Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6202

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
1575000414
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugd, strafoplegging wegens plegen overval, geen tenuitvoerlegging eerder opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel wegens onzekerheid over de plaats van tenuitvoerlegging daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige jeugdstrafkamer

Parketnummer: 15/750004-14 (P) + 12/715367-10 (tul) + 14/811022-12 (tul)

Uitspraakdatum: 1 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting van 17 juni 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op[geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

[officier van justitie] en van wat verdachte en zijn raadsman,[raadsman], advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 oktober 2013 te Heiloo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een scooter/snorfiets (merk Peugeot, type Kisbee, kleur zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- een telefoon (merk Experia) en/of oordopjes en/of een zaklamp en/of shag en/of een aansteker, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan[slachtoffer] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde[slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- die[slachtoffer](die voormelde scooter bestuurde) van die scooter heeft/hebben afgeslagen en/of afgetrokken en/of

- die [slachtoffer] een of meermalen (met gebalde vuist(en)) op/tegen het hoofd en/of (andere delen van) het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of

- die [slachtoffer] een of meermalen tegen het hoofd en/of (andere delen van) het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) bij/om de nek heeft/hebben gepakt en/of vastgehouden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen, omdat verdachte heeft verklaard het ten laste gelegde alleen te hebben gepleegd. In zoverre medeverdachte[medeverdachte 1] al iets heeft gedaan, was er geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarnaast acht de raadsman het ten laste gelegde trappen en schoppen niet bewezen, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

3.3

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 22 oktober 2013 heeft[slachtoffer] aangifte gedaan van een gewelddadige beroving op 20 oktober 2013 in het Heilooërbos in Heiloo. Hierbij zijn hem een scooter van het merk Peugeot, type Kisbee, kleur zwart, en andere goederen afgenomen. Borst heeft verklaard dat hij kort na middernacht op een scooter reed (die hij geleend had van[betrokkene]) in de richting van Heiloo, komende uit de richting van Alkmaar. Hij zag drie personen lopen, gaande in dezelfde richting als hij reed. Hij wilde tussen de personen door rijden. Eén persoon liep links van hem en twee personen liepen rechts van hem. De persoon links van hem haalde naar hem uit, welke slag hij ontweek door te bukken. Vervolgens voelde hij dat hij van rechts een klap kreeg op zijn rechterjukbeen. Door de klap is hij de macht over het stuur verloren en ten val gekomen. Toen hij op de grond lag is hij meerdere malen tegen zijn hoofd en bovenlichaam geschopt. Er werd meer geweld tegen hem gebruikt en de jongen die hij links wilde passeren pakte hem van achteren met een arm om zijn nek vast. Eén van de personen voelde in de zakken van aangever en beroofde hem van zijn spullen. Vervolgens hoorde hij één van de personen die hij rechts wilde passeren zeggen: “Pak die sjoebi”. Een jongen pakte de scooter en reed daarop weg. De twee personen die zich rechts van hem bevonden zijn weggelopen.2

Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard zich te hebben schuldig gemaakt aan deze beroving. Hij heeft [slachtoffer] van zijn scooter geslagen, waarna deze met de scooter ten val is gekomen. Terwijl [slachtoffer] op de grond lag heeft verdachte hem nogmaals een paar klappen gegeven. Vervolgens heeft verdachte hem zijn telefoon met oordopjes, shag met aansteker en een zaklamp afgenomen. Daarna heeft hij de scooter gepakt en is weggereden. Verdachte heeft de scooter later in het water gedumpt. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij die nacht in het gezelschap van[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] was.


[medeverdachte 1] heeft op 5 juni 2014 verklaard dat hij op 20 oktober 2013 bij verdachte thuis was toen het idee bij zijn vrienden ontstond om geld te maken. Met zijn drieën zijn zij lopend vanuit het huis van verdachte vertrokken. Op een gegeven moment kwam er een scooter achter hen aangereden, waarop één van hen de bestuurder van de scooter heeft afgeslagen. De bestuurder kwam ten val en vervolgens is er door de anderen op de man ingetrapt en geslagen.[medeverdachte 1] heeft nog geprobeerd de man met een busje pepperspray in het gezicht te spuiten, maar het busje was leeg. Van de man zijn onder meer een telefoon en een scooter afgenomen.3

3.4

Bewijsoverweging medeplegen

Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht wel op pad was met twee jongens, maar dat het plan om iemand te beroven en de uitvoering daarvan alleen aan hem zijn toe te schrijven. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt echter dat[verdachte], [medeverdachte 1] en de andere jongen gezamenlijk de woning van verdachte hebben verlaten, terwijl ook[medeverdachte 1] wist dat zijn vrienden geld wilden maken. Onderweg hebben de jongens besproken wat ze zouden gaan doen en vervolgens heeft verdachte[slachtoffer] van de scooter geslagen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij heeft getracht het slachtoffer met een busje pepperspray in het gezicht te spuiten. Dat het busje leeg was doet aan het opzet van [medeverdachte 1] een bijdrage te leveren aan de beroving niet af.

Voorts heeft[slachtoffer] één van de daders horen zeggen: “Pak die sjoebi” terwijl verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij dat niet gezegd heeft en dat hij ook niet weet wat dat betekent. Daaruit volgt dat één van de andere jongens dit gezegd moet hebben.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met de twee andere jongens schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

3.5

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 20 oktober 2013 te Heiloo tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een scooter/snorfiets (merk Peugeot, type Kisbee, kleur zwart), toebehorende aan [betrokkene],

- een telefoon en oordopjes en een zaklamp en shag en een aansteker, toebehorende aan[slachtoffer],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde[slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders

- die[slachtoffer] (die voormelde scooter bestuurde) van die scooter hebben afgeslagen en

- die [slachtoffer] tegen het hoofd hebben geslagen en

- die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en het bovenlichaam hebben geschopt en getrapt en

- die [slachtoffer] met kracht om de nek hebben gepakt en vastgehouden.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 103 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en een deel jeugddetentie in voorwaardelijke vorm.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een brute overval, waarbij het slachtoffer op gewelddadige wijze is beroofd. Het slachtoffer is van zijn scooter afgeslagen en vervolgens op de grond ook nog geslagen en geschopt. De scooter waar hij op reed en andere persoonlijke eigendommen zijn hem afgenomen. Verdachte en zijn mededaders hebben gehandeld puur uit het oogpunt van geldelijk gewin en in het geheel niet stilgestaan bij de gevolgen voor het slachtoffer. Dit is voor het slachtoffer een traumatische ervaring geweest, hetgeen blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring, die ter zitting is voorgelezen. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen bijgedragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

6.4

Hoofdstraf

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 21 januari 2014, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van geweldsdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch Pro Justitia rapport gedateerd 10 juli 2012 van [psycholoog], GZ-psycholoog.

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrisch onderzoek Pro Justitia gedateerd 27 augustus 2012 van [psychiater], kinder- en jeugdpsychiater.

- het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport gedateerd 17 maart 2014 van [behandelend psychiater], als psychiater verbonden aan de Catamaran, Kliniek voor Forensische Jeugdpsychiatrie en Orthopsychiatrie.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 22 januari 2014 alsmede de vervolgrapporten gedateerd 13 februari 2014 en 8 april 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming.

- een brief, op 17 juni 2014 ontvangen, van [behandelend psychiater] voornoemd, met de laatste stand van zaken aangaande de behandeling van verdachte in de Catamaran alsmede een advies over de voortzetting van de behandeling.

De rapportages uit 2012 zijn gedateerd maar met toestemming van de verdediging gebruikt.

Uit de rapportages blijkt dat verdachte een jongen is met een belast verleden, waarbij sprake is geweest van verwaarlozing en mishandeling in zijn vroege jeugd. Verdachte is al op zeer jeugdige leeftijd met justitie in aanraking gekomen en is meerdere keren in gesloten jeugdinstellingen geplaatst. Desondanks is verdachte steeds weer gerecidiveerd. In het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel is verdachte op 26 februari 2013 opgenomen in de Catamaran, waar hij, na schorsing uit de voorlopige hechtenis, nog steeds verblijft. Ondanks een wisselend verloop van de ingezette behandeling concludeert de behandelend psychiater, [behandelend psychiater], dat het naar omstandigheden thans goed gaat met verdachte. Verdachte lijkt zich voor het eerst in zijn lange hulpverleningsgeschiedenis enigszins open te stellen. Gezien de complexe problematiek van verdachte zal het behandeltraject nog geruime tijd in beslag nemen. Het wordt zeer onwenselijk geacht het huidige behandeltraject te onderbreken, hetgeen ook toekomstig delictrisico zou kunnen vergroten.

Verdachte heeft zich op de terechtzitting positief uitgelaten over zijn verblijf in de Catamaran. Hij ziet een betere toekomst voor zich waar een werkstage en scholing deel van uit maken.

De rechtbank acht het van groot belang, ook in het belang van de maatschappij en ter voorkoming van recidive, dat het thans ingezette behandeltraject in de Catamaran wordt voortgezet. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij[slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 761,60 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergoeding voor de Nintendo DS niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat deze niet in de tenlastelegging is opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Met betrekking tot het gevoerde verweer van de raadsman merkt de rechtbank op dat de benadeelde partij reeds bij zijn aangifte de Nintendo DS als één van de weggenomen goederen heeft vermeld. Dat de officier van justitie dit goed niet heeft opgenomen in de tenlastelegging, betekent niet dat de benadeelde partij hiervoor geen aanspraak heeft op vergoeding. Uit de stukken van het dossier blijkt dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde strafbare feit.

De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vorderingen tot tenuitvoerlegging

8.1

Bij vonnis van 27 december 2010 in de zaak met parketnummer 12/715367-10 heeft de rechtbank te Middelburg verdachte ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 16 januari 2011 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 11 januari 2011, bij vonnis van 2 februari 2012 door de kinderrechter te Alkmaar met één jaar verlengd en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog geen drie maanden geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog gedeeltelijk, te weten drie maanden, ten uitvoer zal worden gelegd, maar zal bepalen dat de opgelegde jeugddetentie zal worden omgezet in een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen jeugddetentie.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor een gedeelte, groot drie maanden, dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Mede gelet op het advies d.d. 2 juni 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming zal de rechtbank daarbij echter bepalen dat de opgelegde jeugddetentie zal worden omgezet in een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van na te noemen aantal uren.

8.2

Bij vonnis van 28 december 2012 in de zaak met parketnummer 14/811022-12 heeft de rechtbank te Noord-Holland, locatie Alkmaar, verdachte ter zake van onder meer mishandeling en bedreiging veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Ten aanzien van die voorwaardelijke maatregel is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 18 januari 2013 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 12 januari 2013 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke maatregel alsnog ten uitvoer zal worden gelegd en vordert in dat kader tevens de gevangenneming van verdachte. Daarbij heeft de officier van justitie erop gewezen dat in het extract vonnis van 28 december 2012 is opgenomen dat de PIJ-maatregel voor de duur van 2 jaren (voorwaardelijk) wordt opgelegd. Echter, sinds de wetswijziging van artikel 77s Sr die op 1 juli 2011 in werking is getreden wordt dwingend een termijn van drie jaren bepaald.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de hiervoor onder 6.4 genoemde rapportages en adviezen. Hoewel de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel in de rede ligt acht de rechtbank dit desondanks niet gewenst. Verdachte wordt thans onder de voorwaarden zoals verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde maatregel behandeld bij de Catamaran. De behandelend psychiater [behandelend psychiater] heeft gerapporteerd dat[verdachte] zich voor het eerst in zijn lange hulpverleningsgeschiedenis enigszins aan zijn behandelteam gehecht lijkt te hebben. Zij acht het zeer belangrijk om het behandeltraject binnen de huidige behandelcontext af te kunnen maken. Indien [verdachte] een onvoorwaardelijke maatregel opgelegd zal krijgen bestaat het risico dat hij elders geplaatst zal worden. [verdachte] heeft op de terechtzitting verklaard gemotiveerd te zijn aan zijn behandeling te werken. Uit de brief van [behandelend psychiater], door de officier van justitie op de terechtzitting overgelegd, blijkt dat [verdachte] nog steeds vorderingen in zijn behandeling maakt.[behandelend psychiater] bevestigt in de brief nogmaals van mening te zijn dat geslotenheid, sancties en gebrek aan perspectief een negatieve invloed op zijn functioneren hebben.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het thans ingezette behandeltraject in het kader van de voorwaardelijk opgelegde maatregel dient te worden voortgezet en zal bepalen dat de proeftijd overeenkomstig artikel 77cc dient te worden verlengd met één jaar. De rechtbank zal bepalen dat de daarbij gestelde voorwaarden ongewijzigd blijven.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de gevorderde gevangenneming.

Terecht heeft de officier van justitie erop gewezen dat sinds de wetswijziging van artikel 77s Sr die op 1 juli 2011 in werking is getreden de wet bepaalt dat de maatregel geldt voor de termijn van drie jaren.

Na raadpleging van het vonnis van 28 december 2012 is het volgende gebleken. In het na de uitspraak vervaardigde extract vonnis is abusievelijk opgenomen dat aan de maatregel een termijn van twee jaren zou zijn verbonden. In het strafvonnis is echter een dergelijke termijn, behoudens ten aanzien van de proeftijd voor de duur van twee jaren, niet bepaald. Dat is ook overbodig. Zoals wettelijk bepaald in artikel 77s lid 6 Sr geldt de maatregel ingeval van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaren.

Zoals hierboven vermeld is in voormeld vonnis de duur van de proeftijd bepaald op het ingevolge artikel 77x jo 77y Sr geldende maximum van twee jaren.

Het voorgaande houdt in dat de aan de PIJ-maatregel verbonden proeftijd door de onderhavige beslissing 3 jaar bedraagt, ingaande op 12 januari 2013.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 107 (eenhonderdzeven) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 761,60 (zevenhonderd eenenzestig euro en zestig cent), bestaande uit € 346,60 voor de materiële en € 415,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 761,60, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst gedeeltelijk, te weten voor de duur van drie maanden, toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 12/715367-10, met dien verstande dat in plaats van gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Middelburg d.d. 27 december 2010, wordt opgelegd een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen jeugddetentie.

Verlengt de bij vonnis van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Alkmaar, in de zaak met parketnummer 14/811022-12 opgelegde proeftijd, verbonden aan de niet ten uitvoer gelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met één jaar, onder instandhouding van de voorwaarden.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. L.J. Saarloos en mr. E.M. ten Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier ,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte met nummer PL10FR-2013110619-2 van 22 oktober 2013 inhoudende de verklaring van [slachtoffer], doorgenummerde pagina 11-13.

3 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL1000-2013110619-51 van 5 juni 2014, los toegevoegd, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1], pagina 1-3.