Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6636

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
AWB-14_1722
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Benadelingshandeling in de zin van de WW. Eiser en de werkgever hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten en daarbij niet de fictieve opzegtermijn in acht genomen. Uit de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval blijkt niet zonder meer dat een hogere ontslagvergoeding of een latere ontbindingsdatum in de rede lag. Verweerder heeft niet onderbouwd dat het haalbaar was om een hogere vergoeding of latere ontbindingsdatum te vragen. De bewijslast rust bij verweerder. De rechtbank voorziet zelf. Verweerder heeft een verkeerde opzegtermijn gehanteerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-07-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14/1722

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Krommendijk),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij tot en met 31 oktober 2013 geen uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) krijgt.

Bij separaat besluit van 25 september 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van 18 september 2013 recht heeft op een WW-uitkering tot 17 mei 2014, maar dat deze uitkering pas wordt uitbetaald vanaf 1 november 2013.

Bij besluit van 19 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2014.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Ritsma.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser was sinds 1 oktober 2005 in dienst bij [werkgever] B.V. (hierna: de werkgever), in de functie van statutair directeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In de arbeidsovereenkomst van 1 januari 2007 is in artikel 1 opgenomen dat de arbeidsovereenkomst door beide partijen kan worden opgezegd tegen iedere datum met inachtneming van een opzegtermijn van 1 (één) maand.

1.2

Bij aandeelhoudersbesluit van 30 augustus 2013 is besloten de arbeidsovereenkomst met eiser te beëindigen vanwege redenen van bedrijfseconomische aard. Vervolgens zijn eiser en de werkgever bij vaststellingsovereenkomst van 30 augustus 2013 overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 september 2013 en is eiser een vergoeding van
€ 3.000,- bruto toegekend.

2.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser en de werkgever bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst de fictieve opzegtermijn niet in acht hebben genomen, terwijl de toegekende schadevergoeding lager is dan het bedrag dat eiser aan loon zou hebben ontvangen indien rekening was gehouden met de rechtens geldende opzegtermijn. De schadevergoeding is slechts toereikend tot en met 17 september 2014. Hiermee is de eerste werkloosheidsdag door verweerder vastgesteld op 18 september 2013. Volgens verweerder is sprake van een benadelingshandeling en wordt het recht op een WW-uitkering (tijdelijk) geweigerd gedurende de resterende fictieve opzegtermijn, volgens verweerder tot 1 november 2013.

3.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat geen sprake is van benadeling van de werkloosheidsfondsen. Ten onrechte heeft verweerder geen rekening gehouden met de bijzonder slechte financiële situatie van de werkgever.

3.1

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze beroepsgrond het volgende. In geschil is de vraag of sprake is van een benadelingshandeling. In vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is bepaald dat het enkele feit dat de werknemer in het kader van een, al dan niet geregelde, ontbinding niet vraagt om bij de datum van de ontbinding dan wel bij het bedingen van een vergoeding rekening te houden met de fictieve opzegtermijn, geen benadelingshandeling oplevert. Daarvan kan wel sprake zijn indien aanstonds blijkt dat een (hogere) vergoeding in de rede lag. Het is dan echter in beginsel aan verweerder om aan te tonen dat daarvan sprake is (CRvB d.d. 16 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9325).

3.2

Eiser heeft gesteld dat vanwege bedrijfseconomische redenen een hogere vergoeding niet haalbaar was en heeft ter onderbouwing in bezwaar financiële stukken van de onderneming opgestuurd. Verweerder heeft in het bestreden besluit naar aanleiding hiervan gesteld dat het voor eiser mogelijk was geweest om de werkloosheidsfondsen niet te benadelen en heeft daarbij het volgende overwogen:
Bij de beoordeling nemen wij in ogenschouw het feit dat u directeur en statutair bestuurder was van de onderneming. U dient dan wel te worden aangemerkt als werknemer, maar dit neemt niet weg dat u in uw situatie oog heeft gehad op de financiële situatie van de onderneming. Om deze reden zijn wij dan ook van oordeel dat het voor u mogelijk was geweest te zorgen dat er geen benadeling van het werkloosheidsfonds had plaatsgevonden. U had immers op een eerder moment kunnen overgaan tot het opstellen en ondertekenen van een beëindigingsovereenkomst”. Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat het salaris van eiser over juni nog gewoon was uitbetaald, zodat niet gebleken is dat het al langere tijd slecht ging met de werkgever.

3.3

De rechtbank is, in tegenstelling tot verweerder, van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden niet zonder meer volgt dat een hogere ontslagvergoeding of een latere ontbindingsdatum in de rede lag. Daarbij heeft verweerder geen enkele onderbouwing gegeven van het standpunt dat het voor eiser haalbaar was te vragen om een hogere vergoeding of een latere ontbindingsdatum. Uit hetgeen onder 3.1 is overwogen volgt nu juist dat de bewijslast in deze bij verweerder rust. De stelling van verweerder dat eiser eerder tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst had moeten overgaan, omdat verweerder er kennelijk vanuit gaat dat eiser dan wel een hogere vergoeding had kunnen krijgen, is evenmin onderbouwd. De beroepsgrond van eiser slaagt dan ook. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.

In verband met de finale beslechting van het geschil ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe het volgende.

4.1

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat in de arbeidsovereenkomst van eiser geen opzegtermijn is opgenomen, zodat op grond van artikel 7:672 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een opzegtermijn geldt van twee maanden. Dit standpunt van verweerder is kennelijk onjuist nu in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst van eiser een opzegtermijn van één maand is overeengekomen. Ter zitting heeft verweerder dit erkend. Uit de uitspraak van de CRvB van 17 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO4166) volgt voorts dat in het kader van artikel 16, derde lid, van de WW (thans neergelegd in artikel 2 van de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren (Stcrt 2012,26779)) bepalend is op welke datum de beëindiging schriftelijk is overeengekomen. In het onderhavige geval is de vaststellingsovereenkomst getekend op 30 augustus 2013. De opzegtermijn moet worden toegerekend aan de periode direct volgend op 30 augustus 2013. Nu volgens de arbeidsovereenkomst sprake was van een maand opzegtermijn, gold een fictieve opzegtermijn tot 1 oktober 2013. Eiser heeft een vergoeding bedongen die, als hij loon zou hebben ontvangen, toereikend was tot en met 17 september 2013. Nu eiser met de gegevens die hij in bezwaar heeft overgelegd heeft aangetoond dat zijn werkgever in financiële problemen was geraakt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat eiser de werkloosheidsfondsen heeft benadeeld door niet een hogere vergoeding te bedingen, om ook de laatste twee weken van de fictieve opzegtermijn te overbruggen. Eiser heeft voldoende onderbouwd dat dit niet in de rede lag. Vastgesteld wordt dan ook dat eiser met ingang van 18 september 2013 recht heeft op een WW-uitkering en dat deze uitkering vanaf deze datum aan hem moet worden uitbetaald. Verweerder wordt dan ook opgedragen de WW-uitkering vanaf deze datum na te betalen, inclusief wettelijke rente, zoals door eiser is verzocht, wegens vertraagde uitbetaling van de WW-uitkering. Voor de wijze van berekening van de wettelijke rente verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958).

5.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.416,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

6.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de primaire besluiten;

- bepaalt dat eiser met ingang van 18 september 2013 in aanmerking komt voor een WW-uitkering en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade, te weten de wettelijke rente, zoals hiervoor aangegeven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.416,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.