Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:7224

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
15/710014-14 en 15/710031-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Meervoudige strafkamer.

Veroordeling wegens het met mishandeling gelijkgestelde opzettelijk benadelen van de gezondheid, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Rechtbank schuift verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde en ziet diens optreden direct na het voorval als koelbloedig en zijn handelen daarna als berekenend, gericht op het creëren van een alibi om zijn aanwezigheid te maskeren.

De deskundigen hebben de doodsoorzaak van het slachtoffer niet vast kunnen stellen.

Verdachte heeft voorts diploma's vervalst ter verkrijging van een baan. Bij die werkzaamheden had verdachte toegang tot privacygevoelige medische informatie.

Volgt strafoplegging van zeven jaar gevangenisstraf en (deels) toewijzing vordering benadeelde partij. Voor overige door benadeelde partij gevorderde kosten bestaat (nog) geen wettelijke basis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/710014-14 en 15/710031-14

Uitspraakdatum: 25 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 en 11 juli 2014 in de zaken tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1979 te Leiden,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.E. van der Leeuw en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Parketnummer 15/710014-14

Primair

hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Leiderdorp opzettelijk [slachtoffer] en haar ongeboren kind (van ongeveer 30 weken) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet,

- die [slachtoffer] (meermalen) met kracht met haar hoofd tegen een trap en/of de reling van een trap en/of de grond en/of tegen een (ander) hard voorwerp heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer] (hard) heeft geduwd en/of

- nog (ander) onbekend gebleven geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend en/of

- ( waardoor) die [slachtoffer] (tegen een hard voorwerp) ten val is/laten (ge)komen en/of

- ( vervolgens) de ademhaling van die [slachtoffer] op enigerlei wijze heeft belemmerd/haar heeft verstikt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] en haar ongeboren kind is/zijn overleden;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Leiderdorp ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:

- die [slachtoffer] (meermalen) met kracht met haar hoofd tegen een trap en/of de reling van een trap en/of de grond en/of tegen een (ander) hard voorwerp heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer] (hard) heeft geduwd en/of

- ( ander) onbekend gebleven geweld op die [slachtoffer] heeft uitgeoefend en/of

- ( waardoor) die [slachtoffer] (tegen een hard voorwerp) ten val is gekomen,

terwijl dat feit niet is voltooid en terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Leiderdorp opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door haar,

- ( meermalen) met kracht met haar hoofd tegen een trap en/of de reling van een trap en/of de grond en/of tegen een (ander) hard voorwerp heeft geslagen en/of

- ( hard) heeft geduwd (waardoor die [slachtoffer] (tegen een hard voorwerp) ten val is gekomen), tengevolge waarvan deze is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel (bewusteloosheid en/of belemmering van de ademhaling en/of hartfalen en/of een hartstilstand) heeft bekomen;

of

hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Leiderdorp opzettelijk [slachtoffer], in gevaar heeft gebracht door nadat/terwijl hij wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat die (zwangere)[slachtoffer] ten val was gekomen, althans zij zich in een hulpbehoevende toestand bevond, heeft nagelaten adequate (medische) hulp te verlenen en/of medische hulp in te schakelen, tengevolge waarvan deze is overleden althans zwaar lichamelijk letsel (bewusteloosheid en/of belemmering van de ademhaling en/of hartfalen en/of een hartstilstand) heeft bekomen;

Meest Subsidiair

Hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Leiderdorp grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld jegens [slachtoffer], door haar (na haar foutief te reanimeren) in (ernstig) gewonde toestand en/of met hartfalen en/of bewusteloos/onmachtig achter te laten in een trappenhuis van een flat en/of (vervolgens) geen hulp in te roepen voor die (zwaar) gewonde en/of bewustloze onmachtige [slachtoffer] en/of, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zodanig letsel (te weten hartfalen en/of een hartstilstand en/of belemmering van de ademhaling) heeft bekomen, door/bij welk handelen en/of nalaten van verdachte het aan diens schuld te wijten is, dat die [slachtoffer] is overleden;

en/of

hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Leiderdorp opzettelijk [slachtoffer] tot wier onderhoud, verpleging en/of verzorging hij, verdachte, krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door die [slachtoffer] (nadat hij haar ten val had laten komen/ zij (door zijn toedoen) ten val was gekomen en gewond en/of bewusteloos/onmachtig was geraakt) adequate (medische) verzorging te onthouden en/of na te laten medische hulp en/of verzorging in te schakelen, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel (een hoofdwond en/of hartfalen en/of een hartstilstand en/of bewusteloosheid en/of belemmering van de ademhaling) heeft bekomen;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Leiderdorp terwijl hij getuige is geweest van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde, heeft nagelaten die hulp te verlenen en/of te verschaffen die hij haar zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verlenen of verschaffen kon, terwijl de dood van die [slachtoffer] is gevolgd.

Parketnummer 15/710031-14

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 7 november 2013 te Amsterdam en/of te Leiden en/of te Leiderdorp en/of te Purmerend en/of te Woerden, en/althans (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) diploma('s) en/of cijferlijst(en), te weten:

- een bachelordiploma Bestuurskunde, althans een Bachelor degree of Public Administration en/of (een) (bijbehorende) cijferlijst van de Rijksuniversiteit Leiden en/of

- een propedeusediploma en/of cijferlijst van de opleiding Medische Biologie van de Universiteit van Amsterdam en/of

- een masterdiploma Geneeskunde, althans een Drs. degree General Medicine en/of (een) (bijbehorende) cijferlijst(en) van de Universiteit van Amsterdam,

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, dat/die diploma('s) en/of cijferlijst(en) heeft overlegd aan

- een of meer werkgever(s) te weten [werkgever 1] en/of[werkgever 2] en/of [werkgever 3] en/of [werkgever 4] (ter verkrijging van (een) ba(a)n(en)/arbeidscontract(en)), en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat bovengenoemd(e) diploma('s) en/of cijferlijst(en) (op een computer) geheel valselijk is/zijn opgemaakt en/of (vervolgens) is/zijn uitgeprint.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit onder parketnummer 15/710014-14 en van het feit ten laste gelegd onder parketnummer 15/710031-14.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit tot vrijspraak van al hetgeen onder parketnummer 15/710014-14 ten laste is gelegd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hetzelfde geldt voor het onder parketnummer 15/710031-14 ten laste gelegde feit.

3.3. Ten aanzien van parketnummer 15/710014-141

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 15/710014-14 primair, subsidiair en meer subsidiair eerste alternatief ten laste gelegde niet bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken. Het meer subsidiair tweede alternatief ten laste gelegde acht de rechtbank wel bewezen. De rechtbank overweegt als volgt.

3.3.1 Aantreffen slachtoffer

[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) woonde in oktober 2013 op het adres [adres 1] te Leiderdorp, een appartement op de 3e etage van een flatgebouw. Op 30 oktober 2013 rond 11.00 uur heeft getuige[R], die in de hal van de flat op haar man stond te wachten,[slachtoffer] aan zien komen rijden in haar blauwe autootje. Het duurde lang voordat zij uit de auto kwam. Ze was zichtbaar zwanger. Zij liep langzaam en de getuige nam aan dat dit door de zwangerschap kwam. Zij had een tas bij zich, het was geen kleine tas en geen boodschappentas maar iets daartussen in. [slachtoffer] kwam het flatgebouw binnen en ging vervolgens via een deur die je met een sleutel moet openen, de andere hal in waar de trap en de lift is. Vervolgens is de getuige haar uit het oog verloren. De getuige is iets later naar haar woning op de tweede verdieping gegaan. Omstreeks 11.45 à 12.00 uur is zij via de trap weer naar beneden gelopen. Zij heeft toen in het trappenhuis niets gezien.2 Getuige [B], bewoner van [adres 2], een appartement op de 6e verdieping, liep op 30 oktober 2013 omstreeks 12.25 uur vanuit zijn woning via het trappenhuis naar de begane grond. Toen hij op de trap van de 4e naar de 3e etage liep, zag hij een grote rode plas bloed liggen. Toen hij vervolgens naar beneden keek richting de 2e verdieping, zag hij onderaan de trap een zwangere vrouw ruggelings op de trap liggen. Deze vrouw bleek later [slachtoffer] te zijn. Hij zag dat haar gezicht en handen met bloed waren besmeurd. Hij heeft direct 112 gebeld, waarvan hij het advies kreeg haar ruggelings plat op de grond te leggen. Hij heeft haar toen van de trap getrokken en op het tussenstuk van de trap gelegd. Hij voelde geen hartslag.3 Om 12.28 uur komt de melding bij 112 binnen. Uit de melding blijkt dat de getuige [B] tijdens het bellen van 112 even is weggelopen van het slachtoffer.4 Getuige [K], woonachtig op [adres 3], kwam even na 12 uur terug van haar yoga-les. Bij het omhoog gaan van de trap zag ze op de “2,5e” etage – het verkorte halletje bij het raam – het slachtoffer liggen in een ongewone houding. Omdat zij EHBO had gedaan, heeft zij de linkerpols van het slachtoffer gevoeld en haar in een stabiele zijligging gelegd. Zij merkte en zag dat het slachtoffer een lage hartslag had. Daarom heeft zij haar weer teruggedraaid en haar mond op mond beademd om haar luchttoevoer te geven. Ook heeft zij haar ongeveer 6 keer op haar borst gedrukt om een soort hartmassage te geven. Zij besefte toen dat zij eigenlijk 112 moest bellen. Zij liep vervolgens naar boven naar haar woning op de vierde verdieping, want zij had geen mobiele telefoon bij zich. Op het moment dat zij naar boven liep, hoorde zij iemand van boven de trap af komen en dat iemand al telefonisch bezig was en een melding van het ongeval deed. Later heeft zij begrepen dat dit de bewoner van [adres 2] moet zijn geweest.5 Hoofdagent [H] had noodhulpdienst en kreeg een melding van een reanimatie. Toen hij ter plaatse kwam, is hij naar boven gerend en meteen met reanimatie begonnen. Toen kwamen er ambulancebroeders binnen die reanimatie overnamen.6 Om 12.37 uur en 12.38 uur kwamen twee ambulances ter plaatse. Er werd toen geen hartslag geconstateerd. Er werd beademing gestart, waarbij zuurstof werd toegediend. De ambulance medewerkers hebben haar hart toen weer aan de gang gekregen. Het slachtoffer werd met eigen hartritme en bloedcirculatie overgebracht naar het LUMC (Leids Universitair Medisch Centrum).7 Bij aankomst in het ziekenhuis is de reanimatie hervat. Geconstateerd werd dat het ongeboren kind was overleden. Er werd nog een spoedkeizersnede uitgevoerd om de reanimatie van het slachtoffer kans van slagen te geven. Zij is echter omstreeks 14.00 uur overleden.8

Bij een op 30 oktober 2013 om 17.00 uur gehouden uitwendige schouw zijn de volgende letsels geconstateerd: “een boven op het behaarde hoofd centraal en bijna recht verlopende scheurwond van ongeveer drieënhalve centimeter lang tot op de hersenschedel; op de linkerschouder ter hoogte van het schouderblad een verkleuring van de huid passend bij een blauwe plek; rondom het linkeroog voornamelijk op het boven ooglid een verkleuring en zwelling van de huid passend bij een blauwe plek; links op de neusrug een kleine verwonding.”9 Op woensdag 30 oktober 2013 om 13.15 uur is de politie ter plaatse een forensisch onderzoek gestart, waarbij onder meer het volgende is bevonden: De woning [adres 1] is gelegen op de 3e etage. De voordeur van deze woning grensde als enige aan het trapportiek op de 3e etage. Op het bordes van de 3e etage werd een plas geronnen bloed met daaromheen meerdere ronde bloeddruppels aangetroffen. Tevens werd op dit bordes bloed aangetroffen in de vorm van een veegspoor wat in de richting van de neergaande trap liep. Op de opgaande betonnen trap werden op de randen van de eerste trede en de trapboom en de onderste rand van het metalen hek bloedveegjes aangetroffen. Op de traptreden van de neergaande betonnen trap werden langs het hekwerk enkele kleine ronde bloeddruppels aangetroffen. Op het stalen hekwerk van de neergaande trap werden op enkele spijlen bloedvegen aangetroffen. Op het eerstvolgende trapbordes naar beneden werden enkele bloedvegen aangetroffen. Dit was het trapbordes waarop het slachtoffer zou zijn gereanimeerd. Van deze bevindingen zijn foto’s gemaakt, die zich in het dossier bevinden.10

Bij sectie op het lichaam van het slachtoffer was geen doodsoorzaak aanwijsbaar.11

3.3.2. Verklaring verdachte omtrent een “reanimatie”

Verdachte is op 7 november 2013 aangehouden en is tien keer door de politie verhoord.12 Verdachte heeft aanvankelijk verklaard het slachtoffer op 30 oktober 2013 niet te hebben gezien.13 Uit camerabeelden is echter gebleken dat verdachte die ochtend op twee momenten in Leiden achter de auto van [slachtoffer] is aangereden (naar en van het LUMC). Verdachte is door de politie geconfronteerd met onjuistheden in zijn verklaringen. In het 7e verhoor, op 15 november 2014[(noot publiceerder: lees 2013)] heeft verdachte toegegeven [slachtoffer] die dag inderdaad in het flatgebouw waar zij woonde te hebben gezien. Hij heeft samengevat het volgende hierover verklaard: Hij was toevallig in de buurt van haar flat, toen hij bedacht dat hij een normaal gesprek wilde voeren met het slachtoffer over hun zoontje, [N]. Hij ging het flatgebouw binnen en kwam haar toevallig in het trappenhuis tegen. Daar kregen zij een korte woordenwisseling, waarbij het slachtoffer emotioneel werd en met een plastic tasje naar hem zwaaide. Het tasje kwam daarbij achter hem op de grond terecht. Daarop is het slachtoffer naar boven gehold en ging hij zelf naar beneden met de bedoeling weg te gaan. Toen hij bijna beneden was, hoorde hij een soort doffe klap en een kreun. Hij heeft toen even staan wachten in de verwachting dat hij de deur van de woning van het slachtoffer zou horen open- en dichtgaan. Toen hij dit na enkele minuten nog niet hoorde, is hij weer naar boven gelopen. Hij trof het slachtoffer bewegingsloos aan op het plateau voor haar woning met haar hoofd in een plas bloed en met een been over de trap. Verdachte heeft haar hoofd weggehaald bij de plas bloed en is begonnen met reanimeren. Verdachte kon niet voorkomen dat het slachtoffer tijdens de reanimatie van de trap begon te glijden. Hij heeft getracht de reanimatie op de trap door te zetten. Toen hij iemand hoorde bellen, is hij in paniek het flatgebouw uitgerend. Hij ging er vanuit dat het slachtoffer toen al was overleden. Vervolgens heeft hij een knop omgezet en heeft hij maar net gedaan of er niets gebeurd was en of hij van niets wist. Hij was bang dat hij anders zou worden opgepakt en dit zou – samen met het overlijden van zijn moeder - te veel zijn voor zijn zoontje [N]. Hij nam aan dat er inmiddels hulpdiensten ter plaatse waren, zodat er voor hem geen noodzaak was om hulp in te roepen. Bovendien had dit in zijn visie toch geen zin meer gehad, nu hij er van uit ging dat het slachtoffer al was overleden, aldus nog steeds verdachte.14

Er heeft een reconstructie plaatsgevonden, waarbij verdachte heeft voorgedaan hoe een en ander zou zijn gegaan.15

3.3.3. Overweging ten aanzien van de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte

De rechtbank hecht echter geen geloof aan deze verklaring zoals ook verbeeldt in de reconstructie van verdachte om de volgende redenen.

Uit het dossier komt het beeld naar voren van een langdurige ingewikkelde relatie tussen verdachte en het slachtoffer, waarbij onder meer opvalt dat verdachte de omgang met [N], hun zoontje dat is geboren in 2007, inzette als machtsmiddel jegens het slachtoffer.16 Uit getuigenverklaringen blijkt dat het slachtoffer in de loop der tijd steeds mondiger werd. Zo had zij een advocaat ingeschakeld en een kort geding tegen verdachte gevoerd waarin zij eiste dat hij haar het paspoort van [N] zou overhandigen ten behoeve van een geplande vakantie. Bij vonnis d.d. 12 juli 2013 was verdachte onder meer tot afgifte van dit paspoort aan het slachtoffer veroordeeld waarbij hij bij overtreding daarvan een dwangsom verbeurde van maximaal € 10.000,--.17 Verdachte heeft zich niet aan deze uitspraak gehouden en heeft dientengevolge dwangsommen verbeurd tot een bedrag van € 10.000,--. Uit onderzoek blijkt dat het slachtoffer kort voor 30 oktober 2013 via de deurwaarder loonbeslag op het salaris van verdachte had doen leggen. Verdachte was over dit beslag op zijn salaris boos of zelfs “pislink”.18 Medio oktober had hij al voor het huis van het slachtoffer staan gluren.19 Op de ochtend van 30 oktober 2013 heeft verdachte het slachtoffer tot twee maal toe gevolgd met de auto.20 Verdachte wist dat het slachtoffer [N]woensdagochtend rond 12 uur zou ophalen van school. Verdachte – die normaal gesproken nooit te laat kwam21 – had die ochtend om 12.30 uur een werkafspraak in Alkmaar, doch bevond zich desalniettemin rond 12 uur nog in de flat van het slachtoffer in Leiderdorp. Kennelijk heeft verdachte het slachtoffer die ochtend bewust opgezocht in haar woning.

Verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar onenigheid met het slachtoffer heeft gehad in het trappenhuis, maar al op weg was naar de uitgang toen hij “iets” hoorde, waarna hij naar boven is gegaan, waar hij haar levenloos in een plas bloed zag liggen. Hij heeft vervolgens nog geprobeerd om het slachtoffer te reanimeren, waarbij hij eerst het slachtoffer zou hebben weggetild/getrokken van de plas bloed. Door de druk die hij bij de reanimatie op haar heeft uitgeoefend is zij op enig moment van de trap gegleden, aldus verdachte.

Gelet op de lengte en het gewicht van het slachtoffer, de plekken waar de plas bloed en de overige bloedsporen in het trappenhuis zijn aangetroffen en het rapport van deskundige Schuffelen-Cuypers22, acht de rechtbank dit verhaal van verdachte omtrent de reanimatie volstrekt ongeloofwaardig. Verdachte heeft meerdere reanimatie cursussen gevolgd23, maar heeft zich aan geen van de voorschriften, zoals met name het direct inroepen van (medische) hulp, gehouden. Bovendien was het vanzelfsprekend geweest dat verdachte – als hij het slachtoffer daadwerkelijk had willen reanimeren – haar plat op haar rug op het plateau had neergelegd. Daarvoor was alle ruimte en gelegenheid. De verklaring van verdachte dat hij niet kon voorkomen dat het slachtoffer tijdens de reanimatie van de trap afgleed en dat hij ook tijdens dit van de trap glijden nog is doorgegaan met reanimeren, waarbij hij een voet onder haar lichaam zou hebben geplaatst ter ondersteuning, acht de rechtbank – alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder het feit dat hij er tijdens de reconstructie blijk van gaf, onder andere door de manier waarop hij zijn handen plaatste, wel op juiste wijze te kunnen reanimeren24 – bijzonder ongeloofwaardig. Tenslotte stelt de rechtbank vast dat er geen enkel DNA spoor van verdachte op het T-shirt van het slachtoffer is aangetroffen, hetgeen wel in de rede zou hebben gelegen als verdachte de door hem gestelde zeer intensieve reanimatie op het slachtoffer zou hebben uitgevoerd. Van een door verdachte uitgevoerde reanimatie is kortom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest.

Wel maakt de rechtbank uit de verklaring van verdachte op dat hij de laatste is die het slachtoffer nog in normale toestand heeft gezien.

3.3.4. Tas slachtoffer

Opvallend is dat de tas met persoonlijke spullen, onder meer de huissleutels en telefoon, van het slachtoffer niet in het trappenhuis is gevonden noch in haar woning is aangetroffen. Geen van de getuigen noch de gearriveerde hulpdiensten hebben een tas aangetroffen. Verschillende getuigen hebben verklaard dat het slachtoffer nooit zonder haar tas van huis zou gaan, hetgeen ook logisch voorkomt nu zij daarin haar telefoon en huissleutels bewaarde. Ook zijn de telefoon en de huissleutels buiten de tas van het slachtoffer nergens aangetroffen terwijl het slachtoffer na het ophalen van school van [N] haar huissleutels nodig zou hebben om haar woning binnen te gaan. Verdachte zegt deze tas niet te hebben gezien en ook niet te hebben meegenomen. Nu verdachte de laatste is die het slachtoffer in normale toestand heeft gezien en zij op dat moment net met haar tas van huis moet zijn gegaan om haar zoontje van school te halen, terwijl het slachtoffer kort daarna door getuige [B] is aangetroffen, wijst alles er op dat verdachte deze tas met inhoud, waaronder de telefoon van het slachtoffer, heeft meegenomen.

3.3.5. Alibi creëren

Verdachte heeft de flat kort na 12.00 uur verlaten en het slachtoffer voor dood in het trappenhuis achtergelaten. Om 12.08 en 12.09 heeft zijn zus hem gebeld omdat [N] niet werd opgehaald door zijn moeder. Hij heeft om 12.14 uur teruggebeld. Hij heeft toen niets tegen zijn zus gezegd over het feit dat de moeder van[N] ernstig gewond in het trappenhuis lag, doch wel met zijn zus besproken dat zij [N] mee zou nemen omdat zijn moeder hem niet had opgehaald.25 Om 12.18 uur heeft verdachte naar de telefoon van het slachtoffer gebeld. Om 12.19 uur heeft verdachte, zoals nadien is gebleken uit de whatsapp-pagina van het slachtoffer, vervolgens een handeling verricht met de door hem meegenomen telefoon van het slachtoffer. Van deze pagina heeft hij nadien, op 3 november 2013, een foto gemaakt.26 Om 12.21 uur heeft verdachte naar zijn advocaat gebeld en om 12.23 uur heeft hij naar de school van zijn zoontje gebeld.27 Met de advocaat en de school heeft hij gesproken over het feit dat het slachtoffer hun zoontje niet uit school had gehaald. Hij heeft wederom niets gemeld over het feit dat het slachtoffer, zoals hij wist, toen zwaargewond was of reeds overleden. Verdachte heeft vervolgens naar het LUMC gebeld om een afspraak te maken op de polikliniek Huidziekten. Daarna is hij naar zijn afspraak in Alkmaar gegaan, waar hij een uur te laat is aangekomen. Ook plaatste hij diezelfde middag nog berichten op Facebook, alsmede zond hij om 14.02 via Facebook een privé chatbericht naar zijn schoonmoeder, waarin onder meer staat “die troela is niet komen opdagen”.28 Hij heeft die dag om 11.29 uur en 14.26 uur twee e-mails gestuurd naar het slachtoffer, waarin hij vraagt waarom zij [N]niet is komen ophalen29 en om 16.01 uur heeft hij haar wederom gebeld. Om 18.27 stuurde hij een bericht naar de telefoon van het slachtoffer met de woorden “[N] wil graag dat je hem belt”. Toen hij kort daarna door de politie werd geïnformeerd over het overlijden van het slachtoffer reageerde hij alsof hij van niets wist. Verdachte heeft het doen lijken alsof hij niet op de hoogte was van de hulpbehoevende toestand waarin het slachtoffer zich bevond toen hij haar achterliet. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij in paniek verkeerde. Daarvan is echter niet gebleken. Zijn optreden direct na het voorval komt veeleer over als koelbloedig. Verdachte was ontegenzeggelijk gericht op het creëren van een alibi om zijn aanwezigheid in het flatgebouw van het slachtoffer te maskeren en ging daarbij berekenend te werk.

3.3.6. Oorzaak overlijden

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte ten aanzien van het voorval op 30 oktober 2013 en met name de gestelde reanimatie, ongeloofwaardig en schuift deze in zoverre dan ook ter zijde. Daarmee is echter nog niet de vraag beantwoord, wat het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet voor 100% worden uitgesloten dat een andere oorzaak dan geweld door verdachte heeft geleid tot haar dood. Vooropgesteld wordt dat de deskundigen geen doodsoorzaak hebben kunnen vaststellen. Een door de patholoog in het sectierapport geopperde hypothese is dat sprake is geweest van een noodlottige valpartij. Het sporenonderzoek – dat mogelijk te lijden heeft gehad van het feit dat aanvankelijk werd uit gegaan van een ongeluk – heeft evenmin uitsluitsel kunnen geven. De tenlastelegging spreekt van het met kracht slaan van het hoofd tegen de trap, grond of een ander voorwerp, het harde duwen, het ten val laten komen en/of het op enigerlei wijze belemmeren van de ademhaling van [slachtoffer], ten gevolge waarvan zij is komen te overlijden. Dergelijke feiten kunnen echter op grond van de huidige processtukken niet bewezen worden. Hoewel de deskundige Botter heeft verklaard dat een spontaan overlijden bij een gezonde jonge vrouw als [slachtoffer], zeer zelden voorkomt, kan dit ook niet geheel worden uitgesloten.

3.3.7. Vrijspraak primair, subsidiair en meer subsidiair eerste alternatief

Nu de ten laste gelegde gewelddadigheden niet kunnen worden bewezen en de oorzaak van het overlijden niet kan worden vastgesteld, dient verdachte van het primair, subsidiair en meer subsidiair eerste alternatief, ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

3.3.8. Meer subsidiair tweede alternatief

De raadsman heeft het volgende aangevoerd. Verdachte is weliswaar bij het slachtoffer weggegaan zonder (medische) hulp in te schakelen, doch hij heeft wel degelijk getracht haar adequate medische hulp te verlenen door direct over te gaan tot reanimatie. Verdachte heeft derhalve juist niet nagelaten alles te doen wat in zijn vermogen lag, ook al heeft dit helaas niet mogen helpen. Toen verdachte de flat verliet was hij in de gerechtvaardigde veronderstelling dat het slachtoffer was overleden, zodat er op dat moment geen verplichting meer was voor het inschakelen van medische hulp. Toen verbalisant [H] ter plaatse kwam, voelde deze ook geen hartslag. Er is geen causaal verband tussen het feit dat verdachte de flat verliet zonder medische hulp in te schakelen en het overlijden van het slachtoffer. Verdachte kon er redelijkerwijs van uitgaan dat er op dat moment geen succesvolle levensreddende handelingen meer zouden kunnen worden toegepast door hulpdiensten. Om die reden dient verdachte ook van het meest subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus nog steeds de raadsman.

De rechtbank volgt de raadsman niet in dit betoog en overweegt hieromtrent als volgt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, wordt geen geloof gehecht aan de verklaring van verdachte dat hij heeft getracht het slachtoffer te reanimeren. Van adequate medische hulpverlening door verdachte – die daar mogelijk wel toe in staat was gelet op zijn medische kennis en het feit dat hij meerdere reanimatietrainingen heeft gevolgd – is dan ook geen sprake geweest. Verdachte heeft niet alleen direct na het incident maar ook op vele momenten daarna, de gelegenheid gehad om medische hulp in te schakelen. Hij heeft echter niet om hulp geroepen, bij buren aangebeld of 112 gebeld. Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft verdachte er daarentegen kennelijk welbewust voor gekozen meteen een vals alibi te creëren, waarbij hij berekenend te werk is gegaan.

Getuige[K] heeft – nadat verdachte was vertrokken – het slachtoffer gezien en heeft nog een polsslag gevoeld, zodat ook de verklaring van verdachte dat hij geen hartslag meer voelde en dacht dat zij al was overleden niet geloofwaardig is. Bovendien staat vast dat het de hulpdiensten is gelukt om haar eigen hartritme en bloedsomloop weer op gang te krijgen. Het slachtoffer was dus niet dood toen verdachte de flat verliet. Of verdachte nu wel of niet dacht dat het slachtoffer reeds was overleden, doet overigens niet ter zake. Feit van algemene bekendheid is dat ook bij het ontbreken van enige hartslag directe medische hulp er toe kan leiden dat een slachtoffer overleeft. Tenslotte geldt nog dat het uiteraard niet aan verdachte was om de dood met zekerheid vast te stellen, doch dat zulks is voorbehouden aan een arts.

De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het meer subsidiair tweede alternatief onder parketnummer 15/710014-14 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.

3.4. Parketnummer 15/710031-1430

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/710031-14 ten laste gelegde feit.

Tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte zijn er in een tablet digitale diploma’s van de universiteiten van Leiden en Amsterdam op naam van verdachte aangetroffen.31 Verdachte was ten tijde van zijn aanhouding werkzaam bij het bedrijf [werkgever 4] te Hoofddorp. Ten behoeve van zijn sollicitatie bij dit bedrijf heeft verdachte een afschrift overhandigd van een bachelordiploma Bestuurskunde, althans een Bachelor degree of Public Administration van de Rijksuniversiteit Leiden en van een doctoraal diploma Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam.32 Verdachte heeft nooit ingeschreven gestaan bij de Rijksuniversiteit Leiden.33 Verdachte heeft van 1 september 1999 tot en met 31 januari 2012 als voltijd student voor de studie Geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam ingeschreven gestaan. Hij heeft geen masterdiploma voor deze studie behaald.34 Verdachte heeft op 20 januari 2013 een jaarcontract gekregen bij [werkgever 4]. Voor de functie die verdachte bekleedde is een universitair diploma, het liefst in een medische richting, vereist.35

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder meer subsidiair tweede alternatief van parketnummer 15/710014-14 ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 15/710031-14 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

Parketnummer 15/710014-14

Meer Subsidiair tweede alternatief

hij op 30 oktober 2013 te Leiderdorp opzettelijk [slachtoffer], in gevaar heeft gebracht door terwijl hij wist dat die zwangere [slachtoffer] ten val was gekomen, althans dat zij zich in een hulpbehoevende toestand bevond, heeft nagelaten adequate medische hulp te verlenen en medische hulp in te schakelen, ten gevolge waarvan deze is overleden.

Parketnummer 15/710031-14

hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 7 november 2013 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse diploma's, te weten:

- een bachelordiploma Bestuurskunde, althans een Bachelor degree of Public Administration van de Rijksuniversiteit Leiden en

- een masterdiploma Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam,

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte die diploma's heeft overgelegd aan

- een werkgever, te weten [werkgever 4] ter verkrijging van een baan en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat bovengenoemde diploma's geheel valselijk zijn opgemaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Meer subsidiair tweede alternatief onder parketnummer 15/710014-14:

het met mishandeling gelijkgestelde opzettelijk benadelen van de gezondheid, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Parketnummer 15/710031-14: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verhouding tussen verdachte en het slachtoffer bevond zich in een escalerende fase toen verdachte haar op 30 oktober 2013 doelbewust opzocht op een moment dat zij zich alleen in haar flatgebouw bevond. Het slachtoffer, 31 weken zwanger, is op enig moment in overduidelijk hulpbehoevende, bloedende toestand gekomen. Verdachte had haar en hun ongeboren kind kunnen redden door medische hulp te verlenen en in te schakelen, maar heeft er om duistere redenen voor gekozen dit niet te doen. Hij heeft het slachtoffer doelbewust in de steek gelaten met als gevolg dat zowel zij als hun levensvatbare dochtertje, zijn overleden. Onmiddellijk nadat verdachte is weggegaan heeft hij op slinkse wijze een alibi gecreëerd, waarbij hij berekenend te werk is gegaan. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden in de steek laten van het slachtoffer zo mogelijk nog erger dan een uit de hand gelopen ruzie met fatale afloop. In het laatste geval kan immers sprake zijn van een emotionele opwelling met fatale gevolgen, terwijl in dit geval verdachte de gelegenheid had om het leven van het slachtoffer en hun dochtertje te redden. Hij heeft dit echter niet gedaan en vervolgens zijn de slachtoffers inderdaad overleden. Verdachte heeft door dit nalaten onmetelijk leed toegebracht aan velen die het slachtoffer lief hadden en haar nodig hadden, waaronder hun zoon [N]. Hij heeft zijn zoon aldus de mogelijkheid ontnomen op te groeien in een situatie waarin hij zich omringd kon weten door de zorg en liefde van zijn moeder, wat van invloed zal zijn op de rest van zijn leven. Ook het leven van de direct nabestaanden van het slachtoffer heeft hij op traumatische wijze beïnvloed. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan en acht dan ook slechts de maximaal toegestane onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren voor dit feit passend.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hij was in het bezit van valse diploma’s en heeft deze gebruikt ter verkrijging van een baan. Zonder deze diploma’s en met name het masterdiploma Geneeskunde had hij de baan niet gekregen. Zijn werkzaamheden bestonden uit het controleren van artsen en verpleegkundigen met betrekking tot patiëntgegevens en hen daarover te instrueren. Verdachte had aldus toegang tot privacygevoelige medische informatie die hij zonder deze diploma’s niet had verkregen. Ook dit acht de rechtbank een ernstig feit, zij het dat het niet in verhouding staat tot de door verdachte gepleegde mishandeling door nalaten met dodelijke afloop.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Mr. M. Lousberg heeft namens de benadeelde partij [D], moeder van het overleden slachtoffer, een vordering tot schadevergoeding van € 16.088,37,- ingediend wegens materiële en immateriële schade die zij heeft geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit een bedrag van € 6.586,53- voor uitvaartkosten, € 200,- aan reis-/telefoonkosten, € 710,- terzake van de kosten van een kort geding, € 459,64,- voor de griffierechten, € 120,- voor een akte beneficiaire aanvaarding, € 12,20,- aan kosten voor een uittreksel en € 8.000,- terzake van door haar geleden immateriële schade.

De raadsman van verdachte heeft zich terzake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder parketnummer 15/710014-14 bewezen verklaarde feit. In zoverre zal de vordering ten bedrage van per saldo € 8.088,37 dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank is echter van oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering tot vergoeding van immateriële schade kan worden ontvangen en overweegt hiertoe als volgt.

In de strafrechtelijke procedure is voorzien in het instellen van een civielrechtelijke vordering. Deze uitzonderlijke rechtsingang heeft echter een beperkt bereik: een vordering kan alleen worden ingesteld door slachtoffers van strafbare feiten alsmede door de directe nabestaanden en degenen die met het slachtoffer in gezinsverband samenwoonden, doch uitsluitend indien het slachtoffer geheel of grotendeels in hun levensonderhoud voorzag.

Daarbij gaat het om schade, zoals deze is geregeld in art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW): de schade wegens derving van levensonderhoud. In deze zaak voorzag het slachtoffer echter niet in het levensonderhoud van haar moeder, zodat dit geen grond voor ontvankelijkheid kan opleveren.

De door de raadsvrouw genoemde wetswijziging van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven uit 2011 en het voorliggende wetsvoorstel “schadevergoeding zorg en affectieschade” bieden op dit moment (nog) geen wettelijke basis voor toekenning van de gevorderde immateriële schade.

Op 15 november 2012 is de EU-Richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten van slachtoffers van strafbare feiten in werking getreden (2012/29/EU). Daarin is in artikel 2 lid 1 sub a onder ii bepaald dat de Nederlandse wetgever ervoor moet zorgen dat in de wet ook als “slachtoffer” moeten worden beschouwd familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon. Die Richtlijn dient uiterlijk 16 november 2015 te zijn geïmplementeerd in het Nederlandse recht. Vaststaat dat dat op dit moment (nog) niet het geval is. Deze Richtlijn heeft daarom nu geen rechtstreekse werking en de nabestaanden kunnen er dus ook nog geen beroep op doen.

Het voorgaande brengt mee dat de moeder van het slachtoffer in de onderhavige strafrechtelijke procedure niet kan worden ontvangen in haar vordering, voor zover deze ziet op door haar geleden immateriële schade.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 57, 225, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder primair, subsidiair en meer subsidiair, eerste alternatief van parketnummer 15/710014-14 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder meer subsidiair, tweede alternatief van parketnummer 15/710014-14 ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 15/710031-14 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder meer subsidiair, tweede alternatief van parketnummer 15/710014-14 ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 15/710031-14 ten laste gelegde feit de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaar.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [D] geleden schade tot een bedrag van € 8.088,37, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [D], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [D] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.088,37, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 75 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Daalmeijer, voorzitter,

mr. C.A. Boom en mr. P.H. Lauryssen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 juli 2014.

Mr. P.H. Lauryssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [R] d.d. 10 november 2013, getuigendossier pagina 54.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2013, getuigendossier pagina 25.

4 Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de 112 melding d.d. 14 februari 2013, zaaksdossier pagina 24.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [K] d.d. 13 november 2013, getuigendossier pagina’s 73 en 74.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige[H] d.d. 14 november 2013, getuigendossier pagina’s 29 en 30.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport door forensisch arts D. Botter d.d. 22 april 2014, forensisch dossier pagina 377; proces-verbaal van verhoor getuige[J] d.d. 20 februari 2014, getuigendossier pagina 43.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer aan de officier van justitie d.d. 30 oktober 2013, zaaksdossier pagina’s 37-38.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer aan de officier van justitie d.d. 30 oktober 2013, zaaksdossier pagina’s 37-38.

10 Een proces-verbaal van een niet natuurlijk overlijden d.d. 19 november 2013, forensisch dossier pagina 11; bijbehorende foto’s nummer 17 tot en met 30, forensisch dossier pagina’s 31-45.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport “pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” door patholoog A. Maes van 30 december 2013, forensisch dossier pagina 167.

12 Persoonsdossier verdachte.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 november 2013, persoonsdossier pagina 40.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 november 2013, persoonsdossier pagina’s 86 en 87; verklaring verdachte ter terechtzitting van 10 juli 2014.

15 Videoregistratie van de reconstructie d.d. 16 januari 2014 BVH nummer PL21/2014002047, los opgenomen in het strafdossier.

16 Proces-verbaal van bevindingen verhoor getuige [A] d.d. 1 november 2013, getuigendossier pagina’s 46-49; proces-verbaal van verhoor getuige[Z] d.d. 14 november 2013, getuigendossier pagina 167.

17 Vonnis in kort geding d.d. 12 juli 2013, zaaksdossier pagina 351.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [W] d.d. 17 februari 2014, getuigendossier pagina’s 213-214; proces-verbaal van verhoor getuige [S] d.d. 17 februari 2014, getuigendossier pagina’s 215-216; proces-verbaal van verhoor getuige [SB] d.d. 31 oktober 2013 getuigendossier pagina’s 124-126.

19 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 20 november 2013, persoonsdossier pagina 127; proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 februari 2014, zaaksdossier pagina’s 74 en 78.

20 Proces-verbaal van bevindingen camera beelden LUMC d.d. 7 november 2013, zaaksdossier pagina 50; proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2013, zaaksdossier pagina 47.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [C] d.d. 27 november 2013, getuigendossier pagina 113.

22 Een schriftelijk stuk, te weten een schrijven met eerste bevindingen gericht aan de rechter-commissaris d.d. 15 juni 2014, los opgenomen in het strafdossier.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 november 2013, persoonsdossier pagina 97.

24 Proces-verbaal verhoor van getuige deskundige Schuffelen-Cuypers, afgelegd bij de rechter-commissaris op 26 juni 2014, pagina 2 halverwege, los opgenomen in het strafdossier.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [EM] d.d. 8 november 2014, getuigendossier pagina 50.

26 Proces-verbaal laatst online [slachtoffer] d.d. 4 december 2013, los opgenomen in het strafdossier; proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 juli 2014, los opgenomen in het strafdossier.

27 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 november 2013, zaaksdossier pagina 122.

28 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2014, zaaksdossier pagina 135.

29 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2014, zaaksdossier pagina’s 139 en 140.

30 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2014, dossierpagina 49.

32 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 maart 2014, dossierpagina 3; een kopie van een diploma Bachelor of Science in Public Administration van de Universiteit van Leiden op naam van verdachte, dossierpagina 33; een kopie van een diploma Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam op naam van verdachte, dossierpagina 32.

33 Proces-verbaal van aangifte d.d. 28 maart 2014, dossierpagina’s 56 en 57.

34 , proces-verbaal van aangifte d.d. 20 maart 2014, dossierpagina’s 54-55.

35 proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 november 2013, dossierpagina’s 25-26.