Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6232

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
15/740046-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Echo.

Verdachte heeft zich, samen met haar partner, schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep, welke door haar partner in een kwekerij gedurende een periode van ongeveer vier jaar achter de woning van verdachte en haar partner werd geteeld.

Verdachte heeft zich voorts gedurende een periode van ongeveer vijf jaar, samen met haar partner, schuldig gemaakt aan het plegen van gewoontewitwassen door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740046-12 (P)

Uitspraakdatum: 1 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. van Brakel en van wat verdachte en haar raadsman, mr. J.W. Spanjer, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlaste gelegd dat:

Feit 1:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel en/of elders in Nederland, meermalen, athans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad in haar, verdachtes, woning aan de [adres] te Sint Maarten een hoeveelheid hennepplant(en), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, (telkens) zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Feit 2:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 25 februari 2011 te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel en/of Heemstede en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s), een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) en/of een of meer fiets(en) en/of een paardentrailer en/of een trekker en/of een of meer televisie(s)

en/of andere vermogensbestanddelen verworven, voorhanden gehad, overgedragen

en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en) en/of die fiets(en)

en/of die paardentrailer en/of die trekker en/of die televisie(s) en/of andere

vermogensbestanddelen gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf (te weten de hennepteelt en/of hennephandel).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 24 januari 2012 werd er achter de woning [adres] te Sint Maarten in een aangebouwde schuur de restanten van een kwekerijruimte aangetroffen.2 Deze kwekerij is begin 2010 door verdachte en haar vader ontmanteld.3 De kwekerij is in 2006 door haar partner, [medeverdachte 1], gestart waarna er ongeveer 16 maal is geoogst. Brazilianen namen het knippen in de kwekerij voor hun rekening.4 De partner van verdachte verdiende rond € 7.000,- per oogst, na aftrek van alle kosten.5

Verdachte wist volgens [medeverdachte 1] dat deze kwekerij achter haar woning stond.6 In de ruimte naast de kwekerij waren de filters van drie afzuigslangen van de kwekerij te zien. Voorts was deze ruimte in gebruik als bergplaats voor paardenspullen en deed dienst als binnenverblijf voor honden.7 Verdachte heeft verklaard dat zij in voornoemde ruimte weleens paardenspullen plaatste.8

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft wel eens met haar over die kwekerij gesproken.9

Uit bankafschriften van verdachte is gebleken dat er vanaf 30 oktober 2007 tot en met 28 september 2010 in totaal voor € 77.125,66 aan contante stortingen is gedaan op de rekening van verdachte.10 Verdachte en haar partner [medeverdachte 1] hebben niet verkeerd geleefd van de opbrengsten van de kwekerij in Sint Maarten, alsmede van de grootschalige hennepstekkenkwekerij die [medeverdachte 1] met anderen runde in Beverwijk. 11

3.3. Bewijsoverweging

De raadsman heeft bepleit dat het binnentreden van de [adres 1] te Beverwijk, waar de hennepstekkenkwekerij is aangetroffen, onrechtmatig is geweest en dat de daaruit voortgekomen bevindingen – met inbegrip van de resultaten van de daaruit voortvloeiende doorzoeking van de woning in Sint Maarten - van het bewijs moeten worden uitgesloten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er geen redelijk vermoeden van schuld inzake overtreding van de Opiumwet bestond en dat de politie zich bij de opsporing schuldig zou hebben gemaakt misbruik van bevoegdheid. De controle van het voertuig van [medeverdachte 11] heeft op oneigenlijke gronden plaatsgevonden, waarbij misbruik is gemaakt van de controlebevoegdheid ex artikel 160 WVW 1994. Als het resultaat van die controle wordt uitgesloten, resteert nog slechts een tweetal anonieme meldingen en een warmtebronmeting, die nader onderzoek behoeft. Dit levert, nu de anonieme meldingen niet zijn geverifieerd, geen redelijk vermoeden van schuld op, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt als volgt. De opsporingsambtenaren waren op grond van artikel 160 WVW 1994 bevoegd een stopteken te geven en [medeverdachte 11] naar haar identiteitsgegevens te vragen, hetgeen zij ook gedaan hebben. In casu hebben de opsporingsambtenaren hun bevoegdheid dus in elk geval mede uitgeoefend ter controle van naleving van de verkeersvoorschriften. Het feit dat er ook informatie was over eventuele betrokkenheid van [medeverdachte 11] bij een strafbaar feit, doet daar niet aan af. De controlebevoegdheid is in elk geval niet uitsluitend aangewend voor opsporingsdoeleinden, zodat van misbruik van die bevoegdheid geen sprake kan zijn. Voor het doorzoeken van de auto heeft [medeverdachte 11] bovendien toestemming gegeven. Daarenboven geldt dat het resultaat van de warmtebronmeting, in combinatie met het tweetal anonieme meldingen en de observaties, een redelijk vermoeden van schuld inzake overtreding van de Opiumwet oplevert. Dat de warmtebron nader onderzoek behoefde teneinde vast te stellen of het een hennepkwekerij was, zoals in het betreffende proces-verbaal staat vermeld, houdt naar het oordeel van de rechtbank niet meer in dan dat binnengetreden moest worden om de aanwezigheid van de kwekerij buiten twijfel te stellen.

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat verdachte niets wist van de kwekerij in Sint Maarten. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van verdachte dat zij geen wetenschap had van de kwekerij niet geloofwaardig. De belastende verklaring van [medeverdachte 1], bezien in samenhang met de situatie ter plaatse en de tegenstrijdige verklaringen van verdachte, maken dat verdachte moet hebben geweten dat [medeverdachte 1] daar een kwekerij runde. .

Zo heeft verdachte ter zitting en bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op de hoogte is geraakt van de kwekerij toen zij dit begin januari 2010 in het ziekenhuis, waar [medeverdachte 1] verbleef, hoorde van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5]. Daarop zou zij met haar vader de kwekerij hebben ontmanteld. Tijdens haar verhoren bij de politie, twee jaar na de ontmanteling, heeft verdachte evenwel verklaard dat zij in het geheel niets wist van de kwekerij en dat als daar iets geweest was zij dat toch had moeten merken.

De verklaring van [medeverdachte 1] acht de rechtbank betrouwbaar, ook al is deze kort na een ingrijpende operatie afgelegd. Uit het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1], alsmede uit hetgeen verbalisant [verbalisant 1] en de dienstdoende politiearts hebben verklaard over de toestand van [medeverdachte 1], maakt de rechtbank op dat verdachte voldoende in staat is geweest om te worden verhoord en om in vrijheid te verklaren. Daarbij komt dat de verklaringen van [medeverdachte 1] in grote lijnen worden bevestigd door zijn medeverdachten

De rechtbank stelt verder vast dat de kwekerij op het terrein achter haar woning stond en daar gedurende ongeveer vier jaar heeft gedraaid. Verdachte kwam (naar zeggen) misschien niet vaak maar kennelijk weleens in de ruimte, waardoor zij iets moet hebben waargenomen en zeker de geur van een kwekerij moet hebben opgemerkt. Ook de aanwezigheid van de vier Brazilianen die volgens haar partner knipten in de kwekerij moet zij hebben opgemerkt.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte op de hoogte was van de kwekerij achter haar woning. Gelet op hun intieme relatie, en het feit dat zij op het zelfde adres woonden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wat betreft het aanwezig hebben van de hennep bewust en nauw met [medeverdachte 1] heeft samengewerkt. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennepplanten. Uit hetgeen [medeverdachte 1] heeft verklaard over de opbrengst van de kwekerij in Sint Maarten (in totaal €10.000,- per oogst) volgt dat het gaat om grote hoeveelheden hennep en niet om 30 gram of minder.

Niet bewezen acht de rechtbank dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] bij het telen van de hennep Verdachte moet in zoverre worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat verdachte niets wist van de kwekerijen en dat zij legale inkomsten had die haar uitgaven verklaren zodat geen sprake kan zijn van witwassen.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte evenwel niet geloofwaardig.

Zij stelt vast dat verdachte eerst ter zitting heeft verklaard dat zij – naast het inkomen uit haar bedrijf - maar liefst 20 uur per week paardrijles gaf en daarvoor cash werd betaald. Van die inkomsten heeft zij bij de politie, gevraagd naar haar inkomsten, geen gewag gemaakt terwijl zij deze op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Bovendien heeft zij over de eerder genoemde contante stortingen op haar privé rekening van ruim € 77.000,- eenduidig noch plausibel verklaard. Daar komt bij dat haar partner, [medeverdachte 1], heeft verklaard dat zij samen niet verkeerd geleefd hebben van de opbrengst van de beide kwekerijen waar hij bij betrokken was. Ook deze verklaring acht de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de verklaringen van [medeverdachte 1], betrouwbaar.

Ook het medeplegen van gewoontewitwassen acht de rechtbank daarom wettig en overtuigend bewezen.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009 te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad in haar, verdachtes, woning aan de [adres] te Sint Maarten een hoeveelheid hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Feit 2:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 25 februari 2011 te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte en haar mededader, voorwerpen, te weten geldbedragen, voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl zij, verdachte en haar mededader, wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf (te weten de hennepteelt en/of hennephandel).

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 2:

Medeplegen van gewoontewitwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot

een taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van tweehonderdveertig (240) uren bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis;

een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, samen met haar partner [medeverdachte 1], schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep, welke door [medeverdachte 1] in een kwekerij gedurende een periode van ongeveer vier jaar achter de woning van verdachte en [medeverdachte 1] werd geteeld. Een hennepkwekerij, zoals [medeverdachte 1] die had opgezet en exploiteerde, is aan te merken als een illegale economische activiteit waarmee aanzienlijke winsten kunnen worden behaald en ook, gelet op de verklaring van [medeverdachte 1], werden behaald. Daarnaast is hennep bij veelvuldig gebruik schadelijk voor de volksgezondheid. Bovendien is het illegaal telen of aanwezig hebben van hennep vaak (in)direct de oorzaak van vele vormen van criminaliteit.

Verdachte heeft zich voorts gedurende een periode van ongeveer vijf jaar, samen met haar partner [medeverdachte 1], schuldig gemaakt aan het plegen van gewoontewitwassen door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen. Verdachte en haar partner konden aldus met crimineel geld een luxe leven leiden. Verdachte wist dat het geld afkomstig was van de hennephandel, welke (mede) door haar partner, [medeverdachte 1], was opgezet. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het is bovendien een essentieel onderdeel van de georganiseerde criminaliteit rond illegale handelsactiviteiten, zoals de handel in verdovende middelen; zonder het witwassen van de opbrengsten zou deze handel niet kunnen bestaan. De rechtbank acht dit dan ook een ernstig feit. Voornoemd handelen van verdachte bevordert het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbare legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank voorts rekening met het feit dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft en zij na de onderhavige feiten geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Tenslotte heeft de rechtbank meegewogen dat zij een bedrijf runt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 22c, 22d, 47, 57, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 3, 11 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDVIJFTIG (150) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.L. Grosheide, voorzitter,

mr. A.E. van Montfrans-Wolters en mr. D. Gruijters, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2012 (ordner 3, dossierpagina 578, 579).

3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 juni 2014.

4 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 25 januari 2012 (ordner 12, persoonsdossier, dossierpagina 32).

5 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 25 januari 2012 (ordner 12, persoonsdossier, dossierpagina 32 en 37).

6 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 25 januari 2012 (ordner 12, persoonsdossier, dossierpagina 34).

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2012 (ordner 3, dossierpagina 578).

8 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 25 januari 2012 (ordner 13, persoonsdossier, dossierpagina 22).

9 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 8 februari 2012 (ordner 12, persoonsdossier, dossierpagina 41).

10 Het proces-verbaal bevindingen d.d. 4 juli 2012 (ordner 1, bijlage 17).

11 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 26 januari 2012 (ordner 12, persoonsdossier, dossierpagina 68).