Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6766

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
15/741469-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Echo.

Bevoegdheden op grond van de Wegenverkeerswet. Wet Bijzondere Opsporingsmethoden. Beginselen van een behoorlijke procesorde. Verwerping niet-ontvankelijkheidsverweer. Medeplegen van witwassen. Opzettelijk aanwezig hebben van een aanmerkelijke hoeveelheid hennep. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/741469-11 (P)

Uitspraakdatum: 1 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 en 17 juni 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op 28 januari 1969 te [geboorteplaats] (Brazilië),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. van Brakel en van wat verdachte en haar raadsman, mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverwijk, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlaste gelegd dat:

Feit 1:

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 28 november 2011 te Beverwijk en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) en/of een auto (merk Land Rover) en/of een scooter en/of overige vermogensbestanddelen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en) en/of die auto en/of scooter en/of die overige vermogensbestanddelen gebruik gemaakt, terwijl zij wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf (te weten onder andere uit hennephandel en/of hennepteelt);

Feit 2:

zij op of omstreeks 28 november 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in haar, verdachtes, woning in Amsterdam) drie, althans een of meer zakken hennep(top(pen)), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, (telkens) zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1.

Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Daartoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat de politie in het kader van de opsporing haar bevoegdheden te buiten is gegaan. Het is de raadsman niet duidelijk waar de politie met de anonieme informant heeft gesproken. Evenmin weet de raadsman op grond van welke bevoegdheid de waterpolitie het pand aan de [a-straat] te Beverwijk heeft geobserveerd, nu dit pand niet aan het water ligt.

In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van slechts een anonieme tip de doorzoeking van genoemd pand heeft plaatsgevonden. Er was derhalve geen redelijk vermoeden van schuld dat de doorzoeking rechtvaardigde.

In de derde plaats heeft de raadsman aangevoerd dat de politie, door de auto van [betrokkene] te controleren op grond van de Wegenverkeerswet misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid.

Zowel afzonderlijk als tezamen rechtvaardigen deze tekortkomingen de conclusie dat doelbewust, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, tekort is gedaan aan haar recht op een eerlijk proces. Daarnaast is in strijd gehandeld met de strekking en achtergrond van de wet Bijzondere Opsporingsmethoden en met de beginselen van een behoorlijke procesorde, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van 2 februari 2011 hebben agenten van het KLPD, dienst waterpolitie, op 27 januari 2011 en op 1 februari 2011 een tweetal anonieme meldingen ontvangen dat er in het bedrijfspand aan de [a-straat] te Beverwijk dingen gebeurden die niet in de haak waren met name tussen 5-7 uur ’s ochtends en dat daar duistere praktijken aan de gang waren. Blijkens het proces-verbaal van 7 februari 2011 vormden deze meldingen van de mogelijke aanwezigheid van een hennepplantage aanleiding voor de observatie van het pand. Naar het oordeel van de rechtbank is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de agenten van de waterpolitie buiten de grenzen van hun bevoegdheden zouden hebben gehandeld. Niet aannemelijk is geworden dat de agenten onbevoegd een terrein zouden hebben betreden om de informant te spreken. Op grond van artikel 2 Politiewet (oud) zijn de agenten bevoegd om in het kader van hun werkzaamheden een pand (niet-stelselmatig) te observeren.

Uit het dossier blijkt dat de doorzoeking, anders dan de raadsman stelt, niet op basis van slechts een anonieme tip heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van twee anonieme meldingen en de bevindingen bij de observatie op 7 februari 2011, alsmede de controle van de auto van [betrokkene], is een warmtebrononderzoek gedaan. Daaruit bleek dat een warmtebron aanwezig was op de [a-straat] te Beverwijk, die meer hitte/warmte veroorzaakte dan andere warmtebronnen aanwezig in de omliggende loodsen. De warmtebron behoefde nader onderzoek om vast te stellen of ter plaatse een hennepkwekerij aanwezig was. Aldus ontstond een redelijk vermoeden van schuld inzake overtreding van de Opiumwet, welk vermoeden de grondslag vormde voor de doorzoeking waarbij daadwerkelijk een hennepstekkenkwekerij werd aangetroffen.

Ten aanzien van de stelling dat de politie misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden door [betrokkene] op grond van de Wegenverkeerswet te controleren, overweegt de rechtbank als volgt. De opsporingsambtenaren waren op grond van artikel 160 WVW 1994 bevoegd om een stopteken te geven en [betrokkene] naar haar identiteitsgegevens te vragen, hetgeen zij ook gedaan hebben. In casu hebben de opsporingsambtenaren hun bevoegdheid dus in elk geval mede uitgeoefend ter controle van naleving van de verkeersvoorschriften. Het feit dat er ook informatie was over mogelijke betrokkenheid van [betrokkene] bij een strafbaar feit, doet daar niet aan af. De controlebevoegdheid is in elk geval niet uitsluitend aangewend voor opsporingsdoeleinden, zodat van misbruik van die bevoegdheid geen sprake kan zijn. Voor het vervolgens doorzoeken van de auto heeft [betrokkene] overigens toestemming gegeven.

De door de raadsman aangevoerde stellingen kunnen gelet op het hiervoor overwogene noch zelfstandig, noch in samenhang, leiden tot de conclusie dat sprake is van enig vormverzuim. Aan verdere toepassing van het Zwolsman-criterium komt de rechtbank niet toe.

Ook overigens is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing daarvan.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 de pleegperiode wordt gesteld op omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 november 2011.

3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 25 februari 2011 werd er in loods 6 aan de [a-straat] te Beverwijk een professioneel ingerichte hennepstekkenkwekerij aangetroffen.2 De partner van verdachte, [partner], was hierbij betrokken; hij heeft onder meer de kwekerij gebouwd.3 Voornoemde loods werd sinds 1 oktober 2008 gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 1].4 De opbrengsten van de hennepstekkenkwekerij werden door [partner] en een aantal medeverdachten gedeeld.5 Tijdens de doorzoeking op 28 november 2011 in de woning te Amsterdam van verdachte en [partner] werd, verstopt in een schoorsteen, een bedrag van € 10.350,- aangetroffen.6 Verdachte wist dat het geld daar verstopt was7. Uit gegevens van de belastingdienst kwam naar voren dat [partner] in 2009 en 2010 geen inkomsten uit arbeid heeft gehad.8 In de periode van 1 januari 2006 tot 14 oktober 2011 werden wel contante stortingen gedaan op rekeningen van [partner]. Uit gegevens van de belastingdienst kwam naar voren dat verdachte over de periode 2008 tot 2010 geen aangifte inkomstenbelasting had gedaan en er geen loon- en rentegegevens van verdachte bekend zijn.9

Tevens werden in de woning op diverse plekken, in onder meer de gangkast, badkamer en keuken zakken met henneptoppen aangetroffen.10

3.3.

Bewijsoverweging

Witwassen

De rechtbank stelt voorop dat gebleken is dat verdachte over de periode 2008 tot 2010 geen aangifte inkomstenbelasting had gedaan en dat er geen loon- en rentegegevens bekend zijn en dat haar partner [partner] in 2009 en 2010 geen inkomsten uit arbeid heeft gehad. In de woning van verdachte en haar partner werd verstopt in een schoorsteen een bedrag van € 10.350,- aangetroffen.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie dat deze feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verwacht dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de legale herkomst van het aangetroffen geld.

De verklaring van verdachte over de herkomst van het geld, te weten dat zij dit geld vele jaren geleden in de prostitutie heeft verdiend, is niet verifieerbaar. Bovendien heeft [partner] anders over dit geld verklaard, namelijk dat het gaat om zijn handelsgeld waar hij zijn tak van moest betalen11. Verdachtes verklaring kan het vermoeden van witwassen dan ook niet ontzenuwen. De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld afkomstig is uit de opbrengsten van de hennepkwekerij waarbij haar partner betrokken was en dat zij dit wist.

Daarbij is ook betrokken hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot verdachtes wetenschap van de aanwezigheid van hennep in haar woning Verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan het witwassen. Hoewel aannemelijk is dat verdachte gedurende langere tijd heeft meegeprofiteerd van de opbrengsten die haar partner [partner] genoot uit de hennepstekkenkwekerij, is daarvoor geen concreet bewijs voorhanden. De bewezenverklaring beperkt zich derhalve tot de aangetroffen € 10.350,-.

Aanwezig hebben hennep

Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennep in de woning van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat verdachte weet heeft gehad van de aanwezigheid van de hennep, gelet op de aangetroffen hoeveelheid en verspreiding door de woning. Het medeplegen van dit feit kan, mede gelet op de intieme relatie tussen verdachte en haar partner, daarom ook worden bewezen.

De raadsman heeft ter zake nog aangevoerd dat de in de woning van verdachte aangetroffen hennep deels bestemd was voor medicinaal gebruik en deels evenementenweed betrof, die geen THC bevat, hetgeen tot vrijspraak moet leiden, zo begrijpt de rechtbank.

Dit verweer wordt verworpen. Het opzettelijk aanwezig hebben van hennep is strafbaar gesteld en daarbij is geen uitzondering gemaakt voor hennep voor medicinaal gebruik of hennep zonder THC.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

zij op 28 november 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, een voorwerp te weten een geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf (te weten onder andere uit hennephandel en/of hennepteelt).

Feit 2:

zij op 28 november 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad in haar, verdachtes, woning in Amsterdam een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

De rechtbank overweegt dat het onder 1 bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, enerzijds omdat het niet de opbrengst uit het eigen misdrijf van verdachte betreft en anderzijds omdat het geld in een schoorsteen verstopt zat, waaruit het verhullende karakter van het voorhanden hebben volgt.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Medeplegen van witwassen.

Feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot

  • -

    een taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van tweehonderdveertig (240) uren bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis;

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

6.2.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met haar partner [partner], schuldig gemaakt aan het plegen van witwassen door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het is bovendien een essentieel onderdeel van de georganiseerde criminaliteit rond illegale handelsactiviteiten, zoals de handel in verdovende middelen; zonder het witwassen van de opbrengsten zou deze handel niet kunnen bestaan.

De rechtbank acht dit dan ook een ernstig feit. Voornoemd handelen van verdachte bevordert het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbare legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

Daarnaast heeft verdachte opzettelijk een aanmerkelijke hoeveelheid hennep aanwezig gehad in haar woning. Hennep vormt, bij veelvuldig gebruik, een bedreiging voor de volksgezondheid. Daarnaast vormt het direct en indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank voorts rekening met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en zij na het onderhavige feit geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Tenslotte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte de zorg heeft over haar gezin.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. Voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank, anders dan de officier, thans geen aanleiding meer.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 22c, 22d, 47, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 3, 11 van de Opiumwet.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTWINTIG (120) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. Gruijters, voorzitter,

mr. E.L. Grosheide en mr. A.E. van Montfrans-Wolters, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aantreffen hennepstekkenkwekerij, d.d. 29 juni 2012 (ordner 2, dossierpagina 099-101).

3 Het proces-verbaal verhoor [partner] d.d. 1 december 2013 (ordner 12, persoonsdossier [partner], dossierpagina 28).

4 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], d.d. 3 maart 2011 met als bijlage de huurovereenkomst kantoorruimte (ordner 2, dossierpagina 176-182).

5 Het proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2], d.d. 8 februari 2012 (ordner 12, persoonsdossier [medeverdachte 2], dossierpagina 42, 43).

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d.13 juli 2012 (ordner 1, paragraaf 1, dossierpagina 57).

7 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d.13 juli 2012 (ordner 1, paragraaf 3, dossierpagina 2).

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d.13 juli 2012 (ordner 1, paragraaf 3, dossierpagina 3).

10 Het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking woning [partner] d.d.12 mei 2014 (aanvullend p-v, dossierpagina 77-78).

11 Het proces verbaal van verhoor van 1 december 2011 (ordner 12, dossierpagina 31).