Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6470

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
C/14/147226 / FA RK 13-1378
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek ontkenning vaderschap, ipr, toepassing artikel 10:17 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/14/147226 / FA RK 13-1378

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 9 juli 2014

in de zaak van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.D. Bhagwandin, kantoorhoudende te Hoorn Nh,

--tegen--

[de man],

zonder bekende woon- en/of verblijfplaats,,

hierna mede te noemen: de man,

niet verschenen.

Het kind wordt vertegenwoordigd door mr. A.I. Lunshof, bijzondere curator.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de moeder, ingekomen op 8 juli 2013;

- de brief met bijlage van 10 juli 2013 van de advocaat van de moeder;

- de brief van 9 augustus 2013 van de advocaat van de moeder;

- de brief met bijlagen van 2 september 2013 van de advocaat van de moeder;

- de brief met bijlagen van 3 september 2013 van de advocaat van de moeder;

- de brief met bijlagen van 4 september 2013 van de advocaat van de moeder;

- de brief met bijlagen van 11 september 2013 van de advocaat van de moeder;

- de brief van 30 april 2014 van de bijzondere curator, mr. A.I. Lunshof,

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 juni 2014, alwaar zijn verschenen de moeder, bijgestaan door mr. S.D. Bhagwandin. Voorts is verschenen mr. A.I. Lunshof, de bijzondere curator. De man is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen middels een advertentie in een landelijk dagblad, niet ter zitting verschenen.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats], gehuwd. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend, welk verzoek bij deze rechtbank is geregistreerd onder procedurenummer C/143041/FA RK 13-75.

2.2

Uit het huwelijk van partijen is geboren het minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.3

Bij beschikking van deze rechtbank van 12 maart 2014 is mr. A.I. Lunshof, advocaat te Zwaag, gemeente Hoorn, tot bijzondere curator over het kind benoemd.

3 Verzoek

3.1

Het verzoek van de moeder strekt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van het kind.

3.2

De moeder heeft verzoek gebaseerd op de stelling dat de man niet de biologische vader van het kind is.

De moeder heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De vrouw woont sinds oktober 2010 in Nederland. De vrouw weet niet waar de man is. Ze vermoedt dat hij is overleden, maar heeft daarvan geen bewijs. Sinds 2009 heeft zij geen contact meer met de man. De vrouw heeft een nieuwe partner, de heer [nieuwe partner]. Deze partner is de biologische vader van de minderjarige en hij wil de minderjarige erkennen.

Namens de vrouw is gesteld dat partijen een gemeenschappelijke nationaliteit hebben, zijnde de Eritrese. De vrouw concludeert voorts dat het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit ontbreekt, omdat de vrouw geen moslima is, zodat conform artikel 10:92 in samenhang met artikel 10:93 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht van toepassing is.

4 Verweer

De man heeft geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen.

5 Verslag bijzondere curator

Uit het verslag van de bijzondere curator blijkt het volgende.

De vrouw heeft tegenover de bijzondere curator het volgende verklaard.

De vrouw is als politiek vluchteling in 2010 naar Nederland gekomen. Formeel is zij gehuwd, maar de vrouw weet zeker dat de man in 2012 is overleden toen hij van Soedan naar Libië reisde. De heer [nieuwe partner] is haar nieuwe partner en de vader van de minderjarige. De vrouw woont niet samen met de heer [nieuwe partner], maar er is wel veel contact. De vrouw is thans zwanger van een tweede kind van haar en de heer [nieuwe partner].

De heer [nieuwe partner] heeft telefonisch tegenover de bijzondere curator verklaard dat hij de biologische vader van de minderjarige is, alsook van het thans nog ongeboren kind. Hij heeft de Eritrese nationaliteit en zijn aanvraag voor de Nederlandse nationaliteit is in behandeling.

De bijzondere curator is van mening dat zowel de moeder als de man de Eritrese nationaliteit hebben. Nu de man naar alle waarschijnlijkheid is overleden, is er geen gemeenschappelijke nationaliteit. Op grond van artikel 10:93, tweede lid van het Burgerlijke Wetboek kan de rechter, indien ontkenning op grond van het volgens lid 1 bedoelde recht niet (meer) mogelijk is, in het belang van het kind het recht toepassen van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind of het Nederlands recht. De bijzondere curator is van mening dat Nederlands recht dient te worden toegepast op het recht.

De bijzondere curator concludeert tot toewijzing van het verzoek, nu het in het belang van de minderjarige is dat de juridische situatie wordt aangepast aan de feitelijke situatie.

6 Beoordeling

Nu de vrouw in Nederland woont is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Op grond van artikel 10:93, eerste lid jo. artikel 10:92, eerste en tweede lid, BW, wordt de vraag of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man kan worden ontkend, bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vader en de moeder ten tijde van de geboorte van het kind, of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats ten tijde van de geboorte van het kind, of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.

Zowel de bijzondere curator als de vrouw zijn van mening dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek. De bijzondere curator gaat ervan uit dat de man is overleden en dat er geen gemeenschappelijke nationaliteit is. De vrouw heeft gesteld dat zij geen moslima is, zodat het Eritrees recht niet op haar van toepassing is.

Ten aanzien van de nationaliteit van de man overweegt de rechtbank dat niet vaststaat welke nationaliteit hij heeft. Ook is niet aangetoond dat de man daadwerkelijk is overleden. De rechtbank gaat er voor de beoordeling van het verzoek dan ook vanuit dat de man een onbekende nationaliteit heeft.

Ten aanzien van de nationaliteit van de vrouw overweegt de rechtbank dat die blijkens het uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens als onbekend is geregistreerd. De rechtbank is ermee bekend dat de nationaliteit van personen als onbekend wordt geregistreerd indien een brondocument waaruit de nationaliteit blijkt, ontbreekt. Uit de stukken blijkt voorts dat de vrouw als verblijfstitel heeft ‘asiel voor bepaalde tijd’.

Uit artikel 10:17, eerste lid, BW, volgt dat de persoonlijke staat van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning asiel (on)bepaalde tijd is verleend, wordt beheerst door het recht van zijn woonplaats, of, indien hij geen woonplaats heeft, door het recht van zijn verblijfplaats. Gelet op het voorgaande past de rechtbank Nederlands recht toe op het verzoek.

Artikel 1:200 BW ziet op de ontkenning van het vaderschap. Hierin is -onder meer- bepaald dat het vaderschap, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, kan worden ontkend door de moeder van het kind.

De vrouw is, gelet op het bepaalde in artikel 1:200, vijfde lid, BW, ontvankelijk in haar verzoek.

De gronden waarop de vrouw haar verzoek doet steunen, worden door de man, die immers niet is verschenen, niet weersproken en evenmin door de bijzonder curator en staan dus in rechte vast.

Het verzoek dient derhalve te worden toegewezen, aangezien van feiten die het mogelijk maken dat de man toch de vader van de minderjarige is, niet is gebleken en evenmin is gebleken dat de man toestemming heeft gegeven tot een daad die de verwekking van de minderjarige tot gevolg kan hebben gehad.

Gelet op het bepaalde in artikel 1:202 BW zal de minderjarige door de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap met terugwerkende kracht tot haar geboorte alleen in familierechtelijke betrekking staan tot de moeder. De minderjarige zal van rechtswege dan ook de geslachtsnaam van haar moeder dragen.

7 Beslissing

De rechtbank:

7.1

Verklaart gegrond de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van de heer [de man] met betrekking tot het kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

7.2

Draagt de griffier - op grond van artikel 1:20 e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Hoorn.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.