Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6857

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_4941
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenplicht op grond van de WW. Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Verweerder was gehouden eiser een boete op te leggen. Wat betreft de hoogte van de boete heeft verweerder bij het bepalen van de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid geen rekening gehouden met overige omstandigheden van eiser en evenmin rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Strijd met artikel 5:46 van de Awb. De rechtbank voorziet met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-08-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/4941

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Guman),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 3.420,00 op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 28 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.W. Schilder.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser ontvangt sinds 1 april 2012 een uitkering op grond van de WW. Op 24 oktober 2012 heeft hij een brief gekregen van ASR Pension Fund Services, namens Stichting Pensioenfonds Atradius Nederland, waarin – onder meer – aan eiser is meegedeeld dat hij met ingang van 1 oktober 2012 recht heeft op een levenslang ouderdomspensioen en een tijdelijk ouderdomspensioen vanaf 62-jarige leeftijd van respectievelijk € 5.617,86 en
€ 8.091,88 bruto per jaar. De pensioenen zullen per maand aan eiser worden uitgekeerd. Voordat tot uitbetaling kon worden overgegaan, heeft eiser een aantal formulieren moeten invullen en retourneren.

1.2

Op 22 maart 2013 zijn de pensioenen voor het eerst aan eiser uitbetaald, met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2012. Op 8 april 2013 heeft eiser door middel van een wijzigingsformulier WW verweerder op de hoogte gebracht van zijn pensioeninkomsten over de periode 1 oktober 2012 tot en met 31 maart 2013 en de uitbetaling op 22 maart 2013.

1.3

Bij afzonderlijk besluit van 2 juli 2013 heeft verweerder eisers WW-uitkering herzien en een brutobedrag van € 6.828,90 teruggevorderd over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 maart 2013. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

2.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, door niet al in oktober 2012 melding te doen van zijn recht op een ouderdomspensioen. Hierdoor is een bedrag van € 6.828,90 te veel aan WW-uitkering betaald (het zogenoemde benadelingsbedrag). De boete is gematigd tot 50% van het benadelingsbedrag, omdat eiser zijn pensioeninkomsten alsnog uit zichzelf aan verweerder heeft gemeld.

3.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat geen sprake is geweest van schending van de inlichtingenverplichting. In maart 2013 zijn met terugwerkende kracht pensioenbedragen aan eiser uitbetaald. Eiser heeft hiervan onmiddellijk melding gedaan. De brief uit oktober 2012 was slechts een aankondiging, de uitbetaling vond pas plaats in maart 2013.

3.1

Deze beroepsgrond faalt. Op grond van artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

3.2

Vast staat dat eiser, toen hij in oktober 2012 een brief van zijn pensioenuitvoerder ontving, hiervan geen melding heeft gedaan bij verweerder. In deze brief staat dat eiser met ingang van 1 oktober 2012 recht heeft op een levenslang en een tijdelijk ouderdomspensioen, waarbij tevens de exacte bedragen waar eiser recht op heeft worden genoemd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit een feit is waarvan het eiser redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat dit van invloed kon zijn op zijn recht op een WW-uitkering. Dat de pensioenbedragen nog niet waren uitbetaald, doet daar niet aan af. Eiser had van deze brief dan ook onverwijld uit eigen beweging melding moeten maken bij verweerder. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het hier niet gaat om de vraag of eiser subjectief wist dat deze omstandigheden relevant waren voor het recht op uitkering, maar dat het hem redelijkerwijs, geobjectiveerd, duidelijk moest zijn. Het niet opgeven van het op 1 oktober 2012 ontstane recht op ouderdomspensioenen is door verweerder dan ook terecht als schending van de inlichtingenverplichting aangemerkt.

4.

Voorts heeft eiser in beroep aangevoerd dat de schending van de inlichtingenverplichting niet verwijtbaar is. In dat verband heeft eiser gesteld dat hij in oktober 2012 nog niet wist wanneer het pensioen tot uitkering zou komen terwijl hij, toen het pensioen werd uitbetaald, hiervan direct melding heeft gedaan bij verweerder. Tevens heeft eiser aangevoerd dat de opgelegde boete onevenredig is.

4.1

Wettelijk kader

4.1.1

Omdat sprake is van een beboetbare overtreding, die niet is opgeheven of geconstateerd voor 31 januari 2013, is op grond van artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving de met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden nieuwe boetewetgeving van toepassing.

4.1.2

Op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.

Op grond van het tweede lid, wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen

Op grond van het achtste lid van dit artikel kan het UWV:

a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Op grond van het tiende lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

4.1.3

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (het Boetebesluit), zoals dit sinds 1 januari 2013 luidt, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150 wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

4.1.4

Op grond van artikel 3, eerste lid, van verweerders Beleidsregel boete werknemer 2013 (de Beleidsregel) is het basisboetebedrag gelijk aan 100% van het benadelingsbedrag.

Op grond van artikel 4 van de Beleidsregel hanteert het UWV bij de afstemming van de boete, als bedoeld in artikel 5:46, tweede en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Boetebesluit. Bij de afstemming wordt de boete aangepast aan de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. Hierbij worden de criteria zoals genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten in acht genomen. Daarnaast wordt ook nagegaan of sprake is van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

Op grond van artikel 6, aanhef en onder 4, van de Beleidsregel wordt de boete, indien er op grond van artikel 2a, tweede lid, onder c, van het Boetebesluit sprake is van verminderde verwijtbaarheid, en er geen andere omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op de mate van verwijtbaarheid, de boete vastgesteld aan de hand van de hoogte van het benadelingsbedrag en de duur van de overtreding. Indien het benadelingsbedrag gelijk aan of hoger dan € 5.000 is en de overtreding gemeld wordt voordat deze meer dan een jaar heeft voortgeduurd, wordt een boete van 50% van het basisboetebedrag opgelegd.

4.1.5

Op grond van artikel 5:46, eerste lid, van de Awb bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. Op grond van het tweede lid stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Op grond van het derde lid legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere boete op, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

4.2

De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat het enkele feit dat eiser de inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW heeft overtreden niet voldoende is voor het opleggen van een boete. Bij het opleggen van een boete is van belang of de betrokkene van het niet voldoen aan de informatieverplichting een verwijt kan worden gemaakt. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting om een punitieve sanctie en een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij is tevens van betekenis dat het gaat om een voorschrift waarbij aan een betrokkene een actieve verplichting tot het verstrekken van informatie wordt opgelegd. In dat verband is van essentieel belang of eiser naast een objectief verwijt ook subjectief een verwijt te maken valt van dat niet-nakomen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 maart 2009, ECLI:CRVB:2009:BH7780). Dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval. Bij brief van 24 oktober 2012 van de pensioenuitvoerder is aan eiser – zonder voorbehoud – met ingang van 1 oktober 2012 een levenslang en een tijdelijk ouderdomspensioen toegekend, waarbij ook de hoogte van de pensioenen is bepaald. Hoewel op dat moment nog niet tot uitbetaling is overgegaan, is met het per 1 oktober 2012 toekennen van de ouderdomspensioenen wel sprake van een wijziging van de situatie van eiser. Eiser is er bij de toekenning van zijn WW-uitkering op gewezen dat indien sprake is van een wijziging in zijn situatie of inkomen, die van invloed kan zijn op de WW-uitkering, dit direct moet worden doorgegeven aan verweerder. Het gaat dus niet alleen om wijzigingen waarvan op voorhand vaststaat dat deze van invloed zijn op de uitkering. Het is vervolgens aan verweerder om te bepalen of de uitkering opnieuw vastgesteld dient te worden. Daarbij is eiser er ook op gewezen dat indien hij dat nalaat, dit gevolgen kan hebben voor zijn uitkering, of dat dit kan leiden tot een boete. Voor zover eiser stelt dat hij de brief niet precies had begrepen en dat hij niet wist dat het van invloed was op zijn WW-recht, had het op zijn weg gelegen om hierover in oktober 2012 contact op te nemen met verweerder. Dat eiser verder niet het oogmerk had om de toekenning van de pensioenen te verzwijgen, doet aan de verwijtbaarheid niet af. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser geen dringende omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van een boete. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW gehouden was eiser een boete op te leggen.

4.3

Wat betreft de hoogte van de boete overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft op grond van het gevoerde beleid de hoogte van de boete gematigd tot 50% van het benadelingsbedrag, omdat eiser de overtreding binnen een jaar zelf gemeld heeft. Verweerder heeft, zoals ter zitting door verweerder erkend, overige omstandigheden niet gewogen en evenmin heeft verweerder de toetsing op grond van artikel 5:46 van de Awb verricht. Verweerder heeft aldus bij het bepalen van de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid geen rekening gehouden met overige omstandigheden van eiser en evenmin rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 5:46 van de Awb, artikel 27a, achtste lid, van de WW en artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit.

5.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien. Voor een nadere vaststelling van de hoogte van de boete neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking. Het niet direct melden van een pensioenaanspraak levert op zichzelf een ernstige overtreding op, aangezien dat gegeven van wezenlijk belang is voor de vaststelling van het recht op een WW-uitkering. Verweerder heeft de boete wegens verminderde verwijtbaarheid gematigd tot 50% van het benadelingsbedrag, omdat eiser binnen een jaar na de overtreding alsnog melding heeft gedaan. De rechtbank is echter van oordeel dat de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd aanleiding geven tot verdere matiging van de boete. Eiser heeft aangegeven dat hij in oktober 2012 niet heeft beseft dat hij verweerder al moest informeren, omdat nog niet tot uitbetaling van de pensioenen was overgegaan. Vervolgens heeft hij vrijwel onmiddellijk nadat het pensioen werd uitbetaald, hiervan wel melding gedaan bij verweerder. Uit deze gang van zaken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser niet het oogmerk had verweerder te benadelen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat eiser de pensioenaanspraken niet heeft opgegeven in het besef dat deze desondanks van belang waren voor zijn WW-uitkering. Gelet op alle hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank een aan eiser op te leggen boete van € 600,- passend en geboden en dus een evenredige sanctie. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot een nog verdere matiging van de boete.

6.

Omdat het beroep gegrond wordt verklaard bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Tevens bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling van verweerder. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.948,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 oktober 2013;

- herroept het primaire besluit van 2 juli 2013;

- legt aan eiser een boete op van € 600,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzitter, mr. M.E. Fortuin en mr.drs. L. Beijen, leden, in aanwezigheid van mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.