Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:7

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-01-2014
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_1823
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Correcties naheffingsaanslagen (reis)kostenvergoedingen worden in beroep grotendeels in stand gelaten door de rechtbank.

Inspecteur slaagt niet in bewijs voorwaardelijk opzet dan wel grove schuld ten aanzien van de opgelegde vergrijpboetes

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/121
V-N 2014/13.22.18
FutD 2014-0138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/1823 en 13/1824

Uitspraakdatum: 9 januari 2014

Uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen

[X] C.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: [A],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zaandam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de gedingen

1.1.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag loonheffingen (aanslagnummer [NUMMER]) (hierna: aanslag LH 2006) opgelegd ten bedrage van € 29.709, alsmede bij beschikking een boete van € 2.800.

1.2.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 een naheffingsaanslag loonheffingen (aanslagnummer [NUMMER]) (hierna: aanslag LH 2007) opgelegd ten bedrage van € 55.477, alsmede bij beschikking een boete van € 5.700. Tegelijkertijd is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 8.426.

1.3.

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 14 maart 2013 de aanslag LH 2006 verminderd tot € 5.440, de daarop betrekking hebbende boete verminderd tot € 544, de aanslag LH 2007 verminderd tot 4.365, de daarop betrekking hebbende boete tot € 43 en de heffingsrentebeschikking tot € 662.

1.4.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld, ontvangen bij verweerder op 22 maart 2013. Verweerder heeft op 27 maart 2013 het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank op de voet van artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

1.5.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2013. Namens eiseres is daar verschenen [A]. Namens verweerder zijn verschenen mr. P. Brouwer, P. Springer en A. Kramer.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiseres is opgericht op 9 februari 2005. Haar activiteiten bestonden uit het vervaardigen en plaatsen van aluminium kozijnen en het plaatsen van vliesgevels. Per 19 november 2010 zijn de bedrijfsactiviteiten van eiseres beëindigd in verband waarmee eiseres per die datum is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

2.2.

Vanaf de oprichting tot 28 december 2007 was[A BEDRIJF] Limited, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, beherend vennoot. Vanaf 28 december 2007 was [B BEDRIJF] Limited, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, beherend vennoot. [A] was directeur zowel van eiseres als van[A BEDRIJF] Limited en [B BEDRIJF] Limited. Het belang in[A BEDRIJF] Limited en [B BEDRIJF] Limited was in handen van [C], de partner van [A].

2.3.

Eiseres heeft in de jaren 2006 en 2007 aan haar werknemers reiskostenvergoedingen verstrekt, ter zake waarvan geen loonheffingen hebben plaatsgevonden.

2.4.

In augustus 2008 is bij eiseres een boekenonderzoek gestart waarbij onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de jaren 2006 en 2007 is onderzocht. In de daarop volgende periode is ook een aantal derdenonderzoeken ingesteld en is de loonadministrateur van eiseres bezocht. De bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 28 november 2011. In het rapport zijn onder meer de onderhavige aanslagen aangekondigd. Die hadden onder meer betrekking op de door eiseres aan haar werknemers verstrekte reiskostenvergoedingen. Daarover is in het rapport het volgende opgenomen (blz. 15-17):

“Diverse werknemers hebben in de gecontroleerde jaren een kilometervergoeding ontvangen. Deze vergoedingen werden niet via de loonadministratie uitbetaald.

(…)

Wij hebben bij de vergelijking het volgende geconstateerd:

1e. De heer [A] ontving in het jaar 2006 zelf gedurende een periode onbelast € 0,28 per gereden kilometer, terwijl € 0,19 wettelijk is toegestaan.

2e. Van diverse werknemers ontbrak geheel of gedurende een periode een kilometeradministratie.

3e. De in de kilometeradministratie van werkgever vermelde plaatsen, waar het werk is verricht, komen niet overeen met de plaatsen welk vermeld staan op de manurenlijsten van de opdrachtgevers.

4e. Bij diverse werknemers is de som van de verkregen km-vergoedingen en het nettoloon volgens de loonadministratie een rond bedrag. Bij diverse betalingsperiodes is de som hetzelfde netto bedrag. dit ongeacht het gegeven, dat naar diverse plaatsen met andere afstanden is gereden.

5e. Voor een werknemer wordt parkeerkosten voor parkeergarage Amsterdam vergoed, terwijl hij volgens de kilometeradministratie op die dag in Zevenaar werkzaam is geweest.

6e. Enkele werknemers krijgen al weken een kilometervergoeding terwijl zij op dat moment nog niet in de loonadministratie zijn opgenomen.

7e. Eén werknemer ontvangt een kilometer vergoeding, terwijl hij in die week diverse brandstofbonnen vergoed heeft gekregen.

8e. Tijdens het boekenonderzoek is de kilometervergoeding van de Duitse werknemers aangepast c.q. verlaagd. Hierbij is aangegeven, dat het nettoloon dient te worden verhoogd.

(…)

Naar aanleiding van het bovenstaande en de bijlage kilometervergoedingen hebben wij de conclusie getrokken, dat inhoudingsplichtige om minder loonheffingen te moeten betalen een gedeelte van het nettoloon als kilometervergoeding heeft uitbetaald.

Wij zullen dat gedeelte van de uitbetaalde kilometervergoeding alsnog belasten voor de LH. Uit de gedragingen van inhoudingsplichtige komt naar voren dat hij niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de verstrekking als bruto bedoeld is. Het tabeltarief zal worden toegepast.

(…)

Tevens dient over genoemde correctiebedragen premie voor de Zorgverzekeringswet te worden betaald.

(…)

Over genoemde correctiebedragen dienen eveneens premies ingevolge de sociale verzekeringswetten te worden berekend.”

Voorts is in het rapport vermeld dat verweerder voornemens is de onderhavige boetes op te leggen (blz. 31):

“Km-vergoedingen”

Uit wat wij hebben gezien in de loonadministratie en in de grootboekadministratie hebben wij de conclusie getrokken, dat inhoudingsplichtige om minder loonheffingen te moeten betalen een gedeelte van het nettoloon als kilometervergoeding heeft uitbetaald. Voor de uitgebreide motivatie verwijzen wij naar hoofdstuk “7.2.2 Reiskostenvergoeding”.

Dit is een bewuste gedraging.

Wij zijn dan ook van mening, dat er sprake is van opzet. De vergrijpboete bedraagt hiervoor 50%.

(…)

Op grond van paragraaf 7 van het Besluit Bestuurlijke boeten Belastingdienst zij wij voornemens de boete te matigen. De reden is het langdurig verloop van het boekenonderzoek.

Voor de “km-vergoedingen” (..) wordt de boete (…) verlaagd tot € 7.000.”

2.5.

In de bezwaarfase heeft verweerder een deel van de correcties teruggenomen. Hij heeft bij uitspraken op bezwaar de correcties gehandhaafd met betrekking tot (een deel van) de kostenvergoedingen betaald aan [A] (2006), [D] (2006), [E] (2006 en 2007), [F] (2006), [G](2006 en 2007), [H] (2007), [I] (2007) en [J] (2007).

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de correcties van verweerder met betrekking tot aan werknemers betaalde bedragen uit hoofde van reiskostenvergoeding terecht zijn. Voorts zijn de boetes in geschil.

3.2.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de aanslagen, de heffingsrentebeschikking en de boetesbeschikkingen.

3.3.

Verweerder concludeert in de zaak over de aanslag LH 2006 – in verband met het deels laten vallen van de correctie die zag op [G] – tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag en dienovereenkomstige vermindering van de boete. In de aanslag over de aanslag LH 2007 concludeert verweerder tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag tot € 2.708, dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente en handhaving van de boete ten bedrage van € 43.

4 Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslagen

4.1.

Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals die luidde gedurende onderhavige tijdvakken (hierna: Wet LB) behoren niet tot het loon zogenoemde vrije vergoedingen. In de artikelen 15 en verder van de Wet LB zijn nadere bepalingen opgenomen met betrekking tot vrije vergoedingen. Artikel 15b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB luidt als volgt:

“Tot de vrije vergoedingen behoren niet vergoedingen ter zake van vervoer, waar onder woon-werkverkeer, indien dat vervoer niet plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip of ter beschikking gesteld vervoermiddel, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 0,19 per kilometer, met dien verstande dat bij ministeriële regeling afwijkende regels kunnen worden gesteld met betrekking tot vaste vergoedingen ter zake van vervoer ingeval de werknemer hoofdzakelijk naar een vaste plaats van werkzaamheden reist”.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat een (reis)kostenvergoeding terecht onbelast is verstrekt op eiseres rust. De rechtbank zal hierna per in geschil zijnde correctie beoordelen of eiseres daarin is geslaagd.

[A]

Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres gedurende enkele weken aan [A] een vergoeding heeft verstrekt van € 0,28 per kilometer in plaats van het wettelijk toegestane onbelaste bedrag van € 0,19 per kilometer. Verweerder heeft op basis hiervan vastgesteld dat een bedrag van € 1.225,62 als bovenmatige vergoeding is aan te merken, welk bedrag als loon is nageheven. Eiseres heeft niet weersproken dat zij een hogere kilometervergoeding heeft verstrekt, maar stelt dat het bovenmatige gedeelte van € 0,09 per kilometer niet van eiseres kan worden nageheven, maar bij [A] in privé dient te worden belast. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In artikel 10 van de Wet LB is immers bepaald dat al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van een dienstbetrekking, als loon kwalificeert. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [A] tot eiseres in dienstbetrekking stond, dient ook de bovenmatige vergoeding als loon te worden aangemerkt. Hieruit volgt dat verweerder ten aanzien van deze werknemer in het gelijk dient te worden gesteld.

[D]

Vast staat dat aan [D] in 2006 een netto-bedrag van € 4.047,63 is uitbetaald als reiskostenvergoeding. Verweerder heeft vastgesteld dat het door eiseres verstrekte overzicht van gereden kilometers betrekking heeft op een vergoeding ter grootte van € 2.130. Van het resterende gedeelte (€ 1.917,63) heeft eiseres geen gegevens verstrekt. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het bedrag van € 1.917,63 als bovenmatige vergoeding kunnen aanmerken en dat bedrag als loon kunnen naheffen. Dat een deel van het bedrag, naar eiseres stelt, mogelijk een vergoeding betreft van voorgeschoten kosten, doet aan dat oordeel af, nu eiseres van deze stelling geen bewijs heeft geleverd.

[E]

Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres in de beroepsfase alsnog een onderbouwing heeft gegeven van een deel van de in 2007 verstrekte reiskostenvergoeding, maar dat voor een bedrag van € 113,65 (2007) iedere onderbouwing ontbreekt. Dit laatste geldt volgens verweerder ook voor 2006 voor een bedrag van € 524,72. Nu eiseres heeft volstaan met het overleggen van de gegevens van de grootboekmutatiekaarten, en daarmee nog immer een onderbouwing ontbreekt, dient verweerder ten aanzien van deze werknemer in zoverre in het gelijk te worden gesteld.

[F]

Verweerder heeft in verband met het ontbreken van bewijs ter zake van een bedrag van € 148,20 dat in 2006 onbelast is uitbetaald, dat bedrag als loon nageheven. Eiseres heeft erkend hiervan geen bewijs te kunnen aanleveren. De rechtbank oordeelt dat het gelijk ten aanzien van deze werknemer dan ook aan verweerder is.

[G]

Verweerder heeft in verband met het ontbreken van bewijs ter zake van het bedrag van € 858 dat in 2006 onbelast is uitbetaald en ter zake van het bedrag van € 391,34 dat in 2007 onbelast is uitbetaald, die bedragen als loon nageheven. Verweerder is ter zitting akkoord gegaan met het ten aanzien van deze werknemer overgelegde overzicht van de periode week 35 tot en met 51 en de daarop vermelde bedragen van in totaal € 580. Nu eiseres van het resterende in 2006 in geschil zijnde bedrag van € 278 en van het in 2007 betaalde bedrag

geen bewijs heeft kunnen aanleveren, oordeelt de rechtbank dat het gelijk ten aanzien van deze werknemer in zoverre dan ook aan verweerder is.

[H]

Verweerder heeft in verband met het ontbreken van bewijs ter zake van een bedrag van € 627 dat in 2007 onbelast is uitbetaald, dat bedrag als loon nageheven. Eiseres heeft erkend hiervan geen bewijs te kunnen aanleveren. De rechtbank oordeelt dat het gelijk ten aanzien van deze werknemer dan ook aan verweerder is.

[I]

Eiseres heeft zich bij de verstrekking van de reiskostenvergoeding aan [I] gebaseerd op de omstandigheid dat diens woonadres zou zijn gelegen in [woonplaats 1]. Verweerder houdt echter het woonadres aan zoals dat is opgegeven door [I] zelf bij de aanvraag van een sofinummer ([woonplaats 2]) en concludeert op basis daarvan dat eiseres de vergoedingen heeft gebaseerd op een te hoog aantal kilometers in verband met woon-werkverkeer. Eiseres heeft ter zitting verklaard zich te hebben gebaseerd op de mededeling door [I], maar geen nader bewijs te kunnen leveren van haar stelling dat [I] feitelijk woonachtig is te [woonplaats 1], de woonplaats van de partner van [I]. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat van een andere woonadres moet worden uitgegaan dan het door de werknemer bij zijn aanvraag opgegeven adres. Gelet hierop is eiseres bij de berekening van de reiskostenvergoedingen van een hoger aantal kilometers uitgegaan dan het in aanmerking te nemen woonadres rechtvaardigt. Gelet hierop is het gelijk ten aanzien van deze werknemer aan verweerder.

[J]

Verweerder heeft in verband met het ontbreken van bewijs ter zake van een bedrag van € 230,51 dat in 2007 onbelast is uitbetaald, dat bedrag als loon nageheven. Eiseres heeft erkend hiervan geen bewijs te kunnen aanleveren. De rechtbank oordeelt dat het gelijk ten aanzien van deze werknemer dan ook aan verweerder is.

[K]

Verweerder heeft in verband met het ontbreken van bewijs ter zake van een bedrag van € 135,46 dat in 2007 onbelast is uitbetaald, dat bedrag als loon nageheven. Eiseres heeft erkend hiervan geen bewijs te kunnen aanleveren. De rechtbank oordeelt dat het gelijk ten aanzien van deze werknemer dan ook aan verweerder is.

4.3.

Uit al het voorgaande volgt dat de correctie voor 2006 moet worden verminderd met € 580 (i.v.m. [G]en dat de correctie voor 2007 moet worden verminderd met € 1.448 (i.v.m. [E]). Dit leidt tot de conclusie dat eiseres in 2006 een bedrag van € 4.094,17 ten onrechte onbelast heeft uitbetaald en in 2007 een bedrag van € 2.367,40. Als gevolg hiervan dient de aanslag LH 2006 te worden verminderd tot een bedrag van (afgerond) € 4.765. De aanslag LH 2007 dient te worden verminderd tot een bedrag van (afgerond) € 2.708.

Boetes

4.4.

Verweerder heeft vergrijpboetes opgelegd op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband met vermeende opzet bij eiseres. Verweerder heeft uiteindelijk het standpunt ingenomen dat sprake is primair van voorwaardelijk opzet en subsidiair van grove schuld. Eiseres heeft betwist dat daarvan sprake is. In het verweerschrift heeft verweerder ter nadere onderbouwing onder meer aangevoerd 1) dat een inhoudingsplichtige hoort te weten dat een onbelaste vergoeding dient te worden onderbouwd en dat de te veel onbelaste vergoeding alsnog als loon dient te worden aangemerkt, 2) dat door in dit opzicht nalatig te zijn, eiseres willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar handelen tot gevolg zou hebben dat te weinig belasting is of kon worden geheven, en 3) dat er daarom sprake is van voorwaardelijk opzet. Verder heeft verweerder aangevoerd dat er in ieder geval sprake is van grove schuld en dat hij er niet van uitgaat dat eiseres doelbewust probeerde te weinig belasting af te dragen, maar wel dat zij bewust dit risico heeft genomen en/of daaraan (grof)schuldig is. Desgevraagd heeft verweerder ter nadere toelichting verklaard dat de administratie van eiseres oncontroleerbaar was, dat eiseres bedragen afrondde en dat door de slordigheden te weinig belasting is betaald. Het is volgens verweerder “dermate slordig dat eiseres wel wist dat het mis zou gaan”, hetgeen eiseres bewust zou hebben aanvaard.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van voorwaardelijk opzet dan wel van grove schuld. Het betoog van verweerder komt er in de kern op neer dat de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd omdat eiseres slordigheid ten aanzien van haar administratie kan worden verweten. Met betrekking tot afrondingen van bedragen in de administratie van eiseres is niet komen vast te staan dat dit uitsluitend gebeurde ten voordele van de werknemers van eiseres. Dat in de administratie van eiseres bonnen zijn aangetroffen die als ‘materiaalkosten’ werden omschreven terwijl het om een reiskostenvergoeding zou gaan, wijst er inderdaad op dat van slordigheid aan de kant van eiseres kan worden gesproken, maar anders dan verweerder voorstaat, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank grove schuld niet gegeven, laat staan voorwaardelijk opzet. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd, duidt veeleer op een andere gradatie van schuld, te weten lichte schuld. Dit is echter onvoldoende voor een vergrijpboete. Nu verweerder voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij eiseres enige bewustheid aanwezig is geweest ter zake van een (aanmerkelijke) kans dat door de wijze waarop zij de administratie voerde, te weinig belasting zou worden geheven, kan van voorwaardelijk opzet geen sprake zijn. De boetes kunnen derhalve niet in stand blijven.

Heffingsrente

4.6.

Het beroep met betrekking tot de aanslag LH 2007 wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikking heffingsrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag wordt verminderd, is er aanleiding voor een evenredige vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

Schadevergoeding

4.7.

De gemachtigde van eiseres heeft voor zichzelf en voor zijn echtgenote verzocht om vergoeding van immateriële schade. De gemachtigde heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat hem veel onrecht is aangedaan, dat verweerder hem veel te hoge naheffingsaanslagen en boetes had opgelegd, dat deze als gevolg van zijn inspanningen aanzienlijk zijn verminderd en dat de hele gang van zaken de gemachtigde (als bestuurder) en zijn echtgenote veel persoonlijk leed heeft berokkend. De rechtbank oordeelt dat voor een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht geen plaats is, reeds omdat de gestelde schade niet door eiseres zelf geleden is.

Slotsom

4.8.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard, de naheffingsaanslagen te worden verminderd zoals vermeld in 4.3, de boetes te worden vernietigd en de beschikking heffingsrente te worden verminderd. Voorts zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ([A]), reis- en verblijfkosten en verletkosten. Vaststaat dat [A] niet kan worden aangemerkt als rechtsbijstandverlener, zodat eiseres niet in aanmerking komt voor vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts komt eiseres niet in aanmerking voor vergoeding van verletkosten, nu ter zitting is komen vast te staan dat [A] thans niet meer werkzaam is. Wel komt eiseres in aanmerking voor vergoeding van reis- en verblijfkosten. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van een totaalbedrag van € 500 betreffende de kosten van brandstof, tolwegen en hotelovernachting (€ 69). Gelet op de reisafstand tussen de woonplaats van de gemachtigde ([woonplaats 3]) en de zittingsplaats komt het door eiseres genoemde bedrag de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal het bedrag van de proceskostenvergoeding dan ook vaststellen op € 500.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag LH 2006 tot een bedrag van € 4.765;

  • -

    vermindert de aanslag LH 2007 tot een bedrag van € 2.709;

  • -

    vermindert de heffingsrentebeschikking 2007 dienovereenkomstig;

  • -

    vernietigt de boetes;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 500;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 318 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. M.C. van As, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.