Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6768

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
15/741051-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Echo. Bevoegdheden op grond van de Wegenverkeerswet. Wet Bijzondere Opsporingsmethoden. Beginselen van een behoorlijke procesorde. Verwerping niet-ontvankelijkheidsverweer. Afwijzing voorwaardelijk verzoek. Verdachte heeft zich in een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van de exploitatie van een hennepstekkenkwekerij, met een bedrijfsmatig dan wel beroepsmatig karakter. Verdachte was een van de initiators van de kwekerij. Tevens veroordeling voor gewoontewitwassen en deelneming criminele organisatie. De rechtbank beoordeelt de ernst van de feiten kennelijk anders dan de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/741051-11 (P)

Uitspraakdatum: 1 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 en 17 juni 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. van Brakel en van wat verdachte en zijn mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverwijk, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 28 november 2011 te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel en/of Beverwijk en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad onder meer:

- ( in een pand aan de [a-straat] te Beverwijk) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan (waaronder in elk geval 1434 hennepplanten en/of 34.695 hennepstekken) en/of

- ( in zijn, verdachtes, woning in Amsterdam) drie, althans een of meer zakken

hennep(top(pen)), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, (telkens) zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet;

Feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 25 februari 2011 te

Beverwijk meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid elektriciteit (minimaal 308714 kWh), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking te weten door ijkzegels te forceren, althans te verbreken;

Feit 3:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 28 november 2011 te

Beverwijk en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) en/of een auto (merk Land Rover) en/of een scooter en/of overige vermogensbestanddelen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en) en/of die auto en/of scooter en/of

die overige vermogensbestanddelen gebruik gemaakt, terwijl hij/zij wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf (te weten onder andere uit hennephandel en/of hennepteelt);

Feit 4:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 25 februari 2011 te Beverwijk en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (bestaande onder meer uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]) die tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde en/of vijfde lid van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bedrijfsmatig en/of beroepsmatig bereiden/verwerken/bewerken/telen van een grote hoeveelheid hennep en/of het afleveren/verkopen/verstrekken/vervoeren van een grote hoeveelheid hennep,

althans in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, (telkens) zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1.

Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat de politie in het kader van de opsporing haar bevoegdheden te buiten is gegaan. Het is de raadsman niet duidelijk waar de politie met de anonieme informant heeft gesproken. Evenmin weet de raadsman op grond van welke bevoegdheid de waterpolitie het pand aan de [a-straat] te Beverwijk heeft geobserveerd, nu dit pand niet aan het water ligt.

In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van slechts een anonieme tip de doorzoeking van genoemd pand heeft plaatsgevonden. Er was derhalve geen redelijk vermoeden van schuld dat de doorzoeking rechtvaardigde.

In de derde plaats heeft de raadsman aangevoerd dat de politie, door de auto van [betrokkene 1] te controleren op grond van de Wegenverkeerswet, misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid.

Zowel afzonderlijk als tezamen rechtvaardigen deze tekortkomingen de conclusie dat doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. Daarnaast is er in strijd gehandeld met de strekking en achtergrond van de wet Bijzondere Opsporingsmethoden en met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van 2 februari 2011 hebben agenten van het KLPD, dienst waterpolitie op 27 januari 2011 en op 1 februari 2011 een tweetal anonieme meldingen ontvangen dat er in het bedrijfspand aan de [a-straat] te Beverwijk dingen gebeurden die niet in de haak waren met name tussen 5 -7 uur ’s ochtends en dat daar duistere praktijken aan de gang waren. Blijkens het proces-verbaal van 7 februari 2011 vormden deze meldingen van de mogelijke aanwezigheid van een hennepplantage aanleiding voor de observatie van het pand. Naar het oordeel van de rechtbank is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de agenten van de waterpolitie buiten de grenzen van hun bevoegdheden zouden hebben gehandeld. Niet aannemelijk is geworden dat de agenten onbevoegd een terrein zouden hebben betreden om de informant te spreken. Op grond van artikel 2 Politiewet (oud) zijn de agenten bevoegd om in het kader van hun werkzaamheden een pand (niet-stelselmatig) te observeren.

Uit het dossier blijkt dat de doorzoeking, anders dan de raadsman stelt, niet op basis van slechts een anonieme tip heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van twee anonieme meldingen en de bevindingen bij de observatie op 7 februari 2011, alsmede de controle van de auto van [betrokkene 1], is een warmtebrononderzoek gedaan. Daaruit bleek dat een warmtebron aanwezig was op de [a-straat] te Beverwijk, die meer hitte/warmte veroorzaakte dan andere warmtebronnen aanwezig in de omliggende loodsen. De warmtebron behoefde nader onderzoek om vast te stellen of ter plaatse een hennepkwekerij aanwezig was. Aldus ontstond een redelijk vermoeden van schuld inzake overtreding van de Opiumwet, welk vermoeden de grondslag vormde voor de doorzoeking waarbij daadwerkelijk een hennepstekkenkwekerij werd aangetroffen.

Ten aanzien van de stelling dat de politie misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden door [betrokkene 1] op grond van de Wegenverkeerswet te controleren, overweegt de rechtbank als volgt. De opsporingsambtenaren waren op grond van artikel 160 WVW 1994 bevoegd om een stopteken te geven en [betrokkene 1] naar haar identiteitsgegevens te vragen, hetgeen zij ook gedaan hebben. In casu hebben de opsporingsambtenaren hun bevoegdheid dus in elk geval mede uitgeoefend ter controle van naleving van de verkeersvoorschriften. Het feit dat er ook informatie was over mogelijke betrokkenheid van verdachte bij een strafbaar feit, doet daar niet aan af. De controlebevoegdheid is in elk geval niet uitsluitend aangewend voor opsporingsdoeleinden, zodat van misbruik van die bevoegdheid geen sprake kan zijn. Voor het vervolgens doorzoeken van de auto heeft [betrokkene 1] overigens toestemming gegeven.

De door de raadsman aangevoerde stellingen kunnen gelet op het hiervoor overwogene noch zelfstandig, noch in samenhang, leiden tot de conclusie dat sprake is van enig vormverzuim. Aan verdere toepassing van het Zwolsman-criterium komt de rechtbank niet toe.

Ook overigens is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing daarvan.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Vrijspraak

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met een ander, in het bijzonder met medeverdachte [medeverdachte 1], met betrekking tot de hennepkwekerij in Sint Maarten. In zoverre zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarnaast niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat voor dit feit slechts één bewijsmiddel (de aangifte namens Liander) voorhanden is, dat niet wordt ondersteund door enig ander bewijs. De aangifte, niet zijnde een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) maar een schriftelijk bescheid als bedoelde in het eerste lid onder 5 van dat artikel, is, gelet op het slot van die laatste bepaling, onvoldoende voor een bewezenverklaring.

Weliswaar wordt gerelateerd over de diefstal van energie in de loods aan de [a-straat] te Beverwijk in het proces-verbaal aantreffen hennepstekkenkwekerij d.d. 29 juni 2012 (ordner 2, dossierpagina 104, 105). Dit is echter slechts een verwijzing naar het onderzoek door een medewerker van Liander, weergegeven in de aangifte van Liander d.d. 7 maart 2011 (ordner 2, dossierpagina 134-136) en betreft geen eigen waarneming van de politie.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 25 februari 2011 werd er in loods 6 aan de [a-straat] te Beverwijk een hennepstekkenkwekerij aangetroffen. In totaal werden er 1.434 moederplanten en 34.695 hennepstekken aangetroffen.2 Het ging hier om hennepplanten als bedoeld in lijst II van de Opiumwet.3 Het opzetten van de kwekerij was een gezamenlijk plan van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3], waarbij zij alledrie een bedrag investeerden en deelden in de opbrengst. De loods werd in 2007 op naam van [medeverdachte 3] gehuurd. Vervolgens zijn drie zeecontainers gekocht die door verdachte samen met een zekere [betrokkene 2] werden verbouwd tot kweekruimten. 4Kort voordat de kweek een aanvang nam, in oktober 2008, werd het huurcontract op verzoek van verdachte tegen betaling van € 3.000 per maand op naam van medeverdachte [medeverdachte 5] gezet5. Eind 2008 is de eerste oogst door verdachte verkocht6. Nadien raakten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] meer en meer betrokken bij de kwekerij en deelden mee in de opbrengst.. Het was hun idee om hennepstekken te gaan kweken. De opbrengsten werden aanvankelijk door verdachte en later door [medeverdachte 1] verdeeld. [medeverdachte 4], hield zich in die periode onder meer bezig met de aansturing van de mensen die in de loods werkten en [medeverdachte 2] met de verkoop van de stekken.7

De kwekerij was zeer professioneel opgezet.8 Mede gelet op de omvang en de opzet van de kwekerij ontstond gaandeweg een continue productieproces waarbij per week ongeveer 17.347 stekken beschikbaar kwamen voor de verkoop. 9 De opbrengsten van voornoemde hennepkwekerij werden door verdachte en een aantal medeverdachten gedeeld.10

Vlak voor de inval op 25 februari 2011 werden medeverdachte [betrokkene 1] en een viertal Brazilianen aangehouden terwijl zij met een wit busje, Mercedes Vito, de loods wilden inrijden alwaar de Brazilianen zouden gaan werken.11 [betrokkene 1] was al eerder gecontroleerd toen zij in datzelfde busje reed. Er werden toen in het busje vuilniszakken met hennepafval aangetroffen.12 [medeverdachte 2] gaf opdrachten aan [betrokkene 1]. Aan [betrokkene 3], een afvalverwerker bij de gemeente Utrecht, had [medeverdachte 2] gevraagd of [betrokkene 1] hennepafval bij hem mocht komen storten. [betrokkene 1] kwam vervolgens elke twee weken met 6 a 7 zakken hennepafval bij [betrokkene 3]. [betrokkene 3] werd hiervoor betaald door [medeverdachte 2].1314

Tijdens de doorzoeking op 28 november 2011 in de woning te Amsterdam van verdachte en zijn partner [partner] werd, verstopt in een schoorsteen, een bedrag van € 10.350,- aangetroffen.15 Tevens werden in de woning op diverse plekken, in onder meer de gangkast, badkamer en keuken zakken met henneptoppen aangetroffen.16

Uit gegevens van de belastingdienst kwam naar voren dat verdachte in 2009 en 2010 geen inkomsten uit arbeid heeft gehad. In de periode van 1 januari 2006 tot 14 oktober 2011 werden voorts tot een bedrag van € 155.485 contante stortingen gedaan op de ABN-AMRO-rekening van [verdachte] met bankpassen op naam van [verdachte].17

Verdachte heeft in de periode van 25 februari 2011 tot zijn aanhouding op 28 november 2011 telefoongesprekken gevoerd, waarin, blijkens tapverslagen, onder meer het volgende is besproken:

Op 3 september 2011 wordt verdachte gebeld door een onbekende man. Die vraagt verdachte: ‘Luister, ik ken 13 of 14 aatjes krijgen, maar geen top, geen wereldkwaliteit, net an net wel een beetje uuhh, je weet wel wat ik bedoel. Daar moet ik voor brengen dan 45. Ik ken 2,5 aatje krijgen dat zo de winkel in kan, daar moet ik voor brengen wat zei ik net, 48-49, ik weet het niet eens meer.’. Verdachte antwoordt: ‘Oke nou ehh het gaat om twee handen, hij wou al naar me toe komen (…)’. De onbekende man zegt: ‘Ja, nee maar luister als jij zegt in die 14 net an wel niet weet je net niet rijp weet je (…). Verdachte antwoordt: ‘Ja nou, pak maar an (…) maar dan moet het wel morgen kunnen he? (…)’. De onbekende man zegt: ‘We gaan voor die 14-15’. Verdachte antwoordt: ‘Ja dan hebben we hem in 1 keer klaar en dan hebben we minder werk aan.’18.

Op 10 september 2011 wordt [medeverdachte 2] gebeld door verdachte. In dat gesprek wordt door [medeverdachte 2] aan verdachte gevraagd “wanneer doen we dat ff, want anders moet ik ze teruggeven aan de leverancier”. Op de vraag van verdachte wat dat precies was antwoordt [medeverdachte 2]: ”dat waren er 2” waarop verdachte aanvult: “A tjes. Later in het gesprek vraagt verdachte aan [medeverdachte 2] “die kleine wanneer is die er?” waarop [medeverdachte 2] antwoordt: “weet ik niet, hoor dan..ik heb van ik denk ook 15 A”. [voornaam verdachte] (de rechtbank leest: [verdachte]) geeft dan aan.: ”daar heb ik un baassie voor” waarop [voornaam medeverdachte 2] reageert: “ja maar dat moeten we even met de prijs uitkomen, want ik heb die jongen een hoge prijs beloofd”.19

In zijn verhoor heeft [medeverdachte 2] aangegeven dat als hij het in sms-berichten heeft over a-tjes of b-tjes, hij hiermee met de a-tjes verwijst naar de hennepsoort Amnesia en de b-tjes naar de gewone. Voor de b-tjes werd ongeveer €2,25 gevraagd en voor de a-tjes €3,00.20

3.4.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft de argumenten die hij in kader van zijn verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd, tevens aangevoerd als verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.

De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat die argumenten niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van enig vormverzuim. Om die reden kunnen zij evenmin leiden tot bewijsuitsluiting.

De raadsman heeft een voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan met betrekking tot verbalisanten [verbalisant 1, verbalisant 2, verbalisant 3]. Naar het oordeel is de rechtbank is het horen van deze getuigen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de afwezigheid van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, niet van belang voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Daarnaast heeft de raadsman – kort en zakelijk weergegeven – betoogd dat verdachte geen opzet had op betrokkenheid bij de kwekerij. Hij wist er niet van en andersluidende verklaringen zijn onbetrouwbaar.

De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar de gebezigde bewijsmiddelen. Er is geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van met name de gebezigde verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5], die immers met name ook zichzelf belasten in hun op de hoofdpunten gelijkluidende verklaringen.

Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennep in de woning van verdachte overweegt de rechtbank als volgt. Dit feit is in de tenlastelegging verweven met de hennepteelt, maar moet daarvan worden onderscheiden, omdat daar een andere strafbepaling op van toepassing is. De wijze van tenlasteleggen is naar het oordeel van de rechtbank minder gelukkig, maar het is, gelet op het verhandelde ter zitting en het gevoerde verweer, begrijpelijk geweest voor verdachte waarvan hij werd verdacht.

De raadsman heeft terzake aangevoerd dat de in de woning van verdachte aangetroffen hennep deels voor medicinaal gebruik bestemd was en deels evenementenweed betrof, die geen THC bevat, hetgeen tot vrijspraak moet leiden, zo begrijpt de rechtbank.

Ook dit verweer wordt verworpen. Het aanwezig hebben van hennep is strafbaar gesteld en daarbij is geen uitzondering gemaakt voor hennep voor medicinaal gebruik of hennep zonder THC.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat de partner van verdachte weet heeft gehad van de aanwezigheid van de hennep, gelet op de aangetroffen hoeveelheid en verspreiding door de woning. Het medeplegen van dit feit kan daarom ook worden bewezen.

Ten aanzien van de pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte was vanaf het begin van het telen, 1 oktober 2008, tot het oprollen ervan op 25 februari 2011, betrokken bij de kwekerij. Uit de voor het bewijs gebezigde tapgesprekken en uit de aanwezigheid van een aanmerkelijke hoeveelheid hennep in zijn woning blijkt dat hij zich ook daarna, tot zijn aanhouding op 28 november 2011, met de handel in hennep heeft beziggehouden.

Ten aanzien van de verdenking van gewoontewitwassen overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte had gelet op het vorenoverwogene jarenlang inkomsten uit misdrijf. Met name gezien de jarenlange grote contante stortingen op zijn rekening met zijn bankpas acht de rechtbank bewezen dat hij dit geld heeft witgewassen en daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Verdachte heeft voor de herkomst van genoemde geldbedragen geen verifieerbare of niet op voorhand hoogst onaannemelijke verklaring gegeven.

Het storten van contant geld heeft een verhullend karakter, nu crimineel geld aldus als schijnbaar legaal verkregen geld weer in circulatie komt.

Hoewel de rechtbank het medeplegen van witwassen met zijn partner [partner] met betrekking tot het in de woning aangetroffen contante geldbedrag van € 10.350 bewezen acht, leidt dit niet tot de conclusie dat ook medeplegen van gewoontewitwassen bewezen kan worden. Uit de bewijsmiddelen volgt immers niet dat [partner] verdergaande betrokkenheid bij witwassen had.

Het betoog van de raadsman strekkende tot vrijspraak van feit 4 wordt naar het oordeel van de rechtbank weerlegd door de bezigde bewijsmiddelen.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 november 2011 te Beverwijk en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland,

- meermalen telkens tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, telkens opzettelijk heeft geteeld en/of verkocht onder meer in een pand aan de [a-straat] te Beverwijk een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan waaronder in elk geval 1434 hennepplanten en/of 34.695 hennepstekken en

- tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad in zijn, verdachtes, woning in Amsterdam drie zakken henneptoppen,

telkens zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Feit 3:

hij in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 28 november 2011 te Beverwijk en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte voorwerpen, te weten geldbedragen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf (te weten onder andere uit hennephandel en/of hennepteelt);

Feit 4:

hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 25 februari 2011 te Beverwijk en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (bestaande onder meer uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]) die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde en/of vijfde lid van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bedrijfsmatig en/of beroepsmatig telen van een grote hoeveelheid hennep en/of het verkopen van een grote hoeveelheid hennep, telkens zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Medeplegen van in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 3:

Gewoontewitwassen.

Feit 4:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig (40) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van de exploitatie van een hennepstekkenkwekerij, met een bedrijfsmatig dan wel beroepsmatig karakter. Verdachte was een van de initiators van de kwekerij. Bovendien deelde hij samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] in de winst.


Verdachte maakte in die periode aldus deel uit van een criminele organisatie, waarin hij en zijn mededaders ieder een eigen rol speelden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] regelden de locatie, investeerden grote geldbedragen en zorgden vervolgens dat de huurovereenkomst van deze locatie op naam van een katvanger, [medeverdachte 5], werd gezet. Verdachte hield zich met hulp van [betrokkene 2] met de bouw van de kwekerij bezig, investeerde ook geld en regelde in eerste instantie de verkoop en de verdeling van de opbrengst. Na verloop van tijd zorgde [medeverdachte 2] voor de verkoop van de hennep en had [medeverdachte 4] de dagelijkse leiding over het personeel in de loods. De afvalverwerking was in handen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3].

Het kweken van een softdrug als hennep is een strafbaar feit dat in het algemeen overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij (langdurig) gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Bovendien betreft het in deze zaak een kwekerij van bijzonder grote omvang en behelst de periode van kweken meerdere jaren. Het kweken van hennep wordt daarnaast vaak omgeven door andere vormen van criminaliteit.

Verdachte heeft een gewoonte gemaakt van het witwassen van de aanmerkelijke opbrengsten van de kwekerij. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het is bovendien een essentieel onderdeel van de georganiseerde criminaliteit rond illegale handelsactiviteiten, zoals de handel in verdovende middelen; zonder het witwassen van de opbrengsten zou deze handel niet kunnen bestaan. De rechtbank acht dit dan ook een ernstig feit. Voornoemd handelen van verdachte bevordert het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbare legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank voorts rekening met het feit dat hij een nagenoeg blanco strafblad heeft en hij na de onderhavige feiten geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

De rechtbank heeft acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor hennepkwekerijen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd, waarbij de rechtbank de ernst van de feiten kennelijk anders beoordeelt dan de officier van justitie.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 47, 57, 140, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 3, 11, 11a van de Opiumwet.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN (18) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. Gruijters, voorzitter,

mr. E.L. Grosheide en mr. A.E. van Montfrans-Wolters, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aantreffen hennepstekkenkwekerij, d.d. 29 juni 2012 (ordner 2, dossierpagina 99-101).

3 Het proces-verbaal van aantreffen hennepstekkenkwekerij, d.d. 29 juni 2012 (ordner 2, dossierpagina 105).

4 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 25 januari 2012 (ordner 12, persoonsdossier [medeverdachte 1], dossierpagina 32-34).

5 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 5] d.d. 30 maart 2012 (ordner 13, persoonsdossier [medeverdachte 5], dossierpagina 163).

6 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 25 januari 2012 (ordner 12, persoonsdossier [medeverdachte 1], dossierpagina 32-34).

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 februari 2012 (ordner 12, persoonsdossier [medeverdachte 3], dossierpagina 42-44).

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2012 (ordner 2, dossierpagina A-130-142).

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2011 (ordner 2, dossierpagina 188-190) en het proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2012 (ordner 2 A 130-142)

10 Het proces-verbaal verhoor [medeverdachte 3], d.d. 8 februari 2012 (ordner 12, persoonsdossier [medeverdachte 3], dossierpagina 42, 43).

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2012 (ordner 1, dossierpagina 18).

12 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 februari 2011 (ordner 2, dossierpagina 94-96).

13 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 29 november 2011 (ordner 12, persoonsdossier, dossierpagina 22-27).

14 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] d.d. 29 november 2011 (ordner 12, persoonsdossier, dossierpagina 36-39).

15 Het proces-verbaal van bevindingen d.d.13 juli 2012 (ordner 1, paragraaf 1, dossierpagina 57).

16 Het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking woning [verdachte] d.d.12 mei 2014 (aanvullend p-v, dossierpagina 77-78).

17 Het proces-verbaal van bevindingen d.d.13 juli 2012 (ordner 1, paragraaf 3, dossierpagina 2-3).

18 Het proces-verbaal uitwerken tap d.d.23 april 2012 (ordner 8, dossierpagina 1920)

19 Het proces-verbaal uitwerken tap d.d.23 april 2012 (ordner 8, dossierpagina 1800).

20 Het proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 30 november 2012 (ordner 12, persoonsdossier [medeverdachte 2], dossierpagina 38.