Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6704

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
C/14/149771 / FA RK 13-2200
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de behoefte van de minderjarige berekend, nu partijen geen overeenstemming hadden over het netto besteedbaar inkomen van de man ten tijde van het samenwonen van partijen. Partijen zijn in maart 2013 uit elkaar gegaan, dus de het besteedbaar inkomen wordt berekend aan de hand van de jaaropgaaf 2012. De rechtbank heeft de berekende behoefte vervolgens geïndexeerd. Omdat partijen van mening verschillen over de draagkracht heeft de rechtbank deze vastgesteld op basis van de aangifte inkomstenbelasting 2013. Partijen hebben voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien. De rechtbank heeft een draagkrachtvergelijking gemaakt en de zorgkorting van de door de man te betalen bijdrage afgetrokken.

De rechtbank heeft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vastgesteld. Partijen verschillen van mening over de vraag of rekening dient te worden gehouden met een latente belastingclaim op een aan de man toe te scheiden beleggingsverzekering. De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met 33 %, de vrouw met 6,25 %. De rechtbank wijst erop dat de man in verband met de toescheiding een persoonsgebonden aftrek zal krijgen, terwijl de vrouw een belastingheffing zal dienen te betalen. Om die reden houdt de rechtbank enkel rekening met de netto waarde en aan de zijde van de man derhalve niet met een belastinglatentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/14/149771 / FA RK 13-2200

Tussenbeschikking d.d. 16 juli 2014 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.S. Vos, gevestigd te Alkmaar,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. P.F.M. Deijkers, gevestigd te Hoorn Nh.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 30 oktober 2013;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 15 mei 2014;

- de berichten met bijlagen van de vrouw, beiden ingekomen op 2 juni 2014, en

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 6 juni 2014.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 juni 2014.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Vos voornoemd, en de vrouw, bijgestaan door mr. Deijkers voornoemd. Mr. Deijkers heeft tijdens de mondelinge behandeling een draagkrachtberekening overgelegd.

1.3.

De minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats]. De man heeft de Nederlandse en de Australische nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De zaak draagt door de nationaliteiten van de man een internationaal karakter.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op

[geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.3.

Scheiding

2.3.1.

De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.

2.3.2.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.3.3.

Op grond van artikel 56 van boek 10 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

2.3.4.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv).

Bij het verzoekschrift is een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan gevoegd, maar dit ouderschapsplan voldoet niet aan de wettelijke vereisten omdat in het ouderschapsplan geen regeling is opgenomen met betrekking tot de informatie- en consultatieplicht. Voorts heeft de rechtbank geen origineel ouderschapsplan van partijen ontvangen. De man heeft vervolgens een nieuw ouderschapsplan opgesteld en dit aan de vrouw voorgelegd, maar partijen hebben over dit nieuwe ouderschapsplan geen overleg gevoerd. Derhalve is er door de man geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank geconstateerd dat partijen niet goed met elkaar kunnen communiceren. Nu voldoende is gebleken dat het voor de man op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.5.

De rechtbank zal nog geen beslissing nemen op het verzoek van partijen om het ouderschapsplan deel uit te laten maken van de onderhavige beschikking. Partijen hebben in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangegeven een mediator te benaderen om te trachten hun communicatieproblemen op te lossen. Indien partijen alsnog in staat zijn een gezamenlijk ouderschapsplan op te stellen, kan dit, indien partijen dat verzoeken, aan een latere beschikking worden gehecht.

2.4.

Gezag

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen na echtscheiding het gezag over de minderjarige blijven uitoefenen.

De man heeft daartegen geen verweer gevoerd.

2.4.2.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige.

2.4.3.

Ouders die gezamenlijk het gezag hebben, blijven dit van rechtswege na de echtscheiding gezamenlijk uitoefenen. Op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw hoeft dan ook niet te worden beslist.

2.5.

Verblijfplaats

2.5.1.

Beide partijen hebben verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn.

2.5.2.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.

2.5.3.

De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarige als op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet. Voor zover de vrouw heeft verzocht te bepalen dat de minderjarige op haar adres in de registers van de burgerlijke stand zal worden ingeschreven, wijst de rechtbank dit verzoek af. Het verzoek is, naar oordeel van de rechtbank, niet te beschouwen als een voorziening genoemd in artikel 827 Rv.

2.6.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.6.1.

De man heeft verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen, zodanig dat de minderjarige een weekend per twee weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 20.00 uur bij hem zal zijn alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man, welk verweer er met name op ziet dat de man alleen een verzoek heeft gedaan met betrekking tot de zorgregeling terwijl de vrouw het volledige ouderschapsplan van partijen opgenomen wil zien in de beschikking.

2.6.2.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

2.6.3.

Hoewel partijen overeenstemming hebben over de frequentie van de zorgregeling, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat zij moeizaam met elkaar kunnen communiceren en moeizaam afspraken kunnen maken over het halen en brengen van de minderjarige in verband met de zorgregeling en over de uitvoering van de zorgregeling.

Met betrekking tot halen en brengen zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de man de minderjarige op vrijdag bij de vrouw zal halen en op zondag weer naar de vrouw zal terugbrengen. Indien de man in verband met zijn werk op vrijdag een vroege dienst heeft, zal hij de minderjarige bij de vrouw halen om 16.00 uur, als de man op vrijdag een late dienst heeft, zal hij de minderjarige bij de vrouw halen om 22.00 uur.

Partijen hebben er tijdens de mondelinge behandeling mee ingestemd om met betrekking tot hun communicatiegeschillen een mediator te benaderen. De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de zorgregeling in afwachting van de uitkomst van de mediation aanhouden als na te melden en de door de man verzochte zorgregeling voorlopig vast stellen nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich tegen deze regeling verzet.

2.7.

Kinderbijdrage

2.7.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 325,- per maand vast te stellen met ingang van 1 maart 2013 dan wel met ingang van de vroegst mogelijke datum.

2.7.2.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

2.7.3.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

2.7.4.

De rechtbank gaat in het navolgende eerst in op de door de vrouw verzochte ingangsdatum, vervolgens op de behoefte van de minderjarige, de draagkracht van partijen en zal tot slot de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vaststellen.

2.7.5.

Ingangsdatum

2.7.5.1. De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte ingangsdatum. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij feitelijk gedurende een langere tijd een kinderbijdrage aan de vrouw betaalt van € 259,- per maand.

2.7.5.2. De vrouw heeft niet betwist dat de man aan haar een kinderbijdrage van € 259,- per maand betaalt. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk de ingangsdatum te stellen op de datum van de onderhavige beschikking.

2.7.6.

Behoefte minderjarige

2.7.6.1. Partijen verschillen van mening over de behoefte van de minderjarige. Volgens de vrouw bedraagt de behoefte van de minderjarige € 400,- per maand. De man heeft gesteld dat de behoefte van de minderjarige € 323,- per maand bedraagt.

2.7.6.2. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen op 1 maart 2013 uit elkaar zijn gegaan. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van de man dat haar netto besteedbaar inkomen ten tijde van het huwelijk van partijen € 960,- per maand bedroeg. Partijen hebben voorts overeenstemming dat de vrouw thans een kindgebonden budget van € 104,- ontvangt. Met betrekking tot het inkomen van de man heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat haar stelling dat rekening dient te worden gehouden met de letselschade-uitkering die de man heeft gekregen, moet worden aangepast. Zij heeft vervolgens het netto besteedbaar inkomen van de man berekend aan de hand van zijn salarisspecificaties en hetgeen uit de aangifte inkomstenbelasting 2013 blijkt. Gelet op het standpunt van de vrouw ten tijde van de mondelinge behandeling gaat de rechtbank ervan uit dat ook de vrouw van mening is dat bij het bepalen van de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van de man geen rekening dient te worden gehouden met de letselschade-uitkering. De rechtbank zal partijen daarin volgen.

2.7.6.3. Met betrekking tot het besteedbaar inkomen van de man sluit de rechtbank aan bij zijn berekening zoals hij deze in productie 5 bij het verweerschrift op het zelfstandige verzoek heeft overgelegd. Omdat partijen in maart 2013 uit elkaar zijn gegaan, dient bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen van de man uit te worden gegaan van het inkomen zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf 2012. Blijkens de jaaropgaaf 2012 bedroeg het loon Zorgverzekeringswet € 33.759,-. Van dit inkomen dient te worden uitgegaan omdat daarvan de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet reeds is afgetrokken. Het netto besteedbaar inkomen van de man ten tijde van het huwelijk van partijen bedroeg derhalve € 2.024,- per maand.

2.7.6.4. Het gezinsinkomen van partijen bedroeg derhalve (€ 960,- + € 2.024,- =) € 2.984,- netto per maand. Op basis van de Tabel Eigen Aandeel Kosten van Kinderen bedroeg de behoefte van de minderjarige in 2013 € 428,- per maand. Na aftrek van het kindgebonden budget bedraagt de behoefte van de minderjarige (€ 428,- -/- € 104,- =) € 324,- per maand. Geïndexeerd bedraagt de bijdrage in 2014 € 327,- per maand. De rechtbank zal van deze behoefte van de minderjarige uitgaan.

2.7.7.

Draagkracht partijen

2.7.7.1. Partijen zijn beiden van mening dat de draagkracht van de vrouw € 25,- per maand bedraagt. De rechtbank zal ook van deze draagkracht uitgaan.

2.7.7.2. Partijen verschillen wel van mening over de draagkracht van de man. De rechtbank zal bij het bepalen van de door de man te betalen bijdrage uitgaan van de bijlage 2014-I bij het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen. De vrouw is bij haar berekening uitgegaan van de aangifte inkomstenbelasting 2013, waaruit blijkt dat de man inkomsten uit loon heeft ontvangen van € 35.169,- bij zijn werkgever NS Reizigers en daarnaast € 204,- van het UWV heeft ontvangen in verband met een WIA-uitkering. De man heeft met betrekking tot de WIA-uitkering geen enkele toelichting gegeven. De rechtbank ziet daarin aanleiding om, net als de vrouw heeft gedaan, bij het bepalen van de draagkracht van de man uit te gaan van een inkomen van (€ 35.169,- + € 204,- =) € 35.373,- per jaar. Op basis van dit inkomen, en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 2.127,- per maand. Op basis van de draagkrachtformule heeft de man bij een dergelijk besteedbaar inkomen een draagkracht van (70% [2.127 –(0,3X 2.127+ 860)] =) € 440,- per maand.

2.7.8.

Te betalen bijdrage

2.7.8.1. De behoefte van de minderjarige bedraagt € 327,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt € 25,- per maand en de draagkracht van de man bedraagt € 440,- per maand. Over het jaar 2014 maakt de man nog aanspraak op fiscaal voordeel over zijn bijdrage ten behoeve van de minderjarige, vanaf 2015 zal dat niet langer het geval meer zijn. Rekening houdend met het fiscaal voordeel van € 40,- waar de man in 2014 nog aanspraak op maakt bedraagt de draagkracht van de man (€ 440,- + € 40,- =) € 480,- per maand. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt, inclusief het fiscaal voordeel (€ 25,- + € 480,- =) € 505,- per maand en exclusief het fiscaal voordeel (€ 25,- + € 440,- =) € 465,- per maand. Partijen hebben voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking dient te worden opgesteld.

2.7.8.2. Partijen dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de behoefte van de minderjarige. De verdeling van de kosten van de minderjarige over partijen dient berekend te worden volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Op basis van de bovenstaande gegevens dient de man, rekening houdend met het fiscaal voordeel, een bijdrage in de behoefte van de minderjarige te betalen van € 311,- (€ 480,- gedeeld door € 505,- x € 327,-) per maand en de vrouw een bijdrage van € 16,- (€ 25,- gedeeld door € 505,- x € 327,-) per maand. Exclusief fiscaal voordeel dient de man een bijdrage te betalen van € 309,- (€ 440,- gedeeld door € 465,- x € 327,-) per maand en de vrouw een bijdrage van € 18,- (€ 25,- gedeeld door € 465,- x € 327,-) per maand. Nu de man in 2014 nog wel aanspraak maakt op het fiscaal voordeel, en gelet op het geringe verschil in de door de man te betalen bijdrage wanneer hij wel of geen aanspraak maakt op fiscaal voordeel, gaat de rechtbank in het navolgende uit van een bijdrage van € 311,- per maand.

2.7.8.3. Van de door de man te betalen bijdrage dient de zorgkorting te worden afgetrokken. Partijen zijn beiden van mening dat een zorgkorting van 15 % dient te worden gehanteerd, zodat deze korting (15 % van € 327,- =) € 49,- bedraagt. De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage bedraagt derhalve (€ 311,- -/- € 49,- =) € 262,- per maand. De rechtbank acht deze bijdrage in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal deze dan ook vaststellen.

2.8.

Partnerbijdrage

2.8.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 871,- per maand vast te stellen met ingang van de datum waarop de echtscheiding een feit is.

2.8.2.

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

2.8.3.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

2.8.4.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

2.8.5.

Behoefte vrouw

2.8.5.1. De vrouw heeft in haar zelfstandige verzoekschrift berekend dat zij behoefte heeft aan een aanvullende partnerbijdrage van € 676,- netto per maand. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de inkomsten van de man uit de letselschade-uitkering. Uit het vorenstaande blijkt reeds dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat haar standpunt met betrekking tot de letselschade-uitkering dient te worden aangepast.

De man heeft in zijn verweerschrift op het zelfstandige verzoek berekend dat de behoefte van de vrouw op basis van de hofmethode € 1.534,- bedraagt. Hij heeft daarvan de inkomsten van de vrouw afgetrokken en berekend dat de aanvullende behoefte van de vrouw € 400,- netto per maand bedraagt. De vrouw heeft deze (aanvullende) behoefte niet betwist, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

2.8.6.

Draagkracht man

2.8.6.1. Partijen verschillen van mening van welk inkomen aan de zijde van de man dient te worden uitgegaan bij het bepalen van zijn draagkracht. De rechtbank zal ook voor het bepalen van de (eventueel) door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage uitgaan van het inkomen van € 35.373,-, zoals dat blijkt uit de aangifte inkomstenbelasting 2013 van de man. De rechtbank houdt voorts rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

2.8.6.2. Aan de lastenzijde houdt de rechtbank rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande. De man betaalt € 685,- per maand aan huur. De vrouw heeft gesteld dat de man samenwoont en dat om die reden rekening dient te worden gehouden met de helft van de huur. De vrouw heeft geen bewijsaanbod gedaan met betrekking tot haar stelling, noch deze stelling met stukken onderbouwd. De man heeft de stelling gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet dan ook aanleiding met de volledige huur rekening te houden. Aan ziektekostenverzekeringspremie betaalt de man € 121,- per maand, zodat de rechtbank met dat bedrag rekening zal houden. De rechtbank houdt voorts rekening met het verplicht eigen risico van € 29,- per maand, aangezien de vrouw daar geen verweer tegen heeft gevoerd.

De man heeft in zijn draagkrachtberekening voorts rekening gehouden met bijzondere kosten van € 260,- per maand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij aangegeven dat hij deze bijdrage betaalt aan de oudste dochter van partijen, [naam dochter], geboren op [geboortedatum] te Hoorn. De vrouw heeft zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld, dat de man deze bijdrage niet aan [naam dochter] betaalt. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een bankafschrift dat hij in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen heeft overgelegd. Uit dit bankafschrift blijkt dat de man op 14 maart 2013 € 1.002,- heeft overgemaakt naar de Raborekening 0370.4372.41 ten behoeve VISA kaart tablet [naam dochter] en 500 terug boeken. De man heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij [naam dochter] vaak een contante bijdrage geeft. De rechtbank is van oordeel dat de man, gelet op de betwisting van de vrouw, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij € 260,- per maand als bijdrage aan [naam dochter] betaalt. De rechtbank houdt met deze last dan ook geen rekening.

2.8.6.3. Op grond van bovenstaande overwegingen heeft de man een besteedbaar inkomen van

€ 2.127,- per maand en een draagkrachtloos inkomen van € 1.520,- per maand. De draagkrachtruimte bedraagt € 607,- per maand, waarvan 60% beschikbaar is voor betaling van een partnerbijdrage, derhalve een bedrag van € 364,- per maand. Na aftrek van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarige, inclusief de zorgkorting, van

€ 311,- per maand en rekening houdend met het fiscaal voordeel, kan de man een partnerbijdrage betalen van € 93,- netto en € 160,- bruto per maand. Zodra de man geen aanspraak meer maakt op het fiscaal voordeel, kan hij een partnerbijdrage aan de vrouw betalen van € 53,- netto per maand en € 91,- bruto per maand. De rechtbank gaat, net als bij de kinderbijdrage, uit van de huidige situatie waarbij de man wel aanspraak maakt op fiscaal voordeel. Een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage van € 160,- per maand acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal deze bijdrage dan ook in het navolgende vaststellen. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man aan haar een partnerbijdrage dient te betalen zodanig dat partijen een gelijke vrije bestedingsruimte overhouden na betaling van de partnerbijdrage gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij nu deze niet op de wet is gebaseerd.

2.9.

Goederengemeenschap

2.9.1.

De man heeft verzocht de verdeling te bevelen van de tussen de partijen bestaande gemeenschap, ten overstaan van een notaris en met benoeming van onzijdige personen.

2.9.2.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze. Uit de stellingen van de vrouw en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, begrijpt de rechtbank het verzoek van de vrouw aldus dat zij de rechtbank verzoekt de verdeling vast te stellen op grond van artikel 185 lid 1 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

2.9.3.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

2.9.4.

Naar de regels van Nederlands internationaal privaatrecht is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime als het recht van het land van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van de huwelijkssluiting dan wel kort daarna. Immers, een geldige rechtskeuze is niet gesteld of gebleken en evenmin is gebleken dat partijen hun voorzieningen hebben afgestemd op een ander recht dan het hierboven gevonden recht.

2.9.5.

Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

2.9.6.

De rechtbank stelt voorop dat de hoofdregel bij de verdeling luidt dat de omvang van de huwelijksgemeenschap wordt bepaald per datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, en dat de waardering plaatsvindt per datum verdeling, tenzij redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzet of partijen overeenstemming hebben bereikt over een andere peildatum.

Partijen hebben overeenstemming dat voor de omvang en de waardering van de huwelijksgoederengemeenschap van 1 maart 2013 dient te worden uitgegaan.

2.9.7.

De echtelijke woning van partijen is reeds verkocht en geleverd en de overwaarde is tussen partijen verdeeld. De inboedel en de auto’s van partijen zijn inmiddels ook verdeeld. De rechtbank behoeft op deze onderdelen derhalve niet in te gaan.

2.9.8.

Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, maakt de rechtbank op dat partijen de volgende posten in de verdeling wensen te betrekken:

  1. saldo beleggingsrekening 62.39.13.151;

  2. saldo beleggingsrekening Delta Lloyd, met rekeningnummer 018.68.437;

  3. saldo bankrekening 3704.205.583;

  4. saldo bankrekening 3719.70.822;

  5. saldo bankrekening 1470.454.025 (internetrekening);

  6. saldo bankrekening 60.29.97.771 (internetspaarrekening);

  7. saldo bankrekening 60.29.53.375 (privérekening);

  8. saldo bankrekening 3704.37.241, en

  9. saldo bankrekening 65776 (spaarloonregeling).

2.9.9.

Met betrekking tot deze posten geldt het volgende.

Ad 1) saldo beleggingsrekening 62.39.13.151

Partijen hebben overeenstemming dat het saldo op de peildatum 1 maart 2013 € 693,- bedroeg. Partijen hebben voorts overeenstemming dat deze beleggingsrekening op naam van de man zal worden gesteld, onder verrekening van de helft van het saldo van € 693,- te weten € 346,50 aan de vrouw.

Ad 2) saldo beleggingsrekening Delta Lloyd, met rekeningnummer 018.68.437

Partijen hebben overeenstemming dat het saldo op de peildatum 1 maart 2013 € 7.800,- bedroeg. De rekening staat op naam van de man, zodat hij de helft van het saldo van

€ 7.800,- te weten € 3.900,- aan de vrouw dient te betalen.

Ad 3) saldo bankrekening 3704.205.583

Partijen hebben overeenstemming dat het saldo op de peildatum 1 maart 2013 € 0,- bedroeg. De rekening staat op naam van de man.

Ad 4) saldo bankrekening 3719.70.822

Partijen hebben overeenstemming dat het saldo op de peildatum 1 maart 2013 € 100,- bedroeg. De rekening staat op naam van de man, zodat hij de helft van het saldo van

€ 100,- te weten € 50,- aan de vrouw dient te betalen.

Ad 5) saldo bankrekening 1470.454.025 (internetrekening)

Partijen hebben overeenstemming dat het saldo op deze rekening op de peildatum 1 maart 2013 € 14.557,- bedroeg. De rekening staat op naam van de man, zodat hij de helft van het saldo van € 14.557,-, te weten € 7.278,50 aan de vrouw dient te betalen.

Ad 6) saldo bankrekening 60.29.97.771 (internetspaarrekening)

Partijen hebben overeenstemming dat het saldo op deze rekening op de peildatum 1 maart 2013 € 173,- bedroeg. Deze rekening staat op naam van de vrouw, zodat zij de helft van het saldo van € 173,-, te weten € 86,50 aan de man dient te betalen.

Ad 7) saldo bankrekening 60.29.53.375 (privérekening)

Partijen hebben overeenstemming dat het saldo op deze rekening op de peildatum 1 maart 2013 € 663,- bedroeg. Deze rekening staat op naam van de vrouw, zodat zij de helft van het saldo van € 663,-, te weten € 331,50 aan de man dient te betalen.

Ad 8) saldo bankrekening 3704.37.241

Partijen hebben over deze rekening geen overeenstemming bereikt. Volgens de vrouw was het saldo op de rekening € 10,- debet, volgens de man € 622,- debet. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man van deze rekening lasten van onder andere de voormalige echtelijke woning van partijen heeft voldaan, waarvan partijen hebben afgesproken dat de man deze zou dragen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk van het door de vrouw gestelde saldo van € 10,- debet uit te gaan. De rekening staat op naam van de man, zodat de vrouw aan de man de helft van het debetsaldo van € 10,- te weten € 5,- dient te betalen. De rechtbank zal deze vordering van de man als te verrekenen post afhandelen.

Ad 9) saldo bankrekening 65776 (spaarloonregeling)

Partijen hebben overeenstemming dat het saldo op deze rekening per de peildatum 1 maart 2013 € 1.290,- bedroeg. De rekening staat op naam van de man, zodat hij de helft van het saldo van € 1.290,- te weten € 645,- aan de vrouw dient te betalen.

2.9.10.

De man heeft gesteld dat hij na de peildatum van 1 maart 2013 nog verschillende betalingen heeft verricht, welke voor rekening van beide partijen komen. De man heeft een overzicht opgesteld op pagina 5 van zijn verweerschrift zelfstandige verzoeken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt dat een bedrag van

€ 4.500,- dient te worden verrekend, zodat de vrouw een bedrag van € 2.250,- aan de man dient te betalen.

Partijen hebben voorts tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt dat een bedrag van € 387,- door de vrouw aan de man dient te worden betaald in verband met door de man ten behoeve van de vrouw betaalde premie ziektekostenverzekering.

De man heeft voorts gesteld dat rekening dient te worden gehouden met een latente belastingclaim op de aan de man toe te scheiden beleggingsverzekering bij Delta Lloyd. De man is daarbij uitgegaan van een claim van 33 % over de helft van € 7.744,- te weten een bedrag van € 1.277,-.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen deze stelling van de man. Zij heeft verwezen naar een uitspraak van het Hof Den Haag, met nummer ECLI:NL:GHSGR:2012:BY0255. Op basis van deze uitspraak dient naar mening van de vrouw rekening te worden gehouden met een belastinglatentie van 6,25 %.

De rechtbank overweegt als volgt:

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt dat de waarde van deze beleggingsverzekering per de peildatum van 1 maart 2013 € 7.800,- bedroeg. De helft van de waarde is derhalve € 3.900,-. Op grond van de artikelen 6.3 lid 1 sub d en 3.102 lid 3 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 heeft de man als gevolg van de toedeling een persoonsgebonden aftrek jegens de vrouw en zal de vrouw een belastingheffing dienen te betalen. Het belastingvoordeel van de man zal ongeveer 42 % van € 3.900,- bedragen, terwijl de vrouw een betaling zal moeten verrichten van 37 %, omdat zij in de laagste belastingcategorie valt. Nu de man een fiscaal voordeel kan behalen, terwijl de vrouw een fiscale heffing zal kunnen krijgen, acht de rechtbank het redelijk enkel rekening te houden met de netto waarde en aan de zijde van de man geen rekening te houden met een belastinglatentie.

De rechtbank stelt vast dat partijen met betrekking tot het ABC Spaarplan, een zogenaamde spaarkasovereenkomst, afgesloten bij de ASR met kenmerk 5101115 zijn overeengekomen dat deze op naam van de man in stand zal worden gelaten. Zodra deze overeenkomst tot uitkering komt, zal de man de helft van de waarde aan de vrouw betalen.

De rechtbank stelt vast dat partijen met betrekking tot het pensioen van de man bij Interpolis in verband met zijn dienstverband bij Flexoplast zijn overeengekomen dat de man medewerking zal verlenen aan melding bij Interpolis dat partijen zijn gescheiden zodat Interpolis, zodra de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, het aan de vrouw toekomend deel aan de vrouw kan uitkeren. Nu een en ander voortvloeit uit de wettelijke regeling terzake van de pensioenverevening volstaat de rechtbank met deze vermelding.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat hij het Reaal studieplan ten behoeve van de minderjarige en de begrafenispolissen ten behoeve van partijen en de kinderen van partijen zal blijven betalen.

2.9.11.

Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.9 dient de man aan de vrouw een bedrag te betalen van (€ 346,50 + € 3.900,- + € 50,- + € 7.287,50 + € 645,- =) € 12.229,-. De vrouw dient op basis van hetgeen onder 2.9.9. is overwogen aan de man te betalen

(€ 86,50 + € 331,50 + € 5,- =) € 423,-.

Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.10. dient de vrouw aan de man nog een bedrag te betalen van (€ 2.250,- + € 387,- =) € 2.637,-.

Vorenstaande komt erop neer dat de man aan de vrouw in verband met overbedeling een bedrag dient te betalen van (12.229,- -/- [€ 423,- + € 2.637,-]) € 9.169,-.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum];

3.2.

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op

[geboortedatum] te [geboorteplaats], haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de man € 262,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarige, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.4.

bepaalt dat de man € 160,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande inmiddels ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast zoals hiervoor onder 2.9.9. en 2.9.10 is overwogen en beslist;

veroordeelt de man om uit hoofde van overbedeling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 9.169,- (negenduizend honderdnegenenzestigeuro);

stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat het ABC Spaarplan, een zogenaamde spaarkasovereenkomst, afgesloten bij de ASR met kenmerk 5101115 op naam van de man in stand zal worden gelaten, zodra deze overeenkomst tot uitkering komt, zal de man de helft van de waarde aan de vrouw betalen;

3.6.

verklaart de beslissing, behoudens ten aanzien van de echtscheiding en bovenstaande vaststelling, uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst tot zover het meer of anders verzochte af;

3.8.

bepaalt, tevens uitvoerbaar bij voorraad, dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig als volgt zal zijn:

de minderjarige zal bij de man zijn een weekend per twee weken van vrijdag 16.00 uur tot zondag 20.00 uur alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen, waarbij de man de minderjarige op vrijdag bij de vrouw zal halen en op zondag bij de vrouw zal terugbrengen;

3.9.

houdt de beslissing ten aanzien van de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken alsmede het aanhechten van het ouderschapsplan aan tot 8 oktober 2014 in afwachting van bericht van partijen omtrent het resultaat van de mediation en de gewenste voortzetting van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 16 juli 2014.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.