedgekeurd.

2.6.

Bij besluit van 30 december 2013 heeft het college de aanvraag van SOPO IJmond voor het verwijderen van de noodlokalen inclusief de noodzakelijke aanpassingen aan het schoolplein en de hekwerken afgewezen. Hiertegen heeft SOPO IJmond op 24 januari 2014 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 20 mei 2014 heeft het college het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Door SOPO IJmond is tegen die beslissing geen beroep ingesteld.

2.7.

SIO Noord-Holland heeft op grond van artikel 6 van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Heemskerk (hierna: de Verordening) in samenhang gelezen met artikel 95 lid 3 van de Wet op het primair onderwijs (hierna Wpo) op 28 januari 2014 een aanvraag voor een voorziening op het programma (over de huisvesting onderwijs in de gemeente) ingediend.

Artikel 6 van de Verordening luidt:

Artikel 6 Indiening aanvraag

1. Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier;

2. Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt het college niet in behandeling.”

Artikel 11 lid 2 van de Verordening luidt voor zover ten deze van belang:

” Het programma en het overzicht [voorzieningenrechter: van de niet ingewilligde aanvragen] worden vastgesteld op uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt.”

Artikel 95 lid 3 Wpo luidt:

” 3. Burgemeester en wethouders nemen uitsluitend voorzieningen in de huisvesting op, voor zover:

a. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden gemaakt dan wel de voorzieningen in het desbetreffende kalenderjaar kunnen worden gerealiseerd, en

b. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, van toepassing is.”



Artikel 12 lid 1 van de Verordening luidt voor zover ten deze van belang:

” De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het jaar van de veststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair onderwijs (…) opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma.”

2.8.

Bij besluit van 19 mei 2014 heeft het college in de aanvraag van SIO Noord-Holland voorzien door, “gelet op de korte termijn waarop uw stichting de nieuwe school wenst te starten (augustus 2014)” de Islamitische school op grond van medegebruik te huisvesten in de noodlokalen en tevens in medegebruik te geven het gebruik van het schoolplein en het speellokaal van De Zilvermeeuw. Dit besluit had en heeft de instemming van SIO Noord-Holland.

2.9.

Bij besluit van eveneens 19 mei 2014 heeft het college SOPO IJmond laten weten dat zij op grond van artikel 107 WPO en artikel 29 van de Verordening gebruik maakt van haar bevoegdheid om de noodlokalen, alsmede een deel van het schoolplein ter grootte van 300 m2 en het speellokaal van De Zilvermeeuw voor het benodigde aantal uren in gebruik te geven aan SIO Noord-Holland.

Artikel 107 van de Wpo luidt als volgt:

Artikel 107 Vorderingsrecht

1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, (…) te bestemmen. (…).”

Artikel 29 van de Verordening luidt voor zover ten deze van belang:

“ Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:

a. er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;

b. het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;

c. (…)

d. er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;

e. (…)”

2.10.

Op 20 juni 2014 heeft SOPO IJmond een bezwaarschrift tegen genoemde besluiten van 19 mei 2014 ingediend. Bij brief van 16 juli heeft SOPO IJmond haar bezwaren nader onderbouwd. De hoorzitting in deze zaak/zaken is bepaald op 20 augustus 2014. Tevens heeft SOPO IJmond recent een schorsingsverzoek bij de bestuursrechter ingediend, van welk verzoek de mondelinge behandeling is bepaald op 4 september 2014.

2.11.

Bij besluit van 22 juli 2014 heeft het college het tegenover SOPO IJmond genomen besluit van 19 mei 2014 aangevuld in die zin dat de noodlokalen zijn gevorderd per 21 mei 2014; dat de vordering (om te beginnen) het schooljaar 2014-2015 betreft; de lokalen worden gevorderd voor geprognotiseerd 60 leerlingen en het mede gebruik van het speellokaal 2 x 1,5 uur per week bedraagt.

3 Het geschil

3.1.

De gemeente vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“a. gedaagde te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de sleutels en toebehoren van de noodlokalen aan de Visserstraat 6a te Heemskerk over te dragen aan eiseres dan wel op het eerste verzoek van eiseres mee te werken aan het aanbrengen van nieuwe sloten op de deuren die toegang geven tot die lokalen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat dit gebod niet wordt nageleefd;

b. gedaagde te veroordelen om het gebruik van de noodlokalen, alsmede een deel van het schoolplein ter grootte van 300 m2 en het gebruik van het speellokaal gedurende het aantal uur per week dat nodig is voor de Islamitische basisschool te gehengen en te gedogen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per keer dat dit gebod niet wordt nageleefd;

c. gedaagde – eveneens uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen in de kosten van deze procedure;”

3.2.

De gemeente legt – samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. Nu SOPO IJmond geen gehoor heeft gegeven aan herhaaldelijke verzoeken van de gemeente tot afgifte van de sleutels van de noodlokalen, pleegt SOPO IJmond een onrechtmatige daad jegens de gemeente. SOPO IJmond handelt immers in strijd met artikel 107 lid 1 Wpo en artikel 29 van de Verordening. Ter zitting heeft de gemeente de grondslag van haar vordering nader onderbouwd met de subsidiaire stelling dat zij op grond van haar eigendomsrecht van de grond en de gebouwen van De Zilvermeeuw gerechtigd is tot hetgeen zij vordert.

3.3.

SOPO IJmond voert verweer.

3.4.

SIO Noord-Holland heeft verzocht in dit kort geding als tussenkomende partij, subsidiair als voegende partij aan de zijde van de gemeente te worden toegelaten, kosten rechtens.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In het incident

4.1.

De vordering van SIO Noord-Holland om te mogen tussenkomen – waartegen de gemeente en SOPO IJmond geen bezwaar hebben gemaakt – is ter zitting toegewezen, aangezien SIO Noord-Holland kan worden geacht belang te hebben bij tussenkomst om benadeling van haar eigen rechten en rechtspositie te voorkomen en aangezien voorts het geding ten gevolge van de tussenkomst niet nodeloos wordt vertraagd of nodeloos ingewikkeld wordt.

In de hoofdzaak

Ontvankelijkheid

4.2.

SOPO IJmond stelt zicht primair op het standpunt dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is van de ingediende vorderingen kennis te nemen.
SOPO IJmond heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd.

De vordering van de gemeente is gebaseerd op een tweetal besluiten van de gemeente. Tegen deze besluiten is bezwaar aangetekend. Omdat het verzoek om opschorting door de gemeente is afgewezen heeft SOPO IJmond zich genoodzaakt gezien alsnog een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter aan te vragen. In het onderhavige geval gaat het zodoende om publiekrechtelijke bevoegdheden van de gemeente en een publiekrechtelijke bezwaarprocedure. Dat de gemeente er nu voor kiest om zonder enige toelichting een privaatrechtelijk handhavinginstrument te hanteren, is gelet op de tweewegenleer niet toegestaan. Hierbij dient gekeken te worden naar de vraag of de gemeente door gebruikmaking van de publiekrechtelijke handhavinginstrumenten een vergelijkbaar resultaat zou kunnen bereiken. De gemeente heeft steeds duidelijk gekozen voor de publiekrechtelijke weg. Ook middels deze weg kan een vergelijkbaar resultaat worden verkregen als de gemeente thans via de privaatrechtelijke weg wenst te verkrijgen. De gemeente had eenvoudig kunnen kiezen voor het middel van last onder bestuursdwang of dwangsom. De voorzieningenrechter is derhalve onbevoegd om van de vordering van de gemeente kennis te nemen, aldus nog steeds SOPO IJmond.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt in dit verband voorop dat de kortgedingrechter fungeert als restrechter in alle zaken met een spoedeisend karakter. De aanwijzing van een andere bevoegde rechter of van een speciale rechtsgang maakt de kortgedingrechter in beginsel niet onbevoegd. Slechts wanneer de andere aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt, zal de kortgedingrechter zich onbevoegd kunnen verklaren. Hiertoe wordt vereist dat in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat waarin eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (HR 16 maart 1990, NJ 1990, 500). Die laatste situatie doet zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval niet voor. Daarbij komt dat voorshands niet onaannemelijk is dat, gelet op de inhoud van de bepaling van artikel 107 lid 1 Wpo, geen bestuursdwang en daarmee ook geen bestuursrechtelijke dwangsom aan de vordering door de gemeente kan worden verbonden. De voorzieningenrechter acht zich, gelet op het vorenstaande, bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

Aanhouding

4.4.

SOPO IJmond heeft aangevoerd dat de procedure dient te worden aangehouden in verband met de afwezigheid – in verband met de schoolvakantie – van de bestuurder van SOPO IJmond, B. de Krey, en in afwachting van de procedure bij de bestuursrechter.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding dit verzoek te honoreren, nu het zich niet verenigt met het door de gemeente gestelde spoedeisend belang. Immers, de gemeente stelt dat zij uiterlijk op 1 augustus 2014 over de sleutels van de noodlokalen dient te beschikken. Daarbij komt dat SOPO IJmond zelf voor vertraging heeft gezorgd door pas recent – eerst nadat het onderhavige kort geding aanhangig was gemaakt – een verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter in te dienen.

Overige

4.5.

Vast staat dat op 28 januari 2014 door SIO Noord-Holland een aanvraag voor een voorziening huisvesting onderwijs bij het college is ingediend. Naar de mening van SOPO IJmond betekent dit, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 95 lid 3 van de Wpo en de artikelen 6 lid 2, 11 lid 2 en 12 lid 1 van de Verordening, dat pas een aanvang kan worden gemaakt met de voorziening in het jaar volgend op de vaststelling van het programma, derhalve in 2015. Nu ook niet is gebleken dat er in het onderhavige geval sprake is van een aanvraag met een spoedeisend karakter als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Verordening – hetgeen door de gemeente is bevestigd – heeft de gemeente in strijd gehandeld met de Verordening en ontbeert de beslissing van 19 mei 2014 aan SIO Noord-Holland om de noodlokalen aan haar ter beschikking te stellen per 1 augustus 2014, rechtsgrond.

De gemeente stelt zich hieromtrent op het standpunt dat artikel 6 van de Verordening zo moet worden gelezen dat het college de bevoegdheid heeft om aanvragen die na 1 februari van enig jaar zijn binnengekomen naar het volgend jaar door te schuiven. Een verplichting om dergelijke aanvragen aan te houden, ook als deze zonder bezwaar al dat zelfde jaar kunnen worden ingewilligd en uitgevoerd, is er echter volgens de gemeente niet. Dat betekent volgens de gemeente dat met de in januari 2014 door SIO Noord-Holland aangevraagde huisvestingsvoorziening nog in dit jaar een aanvang in de uitvoering gemaakt kan worden. Als genoemd artikel wel als verplichting gelezen zou moeten worden, beoogt de bepaling het belang van de gemeente te beschermen en strekt deze niet tot bescherming van de belangen van SOPO IJmond, aldus nog steeds de gemeente.

4.6.

Voorts heeft SOPO IJmond naar voren gebracht dat de gemeente haar vorderingsrecht heeft gebaseerd op tijdelijke leegstand zoals omschreven in artikel 107 Wpo. SOPO IJmond betwist echter dat het hier gaat om een tijdelijke leegstand en stelt zich op het standpunt dat de gemeente op basis van artikel 110 Wpo – dat gaat over het einde van het gebruik van een gebouw of terrein – had moeten handelen nu het gaat om blijvend leegstaande noodlokalen. Het is thans immers niet meer de verwachting dat het ledenaantal van basisschool De Zilvermeeuw zal stijgen, aldus SOPO IJmond en zij in de toekomst weer gebruik zal willen maken van de noodlokalen.

De gemeente heeft in dit verband opgemerkt dat het voor haar niet zo evident is dat de noodlokalen blijvend leegstaan. Het is niet duidelijk of basisschool De Zilvermeeuw de noodlokalen zelf weer gaat gebruiken, aldus de gemeente.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

In een geval als het onderhavige dient de rechter in kort geding bij zijn beslissing omtrent de gevraagde voorziening in aanmerking te nemen welke uitspraak op het beroep bij de bestuursrechter mag worden verwacht en zal hij na deze prognose de belangen bij toewijzing, respectievelijk weigering van de gevraagde voorziening in zijn beoordeling kunnen betrekken.

Gelet op de stukken en de ingenomen standpunten ter zitting is het de voorzieningenrechter niet op voorhand duidelijk of eiseres bestuursrechtelijk gezien wel in haar gelijk staat. Het komt de voorzieningenrechter voor dat de bewoording die zowel in artikel 6 lid 2 van de Verordening (neemt het college niet in behandeling) als artikel 95 lid 3 van de Wpo (uitsluitend) wordt gehanteerd, weinig ruimte laten voor een uitleg zoals die door de gemeente wordt gegeven, namelijk dat er sprake zou zijn van een bevoegdheid in plaats van een verplichting om aanvragen die later dan 1 februari zijn binnengekomen door te schuiven naar het volgende jaar. Het gevolg hiervan zou zijn dat de aanvraag van SIO Noord-Holland pas per 1 januari 2015 gehonoreerd zou kunnen worden in plaats van per 1 augustus 2014.

Als SIO Noord-Holland over het jaar 2014 voor de huisvesting van de Islamitische school van de gemeente geen voorziening in de huisvesting kan verkrijgen, heeft de gemeente, en ook SIO, daarmee geen (spoedeisend) belang bij een vordering van de noodlokalen c.a. per 21 mei 2014 en daarmee bij de in dit geding ingestelde vorderingen.

Daarbij komt dat de voorzieningenrechter de stelling van de gemeente dat SOPO IJmond geen belang heeft bij de bescherming die voortvloeit uit deze bepalingen niet kan volgen. Immers biedt een ruimere termijn een school die wordt aangeschreven met een vordering als bedoeld in artikel 107 Wpo – en die daartegen, gelijk SOPO IJmond, gemotiveerde bezwaren heeft – de mogelijkheid een procedure te volgen via de bestuursrechtelijke weg en/of aan de Onderwijsraad advies te vragen over het programma Huisvestingsvoorziening.

Ook de door SOPO IJmond aangevoerde kwestie met betrekking tot de tijdelijke en blijvende leegstand komt de voorzieningenrechter zodanig plausibel voor dat het in de rede ligt eerst het oordeel van de bestuursrechter – de bij uitstek deskundige rechter bij kwesties als de onderhavige – af te wachten alvorens aan de niet eenvoudig terug te draaien vordering van de noodlokalen en aanverwante zaken uitvoering wordt gegeven. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat toch niet aannemelijk is dat SOPO IJmond in maart 2013 om de gemeente om een afvoer van de noodlokalen zou hebben gevraagd, als zij van mening zou zijn die lokalen ooit nog nodig te hebben.

De subsidiaire grondslag (het eigendomsrecht van de gemeente)

4.8.

Ten aanzien van de door de gemeente eerst ter zitting gestelde subsidiaire grondslag voor haar vordering heeft SOPO IJmond aangevoerd dat door nalatigheid van de gemeente SOPO IJmond tegen de met de gemeente gemaakte afspraken in geen eigenaar van De Zilvermeeuw is, dat SOPO IJmond steeds wel alle eigenaarlasten van de school heeft gedragen en dat daarmee een beroep van de gemeente op haar eigendomsrechten misbruik van bevoegdheid oplevert.

De voorzieningenrechter deelt dit verweer van SOPO IJmond, te meer nu door de gemeente ter zitting is aangeboden nog de volgende dag naar de notaris te gaan om uitvoering te geven aan de al veel eerder door partijen overeengekomen en uit te voeren eigendomsoverdracht.

4.9.

Gelet op het bovenstaande zal de voorziening derhalve worden geweigerd.

De overige stellingen van de gemeente en weren van SOPO IJmond behoeven gelet daarop geen bespreking meer. Door SIO Noord-Holland zijn (als tussenkomende partij) geen andere stellingen aangevoerd dan reeds door de gemeente waren aangevoerd.

4.10.

De gemeente zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SOPO IJmond worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

4.11.

SIO Noord-Holland heeft met haar tussenkomst niet bereikt hetgeen zij daarmee beoogde. Daarom dient ook zij als de in het ongelijk gestelde partij te worden beschouwd en in de gedingkosten te worden veroordeeld. Niet aannemelijk is geworden dat SOPO IJmond en de gemeente door de tussenkomst van SIO Noord-Holland extra proceskosten hebben gemaakt. De kosten verbonden aan de tussenkomst van SIO Noord-Holland zullen daarom aan de zijde van SOPO IJmond en de gemeente worden begroot op nihil.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de voorziening,

5.2.

veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van SOPO IJmond tot op heden begroot op € 1.424,00,

5.3.

veroordeelt SIO Noord-Holland in de proceskosten met betrekking tot haar tussenkomst, aan de zijde van SOPO IJmond en de gemeente begroot op nihil,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.C.M. Gerritsen-Martens op 31 juli 2014.1

1 Conc.: 702