Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6367

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_412
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhaving tegen overnachting in campers terecht deels afgewezen. Geen grond voor het oordeel dat op het betreffende perceel werd overnacht. Terecht geen preventieve last onder dwangsom opgelegd. Er is geen sprake van klaarblijkelijk gevaar van een overtreding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-07-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/412

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2014 in de zaak tussen

de besloten vennootschap Roompot Recreatie Beheer B.V., te Noord-Beveland,

de besloten vennootschap Kustpark Egmond aan Zee B.V., te Egmond aan Zee,

eisers

(gemachtigde: mr. M. Tange-Visser),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder,

(gemachtigde: R. Visser).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te Egmond aan Zee

(gemachtigde: mr. J.Th. van Oostrum).

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2012 (het primaire besluit) is derde-partij, onder oplegging van een dwangsom, gelast alle op het perceel, kadastraal bekend als [A], in Egmond aan Zee, aanwezige campers, toercaravans en/of overige kampeermiddelen te verwijderen en verwijderd te houden en het terrein niet te gebruiken als gereguleerde overnachtingsplaats.

Bij besluit van 28 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gericht tegen het besluit van 14 maart 2012 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2013. Voor die zitting was derde-partij ten onrechte niet uitgenodigd. Daarom heeft op 15 april 2014 nogmaals een behandeling van het beroep plaatsgevonden. Namens eisers is verschenen [naam], bijgestaan door mr. J.W. van Koeveringe, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1.

Eisers hebben verweerder bij brief van 12 januari 2012 (voor zover hier van belang) verzocht handhavend op te treden tegen het bieden van gelegenheid tot het overnachten in campers op het perceel [adres] in Egmond aan Zee.

2.

Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat nu de toezichthouders niet hebben kunnen constateren dat op het andere gedeelte van het perceel [adres], kadastraal bekend als [B], gelegenheid is geboden voor overnachtingsplaatsen voor campers, ter zake van dat gedeelte geen handhavingsbesluit is genomen. Voor het opleggen van een preventieve last bestaat geen aanleiding omdat geen sprake is van een klaarblijkelijk gevaar dat er overtredingen zullen gaan plaatsvinden, aldus verweerder.

3.1

Eisers kunnen zich niet verenigen met de opgelegde last, voor zover deze niet tevens ziet op het gedeelte van het perceel [adres] met nummer [B]. Zij stellen in dat verband dat het gebruik van het gehele perceel als gereguleerde overnachtingsplaats door verweerder is erkend en dat zij foto’s hebben overgelegd die hun standpunt onderbouwen.

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank omvat de aan derde-partij opgelegde last terecht niet tevens het gedeelte van het perceel met nummer [B]. Verweerder heeft in dat verband terecht gewezen op de controles die vanaf 26 mei 2012 minimaal eenmaal per week in de nachtelijke uren hebben plaatsgevonden en waarbij de toezichthouders hebben geconstateerd dat dit gedeelte van het perceel niet werd gebruikt als overnachtingsplaats. De door eisers overgelegde foto’s bieden geen grond voor een ander oordeel. Voor zover uit de foto’s kan worden afgeleid dat er op het hier bedoelde gedeelte van het perceel [adres] door campers werd geparkeerd bieden deze geen grond voor het oordeel dat daar werd overnacht. Verder bieden het procesdossier in het algemeen noch het besluit van 14 maart 2012 in het bijzonder aanknopingspunt voor de stelling van eisers dat verweerder heeft erkend dat het gehele perceel [adres] als overnachtingsplaats werd gebruikt.

4.

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraken van 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1758 en 30 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1833) is de rechtbank voorts van oordeel dat voor het opleggen van een preventieve last door verweerder in dit geval geen grond bestond nu, anders dan eisers stellen, geen sprake is van een klaarblijkelijk dreigend gevaar van een overtreding. De door de toezichthouders opgestelde controlerapporten, noch de door eisers overgelegde foto’s duiden op een dergelijk gevaar. Derde-partij heeft voorts onbetwist gesteld dat er reeds sinds november 2011 op het gehele perceel [adres] geen voorzieningen meer aanwezig zijn ten behoeve van het overnachten. Voorts heeft hij gesteld dat hij op één uitzondering na (begin 2012) ook nooit overnachtingsmogelijkheid heeft geboden. Eisers kunnen verder niet worden gevolgd in hun stelling dat uit de brief van het college van gedeputeerde staten van de Provincie Noord-Holland aan derde-partij van 23 april 2012 volgt dat derde-partij heeft erkend dat hij het perceel met nummer [B] heeft geëxploiteerd als een camper-overnachtingsplaats. Uit de brief volgt slechts dat hij de exploitatie van de speeltuin en het horecabedrijf heeft gestaakt en dat op het terrein een overnachtingsplaats voor campers is gesitueerd. Op welk gedeelte van het perceel de overnachtingsplaats is gerealiseerd valt daaruit niet af te leiden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aan derde-partij terecht geen preventieve last opgelegd. De enkele, door eisers niet nader geconcretiseerde vrees dat in de toekomst mogelijk sprake zal zijn van een overtreding, biedt geen grond voor een ander oordeel.

5.

Het beroep is ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Liefting-Voogd, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

10 juli 2014.

griffier rechter

De griffier is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.