Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6685

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
C/15/215003 / HA RK 14-39
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Wraking van de rechter-commissaris na afwijzing van het verzoek van de verdediging om het verhoor van een getuige uit te stellen. Een dergelijke procesbeslissing vormt geen grond voor wraking, omdat ook een rechter-commissaris dergelijke beslissingen moeten (kunnen) nemen voor de voortgang van de zaak. De juistheid van een dergelijke beslissing kan niet in het kader van een verzoek om wraking, maar alleen in de strafzaak zelf of in een eventueel hoger beroep worden getoetst. Dat is slechts anders, als blijkt dat de beslissing (louter) is ingegeven door en gebaseerd op vooringenomenheid in de zin van voormelde subjectieve toets, maar dat is niet gesteld, noch anderszins gebleken. Voorts is dat anders als bij het nemen van de beslissing sprake is van twijfel aan onpartijdigheid in de zin van voormelde objectieve toets. Verzoekers hebben echter ook geen omstandigheden aangevoerd waardoor objectief de vrees voor partijdigheid is gerechtvaardigd, omdat de toelichting op het verzoek uitsluitend argumenten behelst die zien op de juridische juistheid van de beslissing van de rechter. En zoals reeds aangegeven, een verzoek om wraking kan niet leiden tot een (inhoudelijke) heroverweging of toetsing van de gewraakte procesbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/215003 / HA RK 14-39

Beslissing van 3 juli 2014

Op de verzoeken tot wraking ingediend door:

[verzoeker 1],

thans gedetineerd in de PI [vestigingsplaats 1]

verzoeker,

raadsman, mr. P.J. Roelse te Amsterdam,

en

[verzoeker 2]

thans gedetineerd in de PI [vestigingsplaats 2]

verzoeker

raadsman, mr. W.H. Jebbink te Amsterdam.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. A. Eichperger,

hierna te noemen: de rechter.-commissaris

1 Procesverloop en feiten

1.1.

Op 27 juni 2014 heeft de meervoudige kamer in deze rechtbank het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaken met respectievelijk parketnummers 15/973006/14 en 15/973004-14 tegen respectievelijk [verzoeker 1] en [verzoeker 2] geschorst en de zaken verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. Eerder had bij beslissing van 21 februari 2014 de rechter-commissaris, mr. B. Vogel, op verzoek van de officier van justitie, het horen van enige getuigen toegewezen. Tot deze getuigen behoort [getuige].

1.2.

Bij faxbrief van 24 juni 2014 heeft de raadsman van [verzoeker 2], mr. Jebbink, rechter-commissaris mr. Vogel verzocht om uitstel van het verhoor van de getuige [getuige] nu de raadsman nog doende was met het uitluisteren van geluidsopnames van de politieverhoren van deze getuige en daarbij was gebleken dat de uitwerking van de verhoren in de processen-verbaal niet altijd correct waren weergegeven, aldus mr. Jebbink. Rechter-commissaris mr. Vogel heeft bij faxbrief van 25 juni 2014 aangegeven dat hij in hetgeen mr. Jebbink heeft aangevoerd geen aanleiding ziet het reeds geplande verhoor uit te stellen maar dat er wel redenen zouden kunnen zijn om de getuige op een later moment alsnog te horen. Hij gaf daarbij ook aan dat niet hij, maar rechter-commissaris mr. Eichperger de getuigen op 1, 2 en 3 juli 2014 zou horen.

1.3.

Voorafgaand aan het voorgenomen getuigenverhoor van [getuige] op 1 juli 2014 hebben mr. Roelse en mr. Jebbink mr. Eichperger gemotiveerd verzocht het verhoor uit te stellen.

1.4.

Dit verzoek is door mr. Eichperger afgewezen. Daarna hebben verzoekers de wraking van deze rechter-commissaris verzocht.

1.5.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.6.

De wrakingskamer is de behandeling van het verzoek ter zitting van 1 juli 2014 aangevangen. Op verzoek van de raadslieden is de behandeling van het wrakingsverzoek bij die gelegenheid aangehouden en niet inhoudelijk aan de orde gesteld teneinde de raadslieden in de gelegenheid te stellen overleg te voeren met verzoekers en verzoekers de mogelijkheid te bieden bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig te zijn.

1.7.

Vervolgens heeft de wrakingskamer, in gewijzigde samenstelling, het verzoek ter zitting van 3 juli 2014 inhoudelijk behandeld. Verzoekers en de raadslieden zijn ter zitting van de wrakingskamer verschenen. Voorts zijn verschenen rechter-commissaris mr. Eichperger, haar griffer en de officier van justitie. Verzoekers, de officier van justitie en de rechter-commissaris zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Namens verzoekers zijn de verzoeken toegelicht. De rechter-commissaris heeft haar zienswijze op de verzoeken gegeven en de officier van justitie heeft zijn standpunt naar voren gebracht.

2 Standpunten van betrokkenen

2.1.

Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek hebben verzoekers naar voren gebracht dat de afwijzing van het verzoek het verhoor van de getuige [getuige] en de andere getuigenverhoren die gepland waren op 1, 2 en 3 juli 2014 met enkele weken uit te stellen met zich brengt dat een aanzienlijke disbalans zal ontstaan tussen partijen omdat het Openbaar Ministerie over veel meer informatie beschikt dan de verdediging en de verdediging bovendien niet eerder in de gelegenheid is gesteld deze getuige te ondervragen. In dit verband is van belang dat de getuige [getuige] bij de politie niet consistent en innerlijk tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, terwijl de verklaringen van de getuige essentieel zijn voor de zaken van verzoekers. Om die reden is het verhoor van deze getuige van groot belang waarbij de betrouwbaarheid van de verklaringen, de bruikbaarheid van de verklaringen voor het bewijs en de vraag of de verklaringen ook redengevend zijn voor het bewijs, door de verdediging zal worden onderzocht. Bovendien is er een groot aantal aanwijzingen dat de processen-verbaal van verhoor van genoemde getuige onjuistheden bevatten en kunnen er vraagtekens worden gezet bij de wijze van verhoren. Om die reden is de verdediging de gelegenheid geboden de audio-opnames van deze verhoren te beluisteren. Nu deze opnames een groot aantal cd-roms betreffen die pas zeer recent aan de verdediging zijn verstrekt en bovendien recent door het Openbaar Ministerie nog stukken zijn verspreid die van belang zijn voor de getuigenverhoren en ten slotte het einddossier nog altijd niet gereed is, heeft de verdediging niet de gelegenheid het verhoor van deze cruciale getuige deugdelijk voor te bereiden, waardoor om uitstel van de verhoren is gevraagd. Door echter te beslissen dat de officier van justitie vragen kon stellen en dat de verdediging bij het verhoor aanwezig mocht zijn maar op een later moment zijn vragen mocht stellen worden de rechten van de verdediging illusoir gemaakt nu zij geen zorgvuldige uitvoering kan geven aan haar controletaken bij een dergelijk verhoor. Het voorgaande brengt verzoekers tot de conclusie dat de rechter-commissaris de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

2.2.

De rechter-commissaris heeft aangegeven, dat zij niet de zaaksrechter-commissaris in de zaak tegen verzoekers is en maar dat zij slechts belast was met het horen van de getuigen op 1, 2 en 3 juli 2014. Bij eerdere correspondentie in deze zaak of eerder genomen beslissingen, waaraan verzoekers in de onderbouwing van hun verzoek refereren, is niet zij, maar haar collega rechter-commissaris mr. B. Vogel betrokken geweest. De rechter-commissaris heeft voorts toegelicht dat het horen van deze getuigen primair op verzoek van het Openbaar Ministerie gebeurt en dat de raadslieden zich hierbij eerst later hebben aangesloten. Om deze reden is het de bedoeling dat de officier van justitie aanvangt met het vragen stellen aan de getuigen en vervolgens komt de verdediging aan bod. Desgewenst kunnen de raadslieden ook op een later tijdstip aanvullende vragen aan de getuigen stellen.

2.3.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn in hun wrakingsverzoek. De verdediging heeft reeds meermalen kenbaar gemaakt dat zij problemen had met de planning van de getuigenverhoren en dat zij uitstel wilden maar telkens is door rechter-commissaris mr. B. Vogel beslist dat de verhoren doorgang zouden vinden. De omstandigheden, die de verzoekers aan de rechter-commissaris verwijten, waardoor zij de schijn van partijdigheid zou hebben gewekt, zijn dus al geruime tijd bekend. Het wrakingsverzoek is tardief omdat het verzoek dient te worden ingediend op het moment dat de omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd, aan de verzoeker bekend zijn geworden. Subsidiair heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de wrakingsverzoeken omdat hij in de gronden voor de afwijzing geen aanleiding ziet voor twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter-commissaris. Zij was terecht voornemens de officier van justitie als eerste de gelegenheid te geven de getuige vragen te stellen. Op geen enkele manier valt in te zien waarom de verdedigingsbelangen worden geschaad door de verdediging op een later moment haar vragen te laten stellen.

3 De beoordeling

3.1.

Anders dan de officier van justitie acht de wrakingskamer de verzoeken ontvankelijk en overweegt daartoe het volgende. Voor wat betreft de tijdigheid vereisen artikel 512 en 513 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dat het verzoek tot wraking van elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt ingediend zodra aan de verzoeker de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Verzoekers zijn voor het eerst door de brief van 25 juni 2014 van rechter-commissaris Vogel op de hoogte geraakt van het feit dat de rechter de getuigenverhoren op 1 juli 2014 zou gaan leiden. Gesteld noch gebleken is dat verzoekers ten aanzien van de opstelling van de rechter tegenover de verzoeken van verzoekers tot uitstel van de getuigenverhoren eerder dan 1 juli 2014 op de hoogte waren. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd, dat verzoekers niet het wrakingsverzoek hebben gedaan zodra zij bekend waren geworden met de feiten en omstandigheden die zij aan het wrakingsverzoek ten grondslag leggen. Gezien voormelde omstandigheden moeten de verzoeken geacht worden tijdig te zijn ingediend.

3.2.

Ingevolge artikel 512 Rv kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert: de zogenoemde subjectieve toets. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid: de zogenoemde objectieve toets.

Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

3.3.

Gesteld noch gebleken is dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.4.

De aanleiding voor het wrakingsverzoek is de beslissing van de rechter-commissaris het verzoek van de verdediging af te wijzen om het getuigenverhoor van de getuige [getuige], dat gepland was op 1 juli 2014 en de getuigenverhoren op 2 en 3 juli 2014 uit te stellen. Een beslissing op een dergelijk verzoek is een procesbeslissing. Een dergelijke beslissing vormt, ook al is die negatief voor een partij, geen grond voor wraking omdat ook een rechter-commissaris dergelijke beslissingen moeten (kunnen) nemen voor de voortgang van de zaak. De juistheid van een dergelijke beslissing kan niet in het kader van een verzoek om wraking, maar alleen in de strafzaak zelf of in een eventueel hoger beroep worden getoetst. Dat is slechts anders, als blijkt dat de beslissing (louter) is ingegeven door en gebaseerd op vooringenomenheid in de zin van voormelde subjectieve toets, maar dat hebben verzoekers, zo bleek reeds hiervoor, niet gesteld, noch is dit anderszins gebleken. Voorts is dat anders als bij het nemen van de beslissing sprake is van twijfel aan onpartijdigheid in de zin van voormeld objectieve toets. Verzoekers hebben echter ook geen omstandigheden aangevoerd waardoor objectief de vrees voor partijdigheid is gerechtvaardigd, omdat de, overigens uitvoerige, toelichting op het verzoek uitsluitend argumenten behelst die zien op de juridische juistheid van de beslissing van de rechter. En zoals reeds aangegeven, een verzoek om wraking kan niet leiden tot een (inhoudelijke) heroverweging of toetsing van de gewraakte procesbeslissing.

3.5.

De feiten en omstandigheden die verzoekers ter onderbouwing van hun verzoek naar voren hebben gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. De rechtbank zal de verzoek daarom afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van de rechter-commissaris af,

4.2.

beveelt de griffier onverwijld aan verzoekers, de rechter-commissaris en de officier van justitie een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3.

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. van Andel, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. I.M. Nusselder, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Klerk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2014.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.