Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6200

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
15/870398-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Promis. Jeugd. Woningoverval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/870398-14 (P)

Uitspraakdatum: 2 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 18 juni 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres verdachte],

thans gedetineerd in Jeugdinrichting De Rentray te Lelystad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.S. Heij en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 22 februari 2014 te Venhuizen, gemeente Drechterland, op een of meer verschillend(e) tijdstip(pen) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning aan de [adres] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (gouden) ring en/of een (gouden) armband en/of een rozenkrans, in elk geval een of meer sieraden en/of (andere) goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die goed(eren) en/of dat geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen mevrouw [slachtoffer] [90 jaar oud], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit

- ( met kracht) vastpakken en van de armen en/of de schouders, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of

- het zitten en/of liggen op het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het leggen van een doek over het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- het [met een hard voorwerp] [met kracht] slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het [met kracht] losrukken/lostrekken van die armband en/of die ring van de arm/vinger van die [slachtoffer];

Feit 2:

hij op of omstreeks 22 februari 2014 te Venhuizen, gemeente Drechterland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] [90 jaar oud] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het een of meermalen betasten van de vagina/schaamstreek van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het slaan in het gezicht/tegen het hoofd van die [slachtoffer] en/of uit het bovenop die [slachtoffer] [die in bed lag] gaan zitten al dan niet onder uiting van de woorden: "Vind je het lekker?".

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding

Op 22 februari 2014 is bij de meldkamer van de politie een melding binnengekomen van de schoonzuster van [slachtoffer], die vertelde dat er was ingebroken in de woning van mevrouw [slachtoffer]. In haar woning, aan de [adres] te Venhuizen, heeft mevrouw [slachtoffer] tegenover de ter plaatse gekomen verbalisant verklaard dat zij door twee personen was overvallen en dat de daders haar onzedelijk hadden betast. Tijdens sporenonderzoek in de woning zijn dactyloscopische sporen van verdachte aangetroffen. Op 12 maart 2014 heeft verdachte tegenover de politie bekend dat hij, samen met medeverdachte [medeverdachte], in de woning van mevrouw [slachtoffer] is geweest.

Voor de rechtbank ligt de vraag voor of verdachte – kort gezegd – zich toen en daar, tezamen met een ander, heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend de inbraak te hebben gepleegd. Hij heeft echter ontkend de ten laste gelegde geweldshandelingen en ontuchtige handelingen te hebben begaan.

4 Bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder feit 2 ten laste gelegde ontuchtige handelingen en tot bewezenverklaring van de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal met geweld.

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie het volgende opgemerkt. Verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar samen met medeverdachte [medeverdachte] de woning heeft doorzocht en dat er goederen zijn weggenomen, maar dat hij de vrouw niet heeft aangeraakt en dat hij geen geweld heeft gebruikt. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de vrouw op het bed heeft vastgehouden en twee keer heeft geslagen, want “ze bewoog zo”. Beide verdachten hebben verklaard dat zij een tweede keer zijn terug gegaan naar de woning omdat de telefoon van [medeverdachte] was achtergebleven. Daar waar verdachte heeft verklaard dat de eerste keer al de gouden armband was weggenomen en dat [medeverdachte] de tweede keer uitsluitend de telefoon heeft gepakt en ze vervolgens direct weg zijn gegaan, heeft [medeverdachte] heel anders verklaard. [medeverdachte] heeft hierover gezegd dat verdachte de tweede keer nog een keer wilde zoeken in de woning en dat [medeverdachte] dit heeft gedaan terwijl verdachte de vrouw vasthield. Bovendien heeft [medeverdachte] verklaard dat hij de tweede keer de armband van de arm van de vrouw haalde en dat verdachte de vrouw toen de hardste klap heeft gegeven. De officier van justitie acht de verklaring van [medeverdachte] hieromtrent niet geloofwaardig. Volgens haar is het duidelijk dat [medeverdachte] getracht heeft de getuigen [naam 1] en [naam 2] te beïnvloeden. Bovendien heeft mevrouw [slachtoffer] bij de rechter-commissaris aangegeven dat het geweld al snel nadat zij wakker was geworden, heeft plaatsgevonden. Over het slaan door verdachte hebben de getuigen [naam 1], [naam 3] en [naam 4] niet verklaard.

Het plan van beide verdachten lijkt in eerste instantie niet te zijn gericht op een overval op de woning. Er lijkt sprake te zijn van een gerichte en geplande woninginbraak op de oude mevrouw [slachtoffer]. [medeverdachte] heeft daartoe haar woning van te voren op internet opgezocht en daarbij ook bewust meegenomen dat zij lid is van de vermogende familie [slachtoffer]. Daarnaast heeft [medeverdachte] die bewuste avond mededaders gezocht. Uiteindelijk is verdachte meegegaan naar de woning. Verdachte heeft verklaard dat hij door [medeverdachte] onder druk is gezet om mee te doen. Hiervan blijkt helemaal niets uit het dossier. [medeverdachte] heeft ook aan anderen gevraagd mee te doen. Deze hebben zijn verzoek genegeerd. Het is verdachte zelf geweest die daarop in is gegaan.

Het plan om een woninginbraak te plegen keert, op het moment van aantreffen van mevrouw [slachtoffer] in haar bed, in een gewelddadige beroving. Zij wordt vastgepakt en op het bed gehouden, geslagen, gestompt en haar sieraden worden met geweld afgerukt.

De rolverdeling wordt op dat moment ter plekke bepaald. [medeverdachte] pakt de vrouw vast en hij geeft de orders aan verdachte. Verdachte volgt deze op, ook terwijl hij ziet dat [medeverdachte] op het bed en op de vrouw zit, haar vasthoudt en een doek over haar hoofd doet. Hij krijgt de opdracht de armband van de vrouw af te rukken, hij doet dat echter niet zelf maar hij ziet wel toe terwijl [medeverdachte] dat doet. Terwijl [medeverdachte] de vrouw vasthoudt, doorzoekt verdachte de slaapkamer en neemt een rozenkrans mee. Met de gehele buit vertrekken ze samen naar de woning van [naam 3]. Nadat [medeverdachte] in de woning van [naam 3] constateert dat [medeverdachte] zijn mobiel mist, keren ze samen nog een keer terug naar de woning, om de in de woning verloren telefoon van [medeverdachte] op te halen. De volgende dag verkopen zij samen de gouden armband en verdelen zij de opbrengst.

Dat [medeverdachte] verantwoordelijk kan worden gehouden voor de diefstal en het gepleegde geweld mag duidelijk zijn. Voor verdachte geldt dat hij een aandeel heeft gehad in de uitvoeringshandelingen die nacht. Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, ook op het geweldsaspect. Verdachte heeft zich die nacht en ook later op geen enkel moment van de gebeurtenissen gedistantieerd. Dat maakt dat hij als medepleger net zo goed verantwoordelijk kan worden gehouden voor het ten laste gelegde, aldus de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 2 merkt de officier van justitie op dat zij mevrouw [slachtoffer] gelooft wanneer zij aangeeft dat zij is aangerand. Mevrouw [slachtoffer] geeft echter geen duidelijk signalement van degene die deze aanranding gepleegd heeft, de verdachten ontkennen haar onzedelijk te hebben betast en het NFI-onderzoek aan de slip heeft geen bruikbaar bewijs opgeleverd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van voldoende wettig bewijs en zij verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken voor dit feit.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte met betrekking tot feit 1 enkel te veroordelen ten aanzien van de diefstal in de nachtelijke uren, zoals impliciet subsidiair is ten laste gelegd. De raadsman heeft voorts verzocht verdachte vrij te spreken van feit 2, de ontuchtige handelingen, nu dat feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht. Verdachte heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij de diefstal in de nacht van 21 op 22 februari 2014. Volgens de raadsman kan het plegen of medeplegen van de geweldshandelingen uit de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Verdachte is samen met [medeverdachte] de woning binnengegaan en zij hebben in de woning enkele kasten doorzocht. [medeverdachte] en verdachte zijn vervolgens naar boven gegaan, waar mevrouw [slachtoffer] ligt te slapen. Verdachte heeft verklaard, en [medeverdachte] heeft bevestigd, dat [medeverdachte] mevrouw [slachtoffer] heeft vastgehouden op bed. Verdachte heeft intussen de woning doorzocht. [medeverdachte] heeft mevrouw [slachtoffer] een doek over het hoofd getrokken en zou geweld toepast hebben. Ook heeft hij met kracht de ring en armband van mevrouw [slachtoffer] afgenomen. Bij het vertrek uit de woning zou [medeverdachte] mevrouw [slachtoffer] het hardst geslagen hebben. [medeverdachte] heeft echter anders verklaard. Hij erkent dat hij geweld heeft gebruikt, maar stelt dat ook verdachte mevrouw [slachtoffer] geslagen heeft. Hij stelt zelfs dat verdachte ook op mevrouw [slachtoffer] heeft gezeten toen ze voor de tweede maal terug naar de woning zijn gegaan. Zijn reden om dat te verklaren is duidelijk: het letsel zou door verdachte veroorzaakt zijn en hij vindt dat ze daarom 50% schuld hebben. Hij probeert aldus zijn eigen rol te verkleinen. Voor het door [medeverdachte] gestelde scenario bevindt zich in het politiedossier geen enkele ondersteuning en daarom dient de verklaring als onbetrouwbaar terzijde geschoven te worden. Uit het technisch bewijs komt voorts niets naar voren dat een duidelijke aanwijzing heeft over wie het geweld gepleegd heeft. Gelet op het bovenstaande stelt de raadsman zich op het standpunt dat de bestanddelen die toezien op het plegen van het geweld niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht. Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het feit niet bewezenverklaard kan worden, nu de aangifte niet ondersteund wordt door enige andere bewijsmiddelen. Er is geen technisch bewijs, noch zijn er verklaringen of andere bewijsmiddelen die de verklaring van mevrouw [slachtoffer] ondersteunen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om dit feit wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Subsidiair wijst de verdediging erop dat mevrouw [slachtoffer] heeft verklaard dat die handelingen door één van de verdachten verricht zouden zijn, en dat het de jongen betrof die bij haar op bed zat en tevens het geweld tegen haar gebruikt zou hebben. Bij de rechter-commissaris heeft zij herhaald dat één van de jongens gemener was en met zijn handen bij haar zat. Zoals hierboven uiteengezet is gebleken dat het niet verdachte is geweest die dat geweld heeft gebruikt, noch dat hij degene is die op het bed heeft gezeten bij mevrouw [slachtoffer].

Ook het medeplegen van de geweldshandelingen en de ontuchtige handelingen kunnen niet bewezenverklaard worden, aldus de raadsman. Niet bewezen kan worden dat verdachte enige uitvoeringshandelingen ten aanzien van het geweld of de onzedelijke handelingen heeft verricht. Van medeplegen is geen sprake. Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking, hetgeen opzet impliceert. Voor een bewezenverklaring van die opzet hoeft niet steeds vast te staan dat verdachte weet heeft van de precieze gedragingen van zijn mededader (HR 10 april 2007, NJ 2007, 224). Maar medeplegers kunnen alleen worden gestraft voor elkaars gedragingen voor zover deze binnen hun gezamenlijk voorwaardelijk opzet kunnen worden gebracht. Verdachte wist niet eens dat de bewoonster thuis zou zijn, laat staan dat er besproken is wat er zou gebeuren als er wel iemand in de woning bleek te zijn. Voorts blijkt op geen enkele wijze dat er over de ontuchtige handelingen überhaupt gesproken is, laat staan bij de voorbereiding van het feit. Het is een klassieke casus, maar als een van de medeplegers verder gaat dan hetgeen waarop de ander opzet had, bijvoorbeeld wanneer deze de geplande diefstal tegen de afspraken in gepaard laat gaan met geweld, is de ander alleen voor diefstal en niet voor het geweld aansprakelijk. Het niet distantiëren van verdachte levert volgens de raadsman onvoldoende op om die handelingen te bestempelen als medeplegen.

4.3.

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat het betasten van de vagina/schaamstreek van mevrouw [slachtoffer] niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard nu de verklaring van mevrouw [slachtoffer] in onvoldoende mate wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat er géén aanwijzingen zijn dat mevrouw [slachtoffer] bepaalde elementen uit haar aangifte heeft verzonnen en dat zij willens en wetens onwaarheden heeft gesproken. Echter, de rechtbank dient – met inachtneming van het strafrechtelijk bewijsstelsel – de vraag te beantwoorden of het misdrijf zoals ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden. Nu voor het feit enkel een aangifte als wettig bewijsmiddel voorhanden is zal de rechtbank verdachte bij gebrek aan wettig bewijs vrijspreken.

4.4.

Redengevende feiten en omstandigheden1

In de nacht van 21 op 22 februari 2014 ligt aangeefster [slachtoffer], 90 jaar oud, te slapen in haar woning aan de [adres] te Venhuizen.2 Rond 03:00 uur wordt zij wakker doordat iemand aan haar arm zit.3 Vervolgens wordt zij stevig vastgepakt4 en in haar gezicht geslagen5. Daarbij wordt haar gouden armband van haar arm gerukt en haar trouwring wordt van haar vinger getrokken.6 De volgende ochtend neemt de ter plaatse gekomen verbalisant waar dat zij bloeduitstortingen heeft over een groot deel van de linkerzijde van haar gezicht en hij ziet dat haar gezicht opgezwollen is. Ook ziet hij bloeduitstortingen op haar neus, bij haar mond en op haar rechterpols.7 Forensisch arts [naam 5] neemt op 22 februari 2014 om 15:15 uur een schaafwond, bloeduitstortingen en drie afgebroken kronen waar.8

Op 22 februari 2014, vanaf omstreeks 12:12 uur, vindt in de woning aan de [adres] te Venhuizen sporenonderzoek plaats. Tijdens dit sporenonderzoek worden onder andere negen dactyloscopische sporen aangetroffen en veiliggesteld vanaf de spil van de trap van de begane grond naar de eerste verdieping. Vier dactyloscopische sporen zijn met behulp van het geautomatiseerde vingerafdrukkensysteem HAVANK geanalyseerd. Drie sporen blijken geïndividualiseerd op een afdruk voor te komen op het vingerafdrukkenblad ten name van verdachte.9

Op 5 maart 2014 wordt verdachte aangehouden.10 Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de nacht van 21 op 22 februari 2014 samen met [medeverdachte], [naam 2] en [naam 1] in het huis van [naam 3] aan het drinken was. Op een gegeven moment vraagt [medeverdachte] aan verdachte of hij meegaat naar een huis waarvan hij weet dat de deur open staat. Verdachte zegt dat hij mee zal gaan. Aangekomen bij de woning blijkt de deur inderdaad niet afgesloten te zijn. Nadat zij de rest van de woning hebben doorzocht gaat [medeverdachte] een slaapkamer in en verdachte blijft op de gang wachten. Wanneer [medeverdachte] terugkomt vertelt hij dat er een vrouw ligt te slapen. [medeverdachte] pakt dan een doek uit de woning. [medeverdachte] zegt dat hij de vrouw zal vasthouden en de doek over haar hoofd zal leggen, terwijl verdachte de kamer moet doorzoeken. En zo gebeurt het volgens verdachte ook.11 In de slaapkamer ziet verdachte dat [medeverdachte] een doek over het hoofd van de vrouw legt. Vervolgens gaat [medeverdachte] op de vrouw zitten en houdt hij haar polsen vast en drukt haar tegen het bed.12 [medeverdachte] heeft de armband van de pols van de vrouw gehaald13 en verdachte heeft in een lade van de kledingkast kralenkettingen gevonden en meegenomen14. Op 6 maart 2014 wordt in de kamer van verdachte een ketting/rozenkrans in beslag genomen.15 Nadat verdachte zegt dat hij klaar is met zoeken ziet hij dat [medeverdachte] ineens uithaalt en de vrouw met zijn vuist een klap geeft.16 Aangekomen in de woning van [naam 3] ontdekt [medeverdachte] dat hij zijn telefoon kwijt is. Samen rennen zij terug naar de woning van de vrouw. Verdachte blijft op de gang wachten terwijl [medeverdachte] de slaapkamer weer binnen gaat. Korte tijd later komt [medeverdachte] met zijn telefoon naar buiten en zij verlaten opnieuw de woning.17 De volgende dag is verdachte, samen met [medeverdachte] en [naam 1], naar een juwelier in Hoorn gegaan om de gouden armband te verkopen. De opbrengst hebben ze verdeeld.18

[medeverdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte de tweede keer in de woning nogmaals wilde zoeken, dat verdachte daartoe de vrouw heeft vastgehouden en dat [medeverdachte] de kamer heeft doorzocht. Bovendien heeft [medeverdachte] verklaard dat hij pas de tweede keer in de woning de armband van de arm van de vrouw haalde en dat verdachte de vrouw toen de hardste klap heeft gegeven. Deze verklaring acht de rechtbank niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet geloofwaardig dat verdachte en zijn mededader, na rennend te zijn teruggekeerd naar de woning van mevrouw [slachtoffer], nogmaals uitgebreid hebben gezocht naar weg te nemen goederen, nadat de eerste keer niets is aangetroffen, met het risico dat het slachtoffer in de tussentijd de politie al had gebeld.

Op grond van voornoemde redengevende feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte en een ander, mevrouw [slachtoffer] in haar woning met geweld hebben overvallen.

4.5.

Bewijsoverweging

In het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is, ten aanzien van de geweldshandelingen, naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en diens medeverdachte. Verdachte en [medeverdachte] gaan samen naar de woning om te zoeken naar waardevolle spullen. Aldaar treffen zij een slapende 90-jarige vrouw aan. In plaats van onmiddellijk te vertrekken heeft op de gang voor de slaapkamer overleg plaatsgevonden tussen verdachte en zijn medeverdachte en hebben zij aldus gehandeld. Alvorens de slaapkamer in te gaan wist verdachte derhalve dat [medeverdachte] een doek over het hoofd van de vrouw zou leggen en haar vast zou houden. Verdachte heeft niets gedaan om dit tegen te houden of te voorkomen. Integendeel, deze handelingen vonden plaats door de medeverdachte zodat verdachte de diefstal kon plegen. Na het overleg is de aanvankelijke woninginbraak een woningoverval geworden. Weliswaar heeft verdachte niet direct de opzet gehad op het stompen van mevrouw [slachtoffer], hij heeft wel de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte] verder zou gaan dan de afgesproken geweldshandelingen.

4.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 22 februari 2014 te Venhuizen, gemeente Drechterland, tezamen en in vereniging met een ander, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning aan de [adres] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gouden ring en een gouden armband en een rozenkrans en andere goederen, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen mevrouw [slachtoffer] [90 jaar oud], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit

- met kracht vastpakken van de armen van die [slachtoffer] en

- het zitten op het lichaam van die [slachtoffer] en

- het leggen van een doek over het hoofd van die [slachtoffer] en

- het met kracht stompen in het gezicht van die [slachtoffer] en

- het met kracht lostrekken van die armband en die ring van de arm/vinger van die [slachtoffer].

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een jeugddetentie van 15 maanden wordt opgelegd, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt:

- meewerken aan behandeling, individueel en systeemgericht;

- contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte];

- indien nodig, meewerken aan behandeling bij een gespecialiseerde verslavingsinstelling.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte first offender is. De raadsman heeft verzocht de verzochte vrijspraak van het tweede feit, alsmede de beperkte rol van verdachte bij het eerste feit tot uitdrukking te laten komen in de op te leggen straf. De raadsman heeft de rechtbank verzocht tot een jeugddetentie te komen, waarbij het onvoorwaardelijke deel niet veel langer zal zijn dan de thans ondergane hechtenis, zodat verdachte geen verdere schoolvertraging hoeft op te lopen en snel met zijn behandeling kan beginnen. Een flink voorwaardelijk deel kan het kader vormen om de geïndiceerde behandelingen en het toezicht vorm te geven en te voorzien van een dwingend karakter.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 22 februari 2014, samen met een ander, mevrouw [slachtoffer] in haar woning met geweld overvallen. Door, na overleg op de gang, samen te besluiten de slaapkamer van mevrouw [slachtoffer] binnen te gaan, is de woninginbraak uitgemond in een overval. Mevrouw [slachtoffer], 90 jaar oud, is hierbij vastgepakt, er is op haar gezeten, een doek is over haar hoofd gelegd, zij is in het gezicht geslagen en haar armband en ring zijn met kracht van haar lichaam getrokken. Dit is een buitengewoon ernstig feit. Het slachtoffer heeft de gebeurtenis als zeer angstaanjagend en traumatiserend ervaren. De overval vond in de nacht plaats in haar woning, een plaats waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Het is bekend dat de negatieve psychische gevolgen van dergelijke gewelddadige feiten voor een slachtoffer nog lang kunnen aanhouden, hetgeen ook is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring van mevrouw [slachtoffer], die ter zitting is voorgelezen. Mede gezien de hoge leeftijd van het slachtoffer is de impact van het incident groot geweest. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor maatschappelijke onrust en versterken zij de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

7.4.

Hoofdstraf

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 maart 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de over verdachte uitgebrachte rapportages te weten:

  • -

    het Psychiatrische Pro Justitia Rapport, gedateerd 26 mei 2014, opgesteld door [naam 6], psychiater;

  • -

    het Psychologische Pro Justitia Rapport, gedateerd 23 mei 2014, opgesteld door [naam 7], gz-psycholoog; en

  • -

    een rapport, opgesteld door [naam 8], als raadsonderzoekster werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, gedateerd 16 juni 2014.

Het bovengenoemde Pro Justitia Rapport van psychiater [naam 6] houdt betreffende de persoon van verdachte en mogelijke interventies, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens in de vorm van een zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling waarbij er momenteel sprake is van identiteitsproblematiek, subassertiviteit, minderwaardigheidsgevoelens, beperkt zelfreflecterend vermogen en verhoogde krenkbaarheid. Daarbij is sprake van een ziekelijke stoornis als een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, overwegend van het onoplettende type waarbij voornamelijk sprake is van concentratieproblemen. Deze waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Zijn gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft zijn gedragskeuzen en gedragingen voorafgaand aan en ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed.

Betrokkene kon door zijn identiteitsproblematiek, subassertiviteit, minderwaardigheidsgevoelens (deels voortvloeiend uit de aandachtstekortstoornis) en verhoogde krenkbaarheid en afhankelijkheid van zijn antisociale vrienden moeilijker nee zeggen tegen het voorstel om een woning te beroven, vervolgens de oude vrouw te helpen beroven en nadien de buit te ontvangen en uit te geven. Hij wilde geaccepteerd worden, stoer zijn, zich bewijzen, hij wilde niet dat aan hem getwijfeld kon worden. Dit ondanks dat hij wist dat wat hij deed niet acceptabel was. Betrokkene is niet in staat geweest grenzen te stellen aan zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde. Mogelijk omdat hij zelf nooit heeft geleerd grenzen te stellen. Er zijn namelijk bij de ten laste gelegde zaken verschillende momenten geweest waarop grenzen werden overschreden die ook als zodanig door betrokkene werden ervaren (binnengaan slaapkamer, vasthouden slachtoffer, afrukken armband, slaan slachtoffer, terughalen telefoon, verkopen armband). Daags daarna bij het ontvangen en uitgeven van het geld maakte betrokkene andere en meer berekende overwegingen. Hij wilde de “schijn ophouden” zodat medeverdachte “niet ging twijfelen” aan hem. De door betrokkene genuttigde alcohol werkte drempelverlagend zodat betrokkene in mindere mate in staat was zijn impulsen te controleren. Hij was niet dusdanig onder invloed dat hij zich niet meer bewust was van wat hij deed. Gezien zijn intelligentie, normbesef en eigen ervaring met een woninginbraak, kon betrokkene zich meer bewust zijn van de ernst van zijn handelen.

Op basis van bovengenoemde overwegingen wordt geadviseerd, gezien betrokkenes gebrekkige ontwikkeling, het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen. Hij was zich bewust van de aard en omvang van het ten laste gelegde. Hij was bang en boos. Hij stelde zijn afhankelijke relatie met de medeverdachte boven het belang van het slachtoffer. Hij had minder tot weinig besef van de gevolgen. Hij was en is zich – terugkijkend – bewust van het verkeerde, het ontoelaatbare van zijn handelen. Hij kan achteraf geen uitgewerkt alternatief scenario bedenken. Er is berouw en schuldbesef, maar er is weinig wroeging. Er was twijfel voorafgaand aan het ten laste gelegde, hij handelde er niet naar. Er zijn verschillende momenten geweest dat hij tot andere overwegingen had kunnen komen. Vanuit zijn optiek kon hij niet meer terug nadat hij ja had gezegd om mee te gaan om het huis van het slachtoffer binnen te gaan.

Er is sprake van een laag zelfbeeld voortvloeiend uit de aandachtstekortstoornis. Daarbij is ook sprake van sociale en emotionele beperkingen. Betrokkene is niet in staat voor zichzelf op te komen en er is sprake van identiteitsproblemen. Hij heeft altijd moeite gehad met het aangaan en behouden van vriendschappen. Hij heeft de sterke behoefte ergens bij te horen en is angstig om alleen te staan. Hij is daarin (negatief) beïnvloedbaar. Betrokkene keek op tegen zijn medeverdachte en zocht zijn goedkeuring en acceptatie. Betrokkene is niet in staat voor zichzelf op te komen maar maakt zich groter dan hij werkelijk is. Daarbij laat hij zich beïnvloeden om meer alcohol te drinken dan hij wil. Binnen de Koerdische cultuur is de familie zeer belangrijk en mag men hier niet buiten vallen anders wordt men geïsoleerd. Betrokkene probeert zich binnen zijn peergroep, in een West-Fries dorp, aan te passen aan de geldende normen maar komt hiermee in conflict met zijn eigen afkomst. Hij zet zich op een stiekeme manier af tegen zijn familie maar schaamt zich ook. De opvoedingsstijl van ouders is verschillend. Vader is autoriteit en moeder hanteert een meer permissieve opvoedingsstijl. Ouders zijn hierover in gesprek met elkaar. De heer [naam 9] heeft een zeer bepalende rol binnen het gezin.

Hoewel betrokkene momenteel behandeld wordt in een GGZ-instelling wordt dit onvoldoende geacht. Betrokkene krijgt enkel een medicatiecontact ter controle van zijn Ritalin gebruik. Geadviseerd wordt om zo snel mogelijk psychologische behandeling te starten met aandacht voor het ten laste gelegde, sociale contactname, afhankelijkheid, scholing, eigen verantwoordelijkheid en de relatie met zijn ouders. Het moet gericht zijn op identiteitsontwikkeling, leren omgaan met emoties (met name boosheid en frustratie), vergroten assertiviteit, omgaan met perfectionisme en faalangst. Daarbij dient aandacht besteed te worden aan behandeling van ADD, zowel medicamenteus (voorschrijven van Ritalin indien nodig), alsook psychologisch vanwege de minderwaardigheidsgevoelens die hieruit voortvloeien.

Gezinsgerichte aanpak wordt eveneens geadviseerd teneinde de ouders en (ook) de heer [naam 9] te ondersteunen in het handhaven van een uniforme opvoedingsstijl, rekening houdend met hun achtergrond. Bovenstaande is mogelijk binnen een ambulant kader bij een instelling met forensische expertise (zoals bijvoorbeeld de forensische afdeling van GGZ Noord-Holland-Noord). Zowel betrokkene als ouders zijn gemotiveerd voor ambulante behandeling.

Het verdient aanbeveling om de geadviseerde ambulante behandeling plaats te laten vinden als bijzondere voorwaarde in het kader van een voorwaardelijk strafdeel in combinatie met een verplicht jeugdreclasseringstoezicht zodat zicht kan worden gehouden op het verloop van de behandeling.

Het bovengenoemde Pro Justitia Rapport van GZ-psycholoog [naam 7] houdt betreffende de persoon van verdachte en mogelijke interventies, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een identiteitsprobleem. Tevens is er sprake van een opeenstapeling van traumata en ouder-kind relatieproblemen. Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, indien bewezen. Betrokkenes gedrag werd beïnvloed door de gebrekkige ontwikkeling.

Betrokkene is een jongen die zich groot en stoer voordoet, maar onzeker is in relatie tot vrienden. Hij voelde zich ernstig gekwetst en gekrenkt door zijn oude vriendengroep, die hem in zijn beleving in de steek had gelaten. Vanwege het afsplitsen van positieve en negatieve affecten is betrokkene vanuit frustratie gaan toetrekken naar een nieuwe groep vrienden die neigen tot antisociaal gedrag, hiermee het negatieve zelf, los van het positieve zelf tot uitdrukking brengend. In de groep voelde betrokkene zich onzeker en had er veel voor over om erbij te horen, zo ook deelname aan de overval. Hierbij zal hij zich geïntimideerd hebben gevoeld door de mededader, maar omdat negatieve gevoelens er niet mogen zijn, hebben ze hem niet kunnen sturen in zijn oordeelsvorming. Vanwege deze problematiek had hij met betrekking tot de overval onvoldoende inzicht in de gevolgen van zijn gedrag, hij kon de consequenties onvoldoende overzien. Onderzoekster komt tot het advies om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De onzekerheid, het perfect willen en moeten zijn en de splitsing van positieve en negatieve affecten kunnen van belang zijn voor de kans op recidive. Andere factoren en condities die hierbij in ogenschouw moeten worden genomen zijn: de onzelfstandigheid en sterke afhankelijkheid van betrokkene, het niet kunnen weerstaan van sterke groepsdruk en er graag bij willen horen en de druk vanuit het gezinssysteem op perfect functioneren. Externe druk vergroot de persoonlijke problematiek, waardoor betrokkene steeds gevoeliger wordt voor die externe druk en de persoonlijke ontwikkeling steeds meer stagneert en/of zich nog meer in een negatieve richting gaat ontwikkelen.

Voor een gunstige ontwikkeling en ter preventie van het recidivegevaar wordt een ambulante behandeling van betrokkene door bijvoorbeeld De Waag of andere gelijksoortige instelling geadviseerd. De behandeling zal gericht moeten zijn op de ontwikkeling van de eigen identiteit, het loskomen van het gezin van oorsprong en ontwikkelingskansen creëren voor de eigen capaciteiten. Tevens zullen in de behandeling de verschillende traumata behandeld moeten worden, bijvoorbeeld met behulp van EMDR. Daarnaast wordt het belangrijk gevonden dat de systeemproblematiek zoals de verstoring in de vader-zoonrelatie, de niet reële verwachtingen en het weghouden van negatieve ervaringen wordt aangepakt. Gedacht wordt aan een behandeling door een systeemtherapeut.

Naast de twee ambulante trajecten is een begeleidingstraject geïndiceerd, gericht op sturing en controle en het aanbrengen van structuur. Hierbij wordt onder andere gedacht aan: stimuleren om weer intensief te gaan sporten, creëren van zinvolle dagbesteding, onthouding van gebruik van middelen, structurering van de omgang vrienden/kennissen, structurering vrijetijdsbesteding. Hierbij wordt gedacht aan jeugdreclasseringscontacten.

Het bovengenoemde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 16 juni 2014 houdt betreffende de strafrechtelijke afdoening, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Het risico dat betrokkene opnieuw in aanraking komt met politie en justitie vanwege het plegen van een delict is hoog. De Raad is van mening dat ondanks dat het gezin een beschermende factor is, er ook zorgen worden gezien binnen dit domein. Met name de persoonlijkheidsontwikkeling van betrokkene is door de combinatie van traumatische ervaringen en hoe het gezinssysteem hier mee omgaat, kwetsbaar te noemen.

Punten van zorg, komend uit het NIFP rapport, dienen zo spoedig mogelijk te worden aangepakt. Daarnaast zal ingezet moeten worden op het niet kunnen weerstaan van groepsdruk en de druk vanuit het gezinssysteem op perfect functioneren. Tot slot is het van belang dat de jeugdreclassering zich richt op dagbesteding, vriendkeuze, vrije tijdsbesteding en middelengebruik. Van belang is dat de controlerende en stimulerende rol meer bij de jeugdreclassering komt te liggen dan bij de ouders en de heer [naam 9], zodat het systeem zich kan richten op de onderliggende problematiek.

De Raad meent dat er veel zorgen zijn over de ontwikkeling en het functioneren van betrokkene, daarbij is hij verdachte van een zeer ernstig delict. De Raad volgt het advies van het NIFP.

De Raad adviseert de rechtbank, indien betrokkene veroordeeld kan worden voor hetgeen hem ten laste wordt gelegd, om hem op te leggen: deels voorwaardelijk en deels onvoorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden de verplichting zich te houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdbescherming /Jeugdreclassering ook als dit inhoudt:

  • -

    Meewerken aan behandeling, individueel en systeemgericht bij het Palier of een soortgelijke instelling;

  • -

    Meewerken aan traumaverwerking zoals EMDR bij een nader te bepalen behandelinstelling;

  • -

    Contactverbod met de medeverdachte;

  • -

    Openheid geven over gokgedrag en middelengebruik en indien nodig behandeling aangaan bij een gespecialiseerde instelling zoals de Brijder Stichting of Palier.

De rechtbank kan zich met bovengenoemde conclusies en advies verenigen, neemt deze over en maakt deze tot de hare. Aan verdachte zal een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur worden opgelegd. De rechtbank komt, gelet op de ernst van het feit, tot een hogere strafoplegging dan geëist door de officier van justitie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Voorts zal de rechtbank de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden opleggen.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 13.185,52 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit:

  • -

    € 1.650,00 wegens opname in verpleeghuis de Wilgaerden;

  • -

    € 181,00 wegens eigen risico zorgverzekering 2014;

  • -

    € 369,82 wegens tandartskosten;

  • -

    € 3.303,75 wegens toekomstige tandartskosten;

  • -

    € 1.894,00 wegens gestolen sieraden;

  • -

    € 112,00 wegens ziekenhuisdaggeldvergoeding;

  • -

    € 630,00 wegens revalidatiedaggeldvergoeding;

  • -

    € 44,95 wegens kastje met sleutels.

In totaal vordert [slachtoffer] € 8.185,52 aan materiële schade.

De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.000,00.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 6.190,02 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De schade bestaat uit:

  • -

    € 1.650,00 wegens opname in verpleeghuis de Wilgaerden;

  • -

    € 181,00 wegens eigen risico zorgverzekering 2014;

  • -

    € 369,82 wegens tandartskosten;

  • -

    € 1.982,25 wegens toekomstige tandartskosten (betreffende drie kronen in plaats van vijf kronen);

  • -

    € 1.200,00 wegens gestolen sieraden (exclusief de zilveren jusserun set en de gouden oorknoppen met granaat);

  • -

    € 112,00 wegens ziekenhuisdaggeldvergoeding;

  • -

    € 630,00 wegens revalidatiedaggeldvergoeding;

  • -

    € 44,95 wegens kastje met sleutels.

Een vergoeding van de immateriële schade ad € 3.000,00 komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank komt tot een lager bedrag aan immateriële schade dan verzocht nu verdachte is vrijgesproken van feit 2.

De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 9.190,02, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld] en het feit dat verdachte minderjarig is aanleiding ter zake van de helft van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder feit 1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich houdt aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdbescherming/ Jeugdreclassering, ook als dit inhoudt:

  • -

    meewerken aan behandeling, individueel en systeemgericht bij Palier of soortgelijke instelling;

  • -

    meewerken aan traumaverwerking zoals EMDR bij een nader te bepalen behandelinstelling;

  • -

    contactverbod met medeverdachte [medeverdachte];

  • -

    openheid geven over gokgedrag en middelengebruik en indien nodig behandeling aangaan bij een gespecialiseerde instelling zoals de Brijder Stichting of Palier.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 9.190,02 (negenduizend honderdnegentig euro en twee cent), bestaande uit € 6.190,02 voor de materiële en
€ 3.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.595,01 (vierduizend vijfhonderd vijfennegentig euro en één cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 55 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. van Weely, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. G.A.M. van Dijk en mr. E.J.M. Tuijp, rechters

in tegenwoordigheid van mr. S.C. Naeije, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juli 2014.

De jongste rechter, mr. Tuijp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal met nummer PL10HR 2014018809-5, inhoudende de bevindingen van [naam 10] van 22 februari 2014, blz. 34 (map A).

3 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer] bij rechter-commissaris van 4 juni 2014 (ongenummerd).

4 Proces-verbaal met nummer PL10RR 2014018809-7, inhoudende de bevindingen van [naam 11], [naam 12] en [naam 12] van 22 februari 2014, blz. 24 (map A).

5 Proces-verbaal met nummer PL10HR 2014018809-5, inhoudende de bevindingen van [naam 10] van 22 februari 2014, blz. 34 (map A).

6 Proces-verbaal van aangifte met nummer PL10RR 2014018809-1, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] van 24 februari 2014, blz. 26-27 (map A).

7 Proces-verbaal met nummer PL10HR 2014018809-5, inhoudende de bevindingen van [naam 10] van 22 februari 2014, blz. 34 (map A).

8 Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring / letselbeschrijving, opgesteld door [naam 5] op 22 februari 2012, blz. 39 (aanvullend proces-verbaal).

9 Proces-verbaal van dactyloscopisch onderzoek met nummer PL10RO 2014018809-18 van 4 maart 2014, blz. 209-210 (map A).

10 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] van 5 maart 2014, blz. 4-5 (map B).

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 12 maart 2014, blz. 39 (map B).

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 12 maart 2014, blz. 40 (map B).

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 12 maart 2014, blz. 41 (map B).

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 12 maart 2014, blz. 42 (map B).

15 Proces-verbaal rozenkrans van 7 maart 2014, p. 79 (map A).

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 12 maart 2014, blz. 39 en 41 (map B).

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 24 maart 2014, blz. 47 (map B).

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 12 maart 2014, blz. 39 (map B).